Ooit stond Vince Clarke mee aan de wieg van Depeche Mode, dat hij echter begin jaren tachtig verliet. Samen met Andy Bell vormde hij daarna achttien albums lang het duo Erasure en tussendoor waren er nog samenwerking met onder andere Alison Moyet als Yazoo en Orbital. Toch staat de muziek op Songs of silence daar ver van af. Hier verdiept hij zich eerder in ambient en gezongen wordt er nauwelijk op de plaat. Zijn grote liefde voor electronica komt wel duidelijk op de voorgrond. Hij bouwde alle songs rond telkens één noot uit zijn synthesizer, die hij laat terugkomen gedurende het hele nummer en waaromheen hij de rest construeert. Dit album werd opgenomen tijdens de pandemie en het contemplatieve van de lockdown en isolatie hoor je hier heel goed. Hoewel de nummers behoorlijk verschillen van elkaar hebben ze gemeen dat ze heel goed een sfeer weten neer te zetten. In Passage horen we bovendien echo's van Pink Floyd op de top van hun kunnen. Imminent laat de zware bas contrasteren met een The Orb-achtige lichtheid. De cello in The lamentation of Jeremiah verleent deze song extra diepgang en zweept het ene moment op om het volgende weer tot rust te komen. Blackleg is het enige lied waarin we vocalen horen maar een traditionele song is het toch niet helemaal geworden. In zijn geheel klinkt deze plaat als een verzameling prachtige muzikale ideeën die niet altijd volledig zijn uitgewerkt. De songs lijken soms naar een belofte toe te groeien die niet ingelost wordt. Maar eens je dat kan loslaten en je laat onderdompelen in de geluiden waarmee ze opgebouwd zijn, valt van dit werkstuk wel degelijk te genieten.
Toen ik nog met mijn ex-vrouw samenwoonde in het huis dat we samen kochten en waar onze kinderen zouden opgroeiden (en dat nog steeds doen), was er onderweg naar de tramhalte een huis dat altijd tot mijn verbeelding sprak omdat het een torentje had. Al als kind was ik geïntrigeerd door kleine torentjes aan gebouwen, waarbij ik me altijd afvroeg wat er achter dat torenraam schuil ging of wie daar woonde. Het leek me zalig om daar je eigen kamer te hebben, al vermoed ik dat het niet altijd even gerieflijk is in een klein, rond kamertje. Of het nu torens zijn van kastelen, torentjes als een fantasie aan een huis zoals hierboven beschreven of toren als metafoor, ze hebben ook altijd een inspiratiebron gevormd voor artiesten. Hieronder breng ik dan ook een bloemlezing van songs die over torens gaan of ermee te maken hebben.
Townes Van Zandt is een singer-songwriter die niet mag ontbreken met zijn Tower song. De Amerikaan is een artiest waar heel veel muzikanten die ik graag hoor, naar verwijzen in interviews en die ik tot mijn eigen schande veel te weinig beluister. Met Leonard Cohen maakte ik in 1988 pas echt kennis toen hij First we take Manhatten bracht in een programma (geen idee meer welk) op vrijdagavond op de BRT. We waren zoals wel vaker op vrijdag bij vrienden van mijn ouders en de tv stond aan terwijl zij aan het kaarten waren. Toen ik in de bibliotheek het album I'm your man uitleende, was ik helemaal verkocht. Een band die ik zelden beluister maar die voor mij wel bij een bepaalde periode hoort en waarvan ik enkele songs ken, is The Mission. Vooral hun gebruik van symbolen uit een ver verleden en die typische stem van Wayne Hussey. De groep ontstond toen de oorspronkelijke samenstelling van Sisters Of Mercy uit elkaar viel en je hoort inderdaad een muzikaal lijntje tussen beide bands. Op een zitbal aan haar piano was An Pierlé begin deze eeuw een frisse verschijning in de vaderlandse muziekscène, met schijnbare eenvoudige liedjes en een manier van zingen die we nog niet echt eerder gehoord hadden. Ooit zag ik haar eens live in het Fort Napoleon in Oostende, toen dat na de restauratie heropend werd als evenementenlocatie. Ook al zo'n typisch stemgeluid en typische manier van zingen heeft Justin Vernon, beter bekend als Bon Iver. Op zijn debuut vind je Towers terug. Natalie Merchant, ooit zangeres bij 10.000 Maniacs, heeft allang een solo-carrière uitgebouwd, zij het niet in de spotlights maar met wel een loyale fanbase en een constante kwaliteit. Ik was haar eerlijk gezegd wat uit het oog verloren, maar vorig jaar nog bracht ze Keep your courage uit, de plaat waarop je Tower of Babel terugvindt. Ook The tower van Future Islands werd vorig jaar pas uitgebracht. Na hun succesvolle single Seasons (Waiting for you) zag ik ze op Pukkelpop en ze verrasten me toen in positieve zin. In de slipstream van de grunge werd Superchunk een naam die bij muziekliefhebbers al eens een belletje deed rinkelen. Hun muziek is erg beïnvloed door punkrock, Sonic Youth, Hüsker Dü, The Minutemen,... Ze richtten het platenlabel Merge Records op, dat onder meer Funeral van Arcade Fire uitbracht. De Amerikaanse Zola Jesus incorporeert ook invloeden uit klassieke muziek, industrial en goth in haar platen en dat hoor je ook hier op Tower. De Nederlandse rapper Noentie (hier samen met De Chef) brengt nog maar sinds 2022 singles uit. Vorig jaar was er dit Blaas het van de toren. Uit een heel ander vaatje tapt Fit For A King, Texanen binnen de hardcorescène die sinds 2007 al zeven albums uitbrachten. Tower of pain klinkt ook zoals de titel al suggereert. Rapunzel, het bekende sprookje over een meisje dat door haar stiefmoeder opgesloten wordt in een toren om haar te beschermen tegen de wrede buitenwereld, vormde ook voor meerdere artiesten een inspiratiebron. Hier horen we zowel Dave Matthews Band (in 1998) als Let's Eat Grandma (in 2016). Over David Turtle Ramani is het niet eenvoudig iets terug te vinden op het internet. De muzikant blijkt vooral muziek voor tv-programma's, series, commercials en dergelijke te maken. Cru The Dynamic is Steve Bryant, een drummer die geschoold is in de jazz maar toch vooral hiphop en drum 'n bass maakt. Hij tourt vaak mee met andere artiesten en neemt soms zelf platen op. Hier horen we Freedom tower spaceship uit 2012. Twin towers is een song van XVICTORXRS, een artiest waarover ik verder geen informatie vond en die vorig jaar drie singles uitbracht die via Spotify te beluisteren zijn. In 1993 wees Humo mij de weg naar Me'Shell Ndegeocello, een Amerikaanse geboren in Berlijn als dochter van een militair, die vanaf haar debuut Plantation lullabies genres als soul, funk, reggae, hiphop, jazz en rock vermengde. Ik was toen danig onder de indruk van haar album maar de platen die ze daarna maakte, spraken me steeds minder aan. Afgaande op deze song uit haar vorig jaar verschenen plaat The omnichord real book verdient ze wellicht een nieuwe kans. De Australische band We Lost The Sea maakt al meer dan tien jaar platen en is zo'n band die ik vroeger kon ontdekken in de bib van Gent waar ze in hun uitgebreide cd-collectie vaak bands zitten hadden waarvan ik nog nooit gehoord had, maar die door hun bandnaam en albumhoes mij toch wisten te verleiden. Hun mix van postrock en noise klinkt heel weids en cinematografisch. Toen Grouper in 2013 het album The man who died in his boat uitbracht, werden ze binnen de alternatieve muziekscène onthaald als the next big thing. Ik denk niet dat die belofte waargemaakt is maar ik sluit deze playlist toch graag af met hun dromerig Towers.
Wie onlangs de Pano-reportage zag over sepsis (hier nog steeds te bekijken), kent Ilse Malfait al. Ze werd zelf slachtoffer van de aandoening die haar leven helemaal overhoop gooide en verloor uiteindelijk haar onderbenen en enkele vingers. Haar verhaal is het startpunt voor het boek Elk uur telt: een waargebeurde medische thriller maar je mag meer verwachten dan een zoveelste waargebeurd relaas van iets verschrikkelijks, want de auteur ging verder op zoek naar wat sepsis is en hoe het komt dat het nog zo onbekend is bij artsen. Die onbekendheid zorgt ervoor dat het vaak niet of te laat gediagnosticeerd wordt. Nochtans is een snelle juiste diagnose onontbeerlijk om de gevolgen zo minimaal te houden door een tijdig ingrijpen. En sepsis kan zware gevolgen hebben, zelfs tot de dood toe, zoals het boek illustreert (gelukkig liep het voor Ilse Malfait niet zo fataal af). Zelf kies ik er (voorlopig?) voor om het boek niet te lezen aangezien er ingrijpende medische ingrepen zitten aan te komen maar mijn lief is het boek aan het lezen. Ze verzekert me dat het goed geschreven is, weg blijft van het kleffe pad van de verhalen over een eigen lijdensweg maar net heel sterk focust op wat sepsis is en het grotere plaatje rond de onbekendheid ervan. Om eerlijk te zijn, ze is zelfs nogal onder de indruk en dat gebeurt niet zo gauw. Met dit boek wil Ilse Malfait overigens bekomen dat er ook bij ons, zoals in sommige andere landen, een sepsisplan uitgerold wordt door de overheid en ze wil het begrip in ieder geval bekender maken, niet enkel bij dokters maar ook algemeen.
Toen ik op mijn elfde mijn eerste radio-cassettespeler kreeg of kocht, zo herinner ik me, waren er twee songs die in die periode bovenaan de hitlijsten stonden: Radio ga ga van Queen en You are van Dolly Parton. Ik zou kunnen opzoeken of die inderdaad rond dezelfde tijd op nummer 1 stonden in de BRT Top 30 maar soms is het beter je herinneringen intact te laten, zelfs als ze niet helemaal juist zouden zijn. Nu is You are allerminst haar beste nummer, toch heb ik een zwak voor Dolly Parton. Dat komt door het album Halos & horns uit 2002, waarop ze onder meer een mooie versie bracht van Stairway to heaven van Led Zeppelin. In de jaren erna luisterde ik af en toe nog eens of ze een nieuw album had (het vorig jaar uitgebrachte Rockstar is haar tiende plaat nadien) en ik zag intussen enkele documentaires over haar, waaronder onlangs nog Here I am (te bekijken via de link, tenminste toch bij publicatie van deze post). In weerwil van haar imago blijkt ze een heel verstandige vrouw die de regie stevig in handen wist te houden en dat in een omgeving (de countrywereld) waarin mannen stevig de plak zwaaien. Ze maakte slimme keuzes (onder meer om de rechten voor I will always love you niet te verkopen) die haar geen windeieren gelegd hebben en hoewel ze er zorgvuldig over waakt weinig potentiële fans voor het hoofd te stoten, is ze allesbehalve een windhaan die draait en keer met de wind of een mossel-noch-vis tsjeef. Hoe ze zich al die tijd staande heeft weten te houden en altijd succesvol is gebleven, dat is toch wel iets waar je respect en bewondering voor mag opbrengen, temeer omdat ze heel vaak ook goeie songs en albums uitbrengt.
Vorig jaar verscheen dus Rockstar, een plaat met vooral covers van vaak bekende nummers die ze samen met andere artiesten brengt, niet zelden de originele uitvoerders. Het is een verrassend potige plaat, met versies die soms steviger klinken dan het origineel (zoals Every breath you take dat ze samen met Sting brengt). Verder horen we onder meer John Fogerty (Long as I can see the light), Peter Frampton (Baby, I love your way), Kid Rock (Either or), Pink en Brandi Carlile ((I can't get no) Satisfaction), Debbie Harry (Heart of glass), Elton John (Don't let the sun go down on me), Lizzo (op een nieuwe versie van Stairway to heaven), Emmylou Harris en Sheryl Crow (You're no good), Linda Perry van 4 Non-Blondes (What's up?) en de nog levende BeatlesPaul McCartney en Ringo Starr (Let it be). Ook Miley Cyrus, waarover ze zich wat ontfermd heeft, zingt mee op een net wonderlijk ingetogen Wrecking ball. Dertig songs lang (bijna 2,5 uur luisterplezier zou het promoteam zeggen) weet Dolly Parton ons te betoveren met versies en samenwerkingen die een grote liefde voor muziek én durf etaleren. En zo blijft ze ook nu nog een relevante artieste die zich niet zomaar in één vakje laat duwen.
Er zijn plekken waar ik graag in dit leven nog eens zou geraken. Sommige liggen behoorlijk dichtbij (zoals de Geraardsbergse deelgemeente Onkerzele), anderen verderaf. Eén van de tot mijn verbeelding sprekende plekken op aarde is zeker Istanboel, dat met zijn rijke geschiedenis (het heette vroeger o.a. Byzantium en Constantinopel) en zijn unieke ligging een ware mengelmoes is van culturen, volkeren, eetgewoonten,... en het lijkt me bovendien een prachtige stad met enkele indrukwekkende gebouwen, waaronder natuurlijk de Hagia Sophia en het Topkapipaleis.
Of ik er ooit zal geraken, weet ik niet. Eerlijk gezegd acht ik de kans eerder klein maar dromen mag. En dat dromen werd nog versterkt door het kookboek Istanbul van Rebecca Seal, dat niet alleen (vaak eenvoudige) verleidelijke recepten bevat, maar ook foto's van de stad. En natuurlijk zijn er de talrijke beelden die ik van de stad al zag op tv.
Muzikaal heeft de stad ook al heel wat bijgedragen, door muzikanten afkomstig van daar, maar ook door inspiratie op te leveren voor internationale artiesten.
Zo maakte de New Yorkse band They Might Be Giants op het album Flood (waarop ook hun grootste hit Birdhouse in your soul staat) dit leuk nummer over de naamswijzigingen die de stad doorheen haar geschiedenis onderging: Istanbul (not Constantinople).
De Canadese Loreena McKennitt maakt muziek die diep geworteld is in de Keltische folktraditie (later ook met Arabische invloeden) en brengt een mooie ode aan de stad in The gates of Istanbul.
Ik weet niet veel af van klezmermuziek, een Joods muziekgenre binnen de jazz, maar af en toe kan ik er wel van genieten. Het London Klezmer Quartet brengt een muzikaal eerbetoon aan de Bosporus, de zeestraat die Istanboel in een Europees en een Aziatisch deel verdeelt.
Herinnert u zich nog het titelloze debuut van Pinback uit 1999, met songs die vaak de naam droegen van steden op aarde (maar ook van filosofen)? Op dat album vind je ook Byzantine.
Patti Smith, één van mijn favoriete vrouwelijke artiesten, liet zich voor de titel van Constantine's dream inspireren door een droom van de Romeinse keizer Constantinus voor die een cruciale veldslag zou uitvechten, waarin God hem een boodschap gaf. De songs verwijst verder naar Christopher Colombus, Sint-Franciscus van Assissi en renaissance-schilder Pierro della Francesca. Het gaat over de verhouding tussen kunst en natuur en is één lange semi-improvisatie waarop ze een lokale Italiaanse band (Casa Del Vento) liet meespelen.
Condor Gruppe is een Belgische band die opgericht werd door twee leden van Creature With The Atom Brain en aangevuld met leden van o.a. Flying Horseman en Meuris. Op hun plaat Gulliver uit 2022 hoor je Turkse muzikale invloeden in het toepasselijk getiteld Galata (naar een stadsdeel van Istanboel, bekend van de voetbalclub Galatasaray).
Het Topkapipaleis was ooit de residentie van de Ottomaanse sultan in de stad. Tegenwoordig is het een museum. Transglobal Underground, een band die ik in mijn hart draag voor hun dancemuziek die geïnspireerd is door invloeden uit de hele wereld (met zang van o.m. de geweldige Natascha Atlas), laat Ottomaanse invloeden doorklinken in Topkapi.
Een belangrijk deel van de James Bond-film From Russia with love speelt zich af in Istanbul en filmcomponist John Barry maakte op de soundtrack dit heerlijk relaxte nummer The golden horn.
De toegang tot de Bosporus (of de Gouden Hoorn) vanuit het zuiden zijn de Dardanellen (waar ook Troje lag), waar in de Eerste Wereldoorlog de Geallieerden een mislukte invasie probeerden (1915). Het waren vooral Australische en Nieuw-Zeelandse soldaten die er omkwamen en dus hoeft het niet te verwonderen dat het lied He died at the Dardanelles deel uitmaakt van een verzameling Australische oorlogssongs uit WO I.
Istanboel vormt door zijn ligging de wellicht belangrijkste verbinding tussen twee continenten die soms samen als Eurazië worden aangeduid. Op The resistance uit 2009 bezingt Muse op nogal Queen-achtige wijze The rise of Eurasia.
Over Cem Karaca postte ik ooit lang geleden hier al eens, toen ik zijn muziek ontdekte. Hoewel hij niet in Istanboel geboren is, verhuisde hij er wel naartoe nadat hij vanuit ballingschap uit West-Duitsland kon terugkeren in 1987. De eerste minister had hem intussen immers gratie verleend nadat de militaire dictatuur hem als subversief element had vervolgd. Ik vind de clip die bij deze song hoort ook heel leuk. Je ziet Karaca die eruitziet als een soort Turkse Frank Zappa in een zwart-wit sixties decor en die met heel veel handgebaren zijn lied brengt. Bekijk de clip hieronder:
Tenslotte wil ik ook graag verwijzen naar de fantastische website Beehype waar de beste hedendaagse muziek uit zowat alle landen ter wereld bij elkaar gebracht wordt en waar je dus parels kan ontdekken die je hier nooit op de radio zou horen of waar je nooit over zou lezen op muzieksites. Eén van de Turkse bands die ze highlighten is het uit Istanboel afkomstige Biz, Je hoort hier één van hun populairste nummers (uit 2015), de titeltrack van Dünya büküldü.
Yasuke is een anime-serie over een zwarte samurai in het feodale Japan, geproduceerd voor Netflix. De soundtrack bij de serie werd gemaakt door Flying Lotus, eigenlijk Steve Ellisson, een fervente fan van het genre. En zoals we gewoon zijn van deze muzikant, weet hij prachtige songs ineen te knutselen. Waar zijn platen doorgaans experimenteel zijn en bijna een genre op zichzelf binnen de hiphop, valt op hoe hij voor deze soundtrack kiest voor rustige melodieën en vaak meer sfeerzetting dan songs. Je hoort hoe nummers als Hiding in the shadows en Crust echt gemaakt zijn om als muzikale ondersteuning te dienen voor een vooral visueel verhaal. Uiteraard hoor je Japans invloeden (zoals in Fighting without honor, dat me doet denken aan het werk van Takkyu Ishino en Ken Ishii). De 26 songs op deze plaat, sommige erg kort, vervullen weliswaar een dienende rol ten opzichte van de tv-serie maar klinken hier op zichzelf ook als een coherent en beluisterenswaardig geheel.
De iconische Suicide-zanger Alan Vega stierf in 2016 maar heeft blijkbaar in kluizen nog heel wat materiaal achtergelaten dat hij bij leven opnam. Aangekondigd als een eerste release daaruit, mogen wij kennismaken met Mutator, een plaat die niet vlotjes als fruitpap door de spreekwoordelijke keel glijdt (of accurater in het geval van muziek: de oren). De nagelaten stukken zijn nogal experimenteel van aard, wat niet hoeft te verbazen van een muzikant die hoedanook al minder voor de hand liggende darkwave maakte. Echte zang kan je de vocalen ook niet altijd noemen, al hoeft dat niet onaangenaam te zijn: Muscles werkt net goed met het parlando. Bij momenten hoor je duidelijk wave doorklinken (Filthy), in andere songs zoals Samurai wordt uit een ander vaatje getapt. Het experiment wordt iets te ver doorgedreven in Psalm 68 (dat verwijst naar Psalm 69 van Ministry) maar daartegenover staat een ware parel als Nike soldier. De beklemmende sfeer van die laatste song schetst een goed beeld van de muzikale wereld die Vega bij leven schiep.
Iets minder dan drie jaar na zijn dood is er een postume plaat van Tony Joe White met demo's die Dan Auerbach (van The Black Keys) met sessiemuzikanten vervolledigde tot een mooi eerbetoon aan de Louisiaanse swamp rock van de Amerikaan. Smoke from the chimney bevat negen songs die inderdaad de demo-versie prachtig overstegen en deze pionier van het genre alle recht doen.
De diepe stem van de in Nashville levende en intussen overleden artiest blijft zijn handelskenmerk en kleurt ook hier de songs bijzonder warm. Del Rio, you're making me cry is een goed voorbeeld van hoe zalvend die kan klinken, ondanks het verdrietig verhaal dat erin verteld wordt.
De nummers die je hoort, zijn minutieus opgebouwd en zitten vol subtiele muzikale details en de muzikanten die ze afwerkten, leggen er hun ziel en al hun kunde in. Ik hou van het weeë zaterdagavondgevoel bij Listen to your song, het bluesidioom van Scary stories, de vertederende eenvoud van Someone is crying en het orgeltje in Billy. Geen enkel lied op deze plaat moet onderdoen voor de andere en voor jonge mensen die de tijden van zijn hits Polk salad Annie en Rainy night in Georgia gemist hebben, is dit een uitstekende introductie.
Met hun vijftiende album, Van Weezer, stuurt Weezer een vette knipoog naar de eighties hardrock genre Van Halen de wereld in. Naar verluidt zit in elke song wel minstens één hardrock-riff uit dat decennium.
Het viertal verkeert weer in goede vorm. Niet alleen was er (een heel ander want behoorlijk symfonisch aangezet) eerdere plaat dit jaar met OK human, het spelplezier is bijzonder groot, het luisterplezier navenant en de knipogen en typische Weezer-humor krijgen hier de ruimte om in perfect meezingbare rocksongs een instant goed gevoel te bezorgen. Songs als All the good ones en The end of the game schreeuwen er gewoon om luidkeels meegezongen te worden door een festivalpubliek, wat helaas nog wel even zal duren.
De band vergeet niet heerlijke popmelodieën te gebruiken, zoals blijkt uit 1 more hit en Hero. Dit album blinkt vooral uit door het gebrek aan pretentie: de luisteraar een half uurtje onversneden fun bieden lijkt, naast het eerbetoon aan een genre dat ze koesteren, de enige ambitie.
Er zijn groepen die graag de vernieuwing opzoeken en er zijn er waarvan je perfect weet wat je (ongeveer) mag verwachten omdat ze hun sound amper wijzigen. Als dat zoals bij Dinosaur Jr. is omdat ze daarmee hun eigen unieke plaats gevonden hebben en door velen bewonderd worden en zelfs als inspiratie genoemd, dan is dat absoluut niet erg. Met Sweep it into space zijn ze aan hun twaalfde plaat toe. Dat tegen de verwachtingen lage aantal (de band bracht zijn debuut al in 1985 uit) is onder meer te wijten aan de vele projecten waar frontman J Mascis bij betrokken was, zijn solo-platen en de pauze en reünie in achtereenvolgens 1997 en 2005. De fans intusssen zijn allang blij dat met enige regelmaat nieuw werk verschijnt en wellicht evenzeer dat ze niet bepaald van veel vernieuwing verdacht kunnen worden. Producer Kurt Vile bracht daar ook niet veel verandering in en vanaf I ain't hoor je dat ze perfect de balans tussen melancholie en vreugde nog steeds beheersen en de zang van J Mascis mag dan niet meteen om over naar huis te schrijven zijn (dat was die nooit), het klinkt allemaal vertrouwd en erg passend bij de muziek waarin de gitaar de absolute toonzetter is. Hoogtepunt is overigens het eerder rustige Garden dat wat meer diepgang lijkt te hebben dan de echte rocknummers zoals we die al sinds de jaren tachtig van hen gewoon zijn.
Samenwerkingen tussen Matt Sweeney en Will Oldham, die vooral bekend staat als Bonnie 'Prince' Billy, leveren vaak spreekwoordelijk meer op dan de som der afzonderlijke delen. Het lijkt alsof beide heren elkaar naar een hoger niveau weten te tillen. De gitarist van onder meer Skunk en Chavez en de muzikale duizendpoot en veel-releaser vonden elkaar zo bijvoorbeeld in 2005 voor Superwolf, een plaat die ik iedereen zo zou aanraden. Nu is er daarop een logisch vervolg met Superwolves, een collectie van 14 songs waar je het behaaglijk warm van krijgt op dagen waarop de temperatuur onder het jaargemiddelde blijft. Uiteraard staan er luisterliedjes op (zoals Good to my girls, Watch what happens of You can regret what you have done) maar plots gaat het tempo omhoog voor een psychedelische song (Hall of death). Vaak schurken de songs aan tegen folk die de seventies oproept. Bovenal is deze plaat kwalitatief hoogstaand, met geen enkele song die minder dan excellent is, zowel qua melodie, instrumentatie als (samen)zang.
Niet heel veel bands slagen erin om bij hun debuut zoveel enthousiasme op te wekken als Royal Blood deed met hun titelloos album in 2014. Dat was overigens geheel terecht. Songs als Come on over, Little monster en Ten tonne skeleton haalden de luchtgitaren massaal van stal zelfs bij diegenen die hadden georakeld dat rock 'n roll/gitaarmuziek nu wel echt definitief dood was. Vandaag kunnen we luisteren naar hun derde plaat, Typhoons, die een nieuwe stap inluidt in hun discografie. Gelukkig is het allerminst een stap achteruit (of simpelweg opzij): al vanaf Trouble's coming weten de Engelsen opwinding door onze aderen te jagen. De overmacht van de gitaren wordt hier mooi aangevuld met elementen uit dance rock en disco. Ditmaal is het duo gegaan voor een sound die dansbaarder is. Daardoor klinkt een vleugje Foals door. Million and one toont zelfs een shift in klemtoon: het zijn niet zozeer de gitaren die bepalend zijn maar minstens evenzeer de electronica die de song dragen. Mad visions trekt enkele nummers die lijn door. Helemaal een buitenbeentje is afsluiter All we have is now, een ballad die zo buiten de rest valt dat je als luisteraar niet goed weet wat je ermee aan moet. Toch is het hoogtepunt Boilermaker. Hier spat niet alleen de opwinding van elke noot, dit is ook het hardste nummer van de plaat. Het tweetal heeft dan al zeven songs lang toegewerkt naar deze climax die je trommelvliezen binnendringt met een ongelooflijke kracht. Soms hoef je maar met twee te zijn om even indrukwekkend te klinken als een klassieke of uitgebreidere band. Royal Blood is daar een prachtig voorbeeld van.
Ik moet toegeven dat ik al lang een zwak heb voor Teenage Fanclub, de Schotse band die in 1991 met The concept een memorabele single uitbrachten die in twee delen uiteenvalt. Ook What you do to me uit hetzelfde album Bandwagonesque raakte de juiste snaar. Sinds 2005 maken ze nog ongeveer om de vijf jaar eens een plaat en die is nooit slecht, al weet de groep niet langer de scherpte van weleer in hun songs te krijgen. Met Endless arcade breien ze alweer een vervolg aan hun oeuvre. Plaat nummer twaalf is een werkstuk geworden dat alweer geen opvallende singles herbergt. Wel hoor je op de plaat een indiegitaarband die diverse tempo's de ruimte geeft in hun liedjes en een soort vakmanschap uitstraalt. Mijn voorkeur gaat weliswaar uit naar de meer up-tempo nummers, omdat je daarin beter hoort waartoe het vijftal in staat is. Opener Home had in elk jaar sinds 1990 kunnen uitgebracht zijn, het korte Warm embrace maakt zijn naam waar door hartverwarmend een soundtrack te geven aan genegenheid. In our dreams en Living with you zijn aangename gitaargedragen songs die niemand storen. De tragere songs zijn altijd wel goed, daar niet van, maar erg opwindend klinken ze niet. Onderlinge inwisselbaarheid dreigt daar toch een beetje. Ontstaan in het jaar van de val van de Berlijnse Muur bewijzen ze iets meer dan dertig jaar later dat ze platen maken helemaal onder de knie hebben. Het resultaat is een album dat je mag bijschuiven in je platenkast onder de T en dat niet misstaat tussen hun ander werk. Dit is meer een plaatje om af en toe eens op te leggen wanneer je je hoofd wil vrij houden voor andere bezigheden en toch een aangename luisteromgeving wil creëren.
Het tiende studio-album van Mogwai, As the love continues, bleek plots een groot (commercieel) succes in Groot-Brittanië en dat is toch wel verwonderlijk. Hoe goed hun platen ook altijd al geweest zijn, het is niet meteen muziek gericht op een groot publiek.
Binnen de post-rock gelden de Schotten als één van de topgroepen en naast hun reguliere albums brachten ze ook al soundtracks uit. Al hun platen ademen constante kwaliteit en dat is bij deze niet anders. Meer dan voorheen hoor je echter ook dat de band zijn horizon heeft verbreed, al vanaf opener To the bin my friend, tonight we vacate earth. Here we, here we, here we go forever klinkt verrassend electronisch en Ritchie Sacramento had een jaren negentig indie gitaarhitje kunnen zijn. Dat terugkeren naar de sound van bijna dertig jaar geleden horen we ook duidelijk in Ceiling granny.
Verdere hoogtepunten zijn er met Supposedly, we were nightmares (dat zowaar als springerige post-rock zou bestempeld kunnen worden) en het dromerige Dry fantasy. Waarom de groep er dit keer wel in slaagt meer mensen te bereiken, is duidelijk voor wie hoort hoe ze wat nostalgie naar de jaren negentig verwerken in hun muziek en het pad der zuivere post-rock verlaten om dwars door het bos een eigen weg te stappen.
The Polyphonic Spree is zo'n groep waar ik ooit eens kennis mee maakte en die ik best wel goed vond, maar die algauw weer de krochten der vergetelheid opzocht (of er minsten in belandde) waardoor ik hen haast vergeten was. Nochtans herinner ik me dat hun mooie zang één van de troeven was waarmee ze me toen bekoorden. Het was ten tijde van Together we're heavy (2004), een plaat geproduced door Eric Drew Feldman, hier mogelijk bekend als (ex-)lid van dEUS en Pixies. Afflatus, hun nieuwste en pas zevende album in bijna twintig jaar, beroept zich nog steeds op de mooie vocalen om te bekoren. Al in Don't change en You put my love out the door vallen die nog meer op dan de lichtvoetige melodieën. Daarna volgt een prachtige cover van het atypische Rolling Stones-nummer She's a rainbow. Meteen hoor je hoe ze de vrolijke toon van het nummer perfect te pakken hebben. Alle tien songs op deze plaat houden die kwaliteiten vast al lijkt de plaat wel een beetje in te zakken in de tweede helft. Gelukkig maakt afsluiter The spirit of radio veel goed door een totaal andere richting in te slaan. Hier zijn het zowaar de gitaren die de hoofdrol opeisen en krijgen we een vrij potige song te horen, met in de tweede helft verrassende tempo- en stijlwisselingen. De band uit Dallas heeft me opnieuw voor zich gewonnen en dit album zal deze zomer nog wel vaker beluisterd worden.
Eén jaar voor mijn geboorte zorgden vier op dat moment gevierde muzikanten voor een samenwerking die nog steeds geldt als legendarisch. De Amerikaanse singer-songwriters David Crosby en Stephen Stills hadden al samen met hun Britse collega Graham Nash een titelloze debuut uitgebracht en werd nu ook nog eens vervoegd door Neil Young. Die laatste had ook al net wat albums uitgebracht en had al met Stills samengewerkt in Buffalo Springfield.
Déja vu verwierf intussen de status van klassieker en is voor elk van de vier mannen hun grootste succes. De in folk en country gedrenkte muziek wurmt zich ook vandaag nog steeds meteen een weg naar je hart. Hoewel elk van de bandleden zijn eigen delen meestal apart opnam, hoor je toch een verrassend hechte band.
Tot mijn persoonlijke favorieten horen zeker het niet van humor gespeende Almost cut my hair en het heel erg door Neil Young beheerste Helpless. Dat nummer kende ik al van een verzamelaar van deze artiest. Het is een typische Young-song, waarin de zang langoureus klinkt en de melodie bedrieglijk simpel lijkt. Woodstock ken je uiteraard van de soundtrack van de documentaire over het gelijknamige festival. Het lichtvoetige Our house straalt zoveel optimisme uit dat we dat tegenwoordig terug heel hard kunnen gebruiken. Ook de up-tempo afsluiter Everybody I love you doet het nog steeds goed, al hoor je duidelijk een productie eigen aan de jaren zeventig.
Niet enkel nostalgici mogen af en toe teruggrijpen naar deze plaat. Het is gewoon een terechte klassieker.
De Malinese zanger en gitarist Samba Touré is géén familie van de legendarische Ali Farka Touré, mijn favoriete Afrikaanse bluesartiest. Zijn moeder was wel één van de eerste vrouwen die samen met Ali Farka zong. Zelf trok Samba Touré naar hoofdstad Bamako waar hij kennismaakte met de populaire gitaarmuziek uit Zaïre (tegenwoordig Congo). Via die weg leerde hij de muziek van de grote Malinese artiest ook kennen, hij ging hem bewonderen en begon in dezelfde gitaarstijl te spelen.
Dat hoor je heel duidelijk op Binga, zijn vierde plaat (zijn derde was een hommage aan Ali Farka Touré, met wie hij in 1997 overigens mee op tournee mocht). Je hoort de typische bluesgitaarstijl en ook de parlando zangstijl keert hier terug, onder meer in Atahar. Tot de pareltjes behoren het instrumentale (uiteraard...) Instrumental en Fondo waarin je echo's hoort van Ry Cooder.
Wie niet van Malinese blues houdt, loopt hier best in een boog omheen want er wordt op deze plaat vooral een traditie voortgezet. In zijn genre is dit echter een steengoede release.
Het duo Rob Lowe en Michael Muller uit Austin, Texas, ook wel bekend als Balmorhea, kwam op deze blog al eerder aan bod omwille van hun mooie releases, waaronder een live-album opgenomen in de Gentse Sint-Elisabethkerk in het Groot Begijnhof. Hun nieuwste plaat, The wind, is uit bij Deutsche Grammophon, één van 's werelds meest vooraanstaande labels als het op klassieke muziek aankomt. Ook Max Richter en Dustin O'Halloran, om er slechts twee te noemen, vonden al eerder de weg daarheen. Zelfs Moby en de Nederlander Joep Beving sieren hun back catalogue.
Dat nu ook de Texanen onderdak vonden bij dit klassieke platenlabel, hoeft niet te verbazen voor wie al eerder genoot van hun zachte, kabbelende, verstilde, soms zweverige, ingetogen en tegen klassiek aanschurende composities. Ook nu weer horen we zacht gitaargetokkel (Landlessness) en behoedzame pianotoetsen (La vagabonde, Evening,...) die de basis leggen voor mooi gearrangeerde songs. Een hele resem gastartiesten uit muziekgenres die we gemakkelijkheidshalve onder "modern klassiek" kunnen samenvatten, werkten overigens mee.
Het geheel is een erg rustige en contemplatieve plaat, die de luisteraar meeneemt naar een wereld waar je je zorgen kan vergeten en kan verdrinken in pure schoonheid.
De New Yorkers van The Antlers zijn toe aan hun zesde studioplaat, Green to gold. Waar sommige bands potentiële luisteraars lokken met een aantrekkelijke hoes, weet ik het niet zo voor deze. Er gaat iets fascinerends van uit, dat wel, maar tegelijk is het ook een tikje schreeuwerig. Gelukkig hoefden ze mij niet echt meer te overtuigen om hun muziek te beluisteren.
Ik leerde hen immers in 2009 kennen dankzij het prachtige album Hospice, waarmee ze in mijn persoonlijke top van dat jaar zelfs eindigden op de negende plek. En ook op deze nieuwste combineren ze mooi gitaarspel met zang die zacht, allerminst opdringerig en bij momenten hemels klinkt. Solstice is hier een mooi voorbeeld van.
Op deze plaat kiezen ze minder resoluut voor stevigere elementen van indie-rock maar opteren ze voor een zalvende houding. Het tweetal dat nog overblijft van de band levert daarmee songs af die bedaard en rustig kabbelen. Dan is na een tijdje onderlinge inwisselbaarheid en zelfs verveling bij de luisteraar een valkuil die je vakkundig moet vermijden en daar slagen ze gelukkig goed in. It is what it is leunt op een jazzy saxofoon en na de titelsong, die de percussie wat meer naar voren schuift, volgt Porchlight dat de gitaarsound in balans brengt met lichte pianotoetsen.
Green to gold kan voor mij niet tippen aan het inmiddels al elf jaar oude Hospice. Toch dragen ze nog steeds met verve de titel van "kleine parel die je je vrienden wil aanraden".
Beluister hieronder het volledige album, dat je hier kan kopen via hun Bandcamp-pagina:
DJ Muggs kan je kennen als lid van Cypress Hill en voor wie nog beter vertrouwd is met hiphop ook van Soul Assassins. Net als bij die bands, waar hij met zijn samples en beats zorgt voor een dystopische sfeer, komen we al luisteraar niet terecht in een zonnige maar duistere wereld, niet in land van honing en melk maar van dreiging en zwaarte.
Dies occidendum betekent zoveel als verbrijzelde dagen en het is exact die versplintering, zo herkenbaar in deze coronatijden, die me de plaat intrekt. De instrumentale hiphoptracks vormen samen een verhaal, over hoe DJ Muggs worstelt met verschillende demonen en stemmen die net als bij iedereen samen deel uitmaken van dezelfde persoon. Die versplintering van mensen is bij de één meer uitgesproken dan bij de ander, hier hoor je hem in de diverse stijlen die gehanteerd worden. Zo klinkt Subconscious als minimalistische triphop en daardoor het ook een beetje denken aan de minst toegankelijke platen van DJ Krush.
Anicca zoekt eveneens maximaal effect in minimalistische muziek Afsluiter Transmogrification is met zijn ruim vijf minuten het langste nummer op de plaat (hier horen we eindelijk de zwarte geit waarnaar DJ Muggs verwijst) en is de synthese in de meest klassieke betekenis: de verschillende elementen zijn via een soort muzikale catharsis tot een nieuw inzicht gekomen. Dat inzicht lijkt vooral uit innerlijke rust te bestaan, minutenlang horen we amper meer dan gekraak als het einde van een vinylplaat, krekels en hier en daar een geluidje.
Vrolijk kan je deze plaat niet noemen en makkelijk toegankelijk is ze evenmin. Veel zieltjes zal hij niet winnen buiten een schare muziekliefhebbers die steeds op zoek zijn naar vernieuwende en opmerkelijke releases. Dit wordt voor hen een kluif waar ze even zoet mee zullen zijn.
Er zijn bands en artiesten die altijd en overal buiten categorie blijven en met elke nieuwe plaat bewijzen dat men hooguit kan proberen hen te imiteren, maar dat niemand hen zal weten te evenaren. Telkens opnieuw herinneren ze er ons aan dat ze een eenzaam hoog niveau halen. Ik denk hierbij aan Sonic Youth of Prince en ook aan Godspeed You! Black Emperor.
De Canadezen maken experimentele post-rock die in 2000 met het tweede album Lift yr skinny fists like antennas to heaven insloegen als een bom. Drie jaar na Luciferian towers is er nu hun pas zevende album. G_d's Pee AT STATE'S END! is goed voor iets minder dan een uur afwisselingen tussen climaxen en rustmomenten die nooit helemaal tot rust komen. Het broeierige dat hun muziek kenmerkt, blijft altijd zinderen tot in de uitlopers van de songs. Neem bijvoorbeeld Where we break how we shine (ROCKETS FOR MARY) waarin de relatieve rust na First of the last glaciers door de haast in eenzaamheid terugkerende drumroffel beklemt.
De woede die de eerder genoemde plaat uit 2000 typeerde (en ook nog wel meer releases) staat minder op de voorgrond, de intensiteit is er wel nog steeds maar zit in andere details en heeft een andere lading meegekregen. Dit album klinkt meer beschouwend, zoomt uit en weet daardoor minder rechtstreeks te raken maar meerdere luisterbeurten later merk je dat je doordrongen bent van hun muzikale kijk.
Ik ken mensen die Neil Young maar niks vinden, meer zelfs, die hem een "oude zaag" noemen. Als corona ons iets leert, is het wel dat er dus toch ergere dingen bestaan. En voor wie de stem van de Canadees niet kan verdragen, is er nog altijd Israel Nash, the next best thing.
Nash liet zich vroeger voorstaan op zijn volledige naam (Israel Nash Gripka). Ergens onderweg naar deze zesde plaat, Topaz, is het laatste deel eraf gegaan en vervangen door steeds meer kwaliteit. Het maakt deze plaat, die zoveel meer is dan americana, de boeiendste uit zijn oeuvre totnogtoe. De injectie met soul en psychedelica die vooral naar voren komt door de toevoeging van blazers en gospelkoortjes, laat het genre hier buiten zijn oevers treden. Southern coasts bijvoorbeeld drijft daardoor op een echoënde drumbeat, Canyonheart wordt een haast religieuze ode en Howling wind schurkt dan weer tegen Fleet Foxes aan, weliswaar zonder harmonieuze mannenstemmen. Het prachtige Closer gaat echter lopen met de award voor beste song op dit album. En hier is wel een hoofdrol weggelegd voor langgerekte gitaarakkoorden die door de lucht zweven als traag vooruit geblazen majestueuze wolken.
Eén van de muzikanten die me bij het eerste contact verraste met haar openheid en haar dankbaarheid, was Chantal Acda, die ik ooit interviewde voor Indiestyle. Meerdere platen later volg ik haar nog steeds met nieuwsgierigheid en ik zag hoe ze uitgroeide van een typisch bandlid, beschroomd om een hoofdrol op te eisen, via een aarzelende start onder eigen naam tot een volwassen klinkende zangeres en muzikant die bij elke plaat de juiste snaar wist te raken. Daarvoor koos ze vaak als partners in crime net die collega's die haar songs nog meer diepgang gaven.
Ook op Saturday moon, haar vijfde studioplaat, breidde ze de lijst samenwerkingen uit met namen die klinken als een klok én garant staan voor een nog hogere kwaliteit. Alan Sparhawk en Mimi Parker van Low springen daarbij het meest in het oog. Zoals gehoopt en verwacht, klinken de acht nummers nét dat tikkeltje anders dan alle voorgangers.
Disappear, dat ook als single uitgebracht werd, drijft op een lichtjes aan Low verwijzende drumlaag en de samenzang omarmt de luisteraar. Het kwetsbare The letter illustreert mooi hoe de vocalen de boventoon blijven voeren en als puntje bij paaltje komt de doorslaggevende factor zijn voor het pal staan van de songs. Time frames dipt zijn teen in de vijver van nineties bands als This Mortal Coil en The Sundays. Mijn persoonlijke favoriet echter is het titelnummer dat het album ook opent. Daarin wordt een perfecte balans gevonden tussen een rijke melodie, harmonieuze samenhang en die immer opvallende stem van de zangeres.
Bij elke nieuwe plaat krijg je een vers puzzelstukje aangeboden dat ooit door muziekarcheologen zal ingepast worden in het verhaal van hoe Chantal Acda uitgroeide van een gewaardeerd lid van bands als Isbells, Sleepingdog, Nu Nog Even Niet, True Bypass,... tot een ook muzikaal helemaal gerijpte vrouw.
Al enkele jaren is mijn zoon grote fan van de Amerikaanse rapper NF. Na vijf studio-albums bracht hij zonet, 2 jaar na voorganger The search, een mixtape uit. Clouds (The mixtape) mag dan een ander format heten te zijn, veel verschil met een gewoon album hoor ik niet meteen.
NF is een intussen 30-jarige rapper uit Michigan. Zijn christelijke opvoeding en zijn onderdompeling op jonge leeftijd in het oeuvre van Eminem levert hiphop op die altijd wel heel erg aanschurkt tegen "christian hiphop", een genre waarvan ik niet eens wist dat het bestond (maar waarvan het bestaan me anderzijds niet verbaast). Toch verzet hij zich vaak tegen het toegewezen worden aan dat vakje omdat hij vooral rapt over wat hij meemaakt(e) en hij een ruimere blik dan enkel een christelijke heeft. Zijn persoonlijke geschiedenis vertoont een al even grillig en van ellende doordrenkt patroon als zijn idool. Zijn ouders scheidden en hij werd opgevoed door zijn moeder, tot zijn vader hem daar weghaalde omdat haar nieuwe partner hem misbruikte. In het jaar dat hij afstudeerde aan de high school, overleed zijn moeder aan een overdosis.
Net als bij zijn vorige platen valt meteen de grote gelijkenis op met Eminem. Bij momenten klinkt hij echt hetzelfde. Het versterkt algauw het gevoel dat je dit al eens eerder hoorde. De onderwerpen zijn recht uit een (rauw) leven gegrepen en ook dat is niet onbekend voor Eminem-fans. Die laatste heeft dan weer meer gevoel voor humor, je hoort doorheen de songs toch vooral ook een woede tegenover het leven die overal in sijpelt. Het palet wordt iets rijker geschakeerd wanneer collega's mogen komen bijdragen, zoals Hopsin in Lost, dat ook een interessantere muzikale keuze maakt om overheen te rappen, of Tech N9ne in Trust. Hier wordt helaas het sjabloon van meerdere NF-songs gevolgd.
NF is zich heel erg bewust van zijn sterkte en speelt die graag uit. Jammer genoeg zit daarin net ook de achillespees van deze mixtape. Te weinig wordt afgeweken van deze elementen en na vijf platen, twee EP's en nu een mixtape klinkt het vooral alsof je op "endless repeat" hebt gedrukt. Het verklaart misschien ook waarom NF bij een bijna 50-jarige luisteraar nog weinig emotie weet op te wekken en ik te weinig diepgang ervaar in de lyrics. Ik kan anderzijds de aantrekkingskracht en zelfs herkenning begrijpen die hij teweegbrengt bij pubers voor wie het wat weinig gedifferentieerd emotioneel palet een houvast biedt in het ontdekken van zichzelf.
Het was een hele tijd geleden dat hier nog iets nieuws verscheen. Heel wat omwentelingen in mijn leven, zoals een nieuwe job, hielden me zo bezig en kostten zoveel moeite, energie en vooral tijd dat het er een tijdje niet meer van kwam om te bloggen. Nu het stof neergedwarreld is, hoop ik (eindelijk) de draad terug op te kunnen nemen en regelmatiger een bijdrage te schrijven.
Welkom terug ook, lezers, vanaf nu weer krijg je af en toe vers leesvoer.