Posts tonen met het label retro review. Alle posts tonen
Posts tonen met het label retro review. Alle posts tonen

26 april 2026

Retro review: Paperclip People


Het lijkt een eeuwigheid geleden maar ooit bezocht ik enkele jaren de Ten Days Off (die voorheen de Ten Days Of Techno heetten) in mijn geboortestad Gent. Ik kocht zelfs een abonnement voor de hele 10 (eigenlijk 11) dagen, die toen doorgingen in de oude, leegstaande bowlingzaal nabij het Gravensteen, die voor de gelegenheid omgedoopt was tot Star Building. Het leidde ertoe dat ik in die jaren ook techno-albums kocht van artiesten die er optraden en die ik goed vond. 
Eén van die aankopen was The secret tapes of Dr. Eich van Paperclip People, één van de vele alter ego's van Carl Craig (van wie ik ook een plaat kocht trouwens).
Het nadeel van techno-albums is dat de muziek erop in de regel gemaakt is voor een ander context dan je huiskamer. Techno hoort thuis op een dansvloer, in een club, in de nachtelijke uren, en de artiesten hebben die setting ook in gedachten bij het maken van de nummers. Toch is het mogelijk om een goed album vol techno te maken, als je de songs maar melodieus genoeg maakt zodat het niet gauw vervelend wordt. Enkel een opeenvolging van beats kan opzwepend zijn om op te bewegen, zeker wanneer je al in een zekere flow zit. Voor huiskamergenot is dat echter te weinig.
The secret tapes of Dr. Eich weet gelukkig wel stand te houden eens je gewoon thuis bent. Songs als OscilattorThrow en Floor zitten gewoon uitstekend in elkaar natuurlijk vormen ze daarmee uitstekende singles doch hier blijkt ook dat als ze samen een album moeten dragen dat toch ruim een uur omspant, ze de luisteraar geboeid te kunnen houden. Natuurlijk kan dat enkel omdat ook de songs errond goed zijn en naast de flow die zo belangrijk is bij techno (en dance in het algemeen) voldoende structuur en melodie hebben. En om de plaat meer dan een verzameling singles te laten vormen, dient er een eenheid in te zitten en die weet Carl Craig als Paperclip People als geen ander te realiseren.
Wie zich afvraagt in welke thuisomstandigheden zo'n techno-album dan  wel kan werken, wil ik suggereren om de plaat op te zetten tijdens huishoudelijke of doe-het-zelfklussen. Die vragen immers niet te opdringerige muziek waar je je toch goed bij voelt en de flow kan je helpen om die vloeienheid ook in je bewegingen te krijgen.

(De hoesafbeelding bovenaan is die van de versie die ik kocht, die gedeeltelijk gemixt werd door Carl Craig waardoor de songs nog meer aan elkaar hangen. Spotify gebruikt de gebruikelijke hoes van het niet-gemixte album

Je kan het volledige album hieronder beluisteren en hier kopen via Discogs


04 januari 2026

Retro review: Elvis Costello & Allen Toussaint


Toen de orkaan Katrina in 2005 grote delen van New Orleans verwoestte, liet de ramp een diep litteken na. Niet alleen de overstromingen zelf en de daardoor veroorzaakte schade maar ook de (te late en inadequate) reactie van de overheid bracht een bittere nasmaak teweeg. New Orleans is een heel bijzondere stad in de VS, met haar Frans-koloniale geschiedenis en haar unieke mix van culturen die wij vooral kennen van Mardi Gras en cajun. 
Bij muzikanten is de stad en haar erfenis bijzonder geliefd, tot ver buiten de grenzen van de Verenigde Staten. Het is dan ook geen wonder dat Elvis Costello zich door de woede die hij voelde alsook het verdriet liet inspireren tot het maken van een album. Het leidde tot een samenwerking tussen hem en zijn eigen Imposters en de uit die stad afkomstige Allen Toussaint, diens hoornsectie en gitarist. En gelukkig voor ons worden niet alleen die woede en dat verdriet verklankt, maar ook de vreugde om het moois dat New Orleans altijd al bood en vooral de liefde voor deze zuidelijke stad.
The river in reverse vormt daarmee een hoogtepunt in het al indrukwekkende oeuvre van de Britse (ooit) "angry young man". En tegelijk wellicht ook in dat van Toussaint, die hier hoorbaar in erg goeie doen is. De titeltrack verwijst expliciet naar de overstromingen en bevat enkele regels die hoewel niet openlijk politiek zijn, toch als speldenprikken bedoeld zijn naar de overheid die het zo schandelijk liet afweten. Muzikaal vormt de tristesse van de blazers een mooi tegengewicht. 
Vier songs schreef het duo samen. Broken promise land spruit uiteraard ook voort uit die boosheid maar klinkt veelzijdiger dan de titelsong. Ascension day wordt gedragen door een jazzy piano en dezelfde piano slaat een heel andere toon aan in International echo. In mijn oren klinken de echo's door van die andere grote muzikant uit New Orleans, Dr. John. Van de vier samen gecomponeerde nummers is voor mij The sharpest thorn met stip de beste: de altijd wat klaaglijk klinkende stem van Costello kan hier rusten op een melodie die haar goed tot zijn recht laat komen. In wezen is het een moderne treurmars die de begrafenis van de stad onder al dat oceaanwater lijkt te begeleiden.
Ook de meer uptempo nummers mogen er zijn. Tears, tears and more tears klinkt tegenstrijdig vrolijk zoals we New Orleans leerken kennen in het eerste seizoen van de tv-reeks Treme: in alle miserie blijven de inwoners het leven vieren. Who's gonnna help brother get further herbergt één van de mooiste trompetsolo's die ik ooit hoorde. En Six-fingered man is nog eenmaal, vlak voor het einde van het album, een parel die de samenwerking van de twee grote artiesten bezegelt.
Het is dan toch waar dat uit lelijke, verschrikkelijke gebeurtenissen iets prachtigs kan voortkomen, zoals deze plaat.

Je kan het volledige album hieronder beluisteren en hier kopen:


26 juli 2024

Retro review: Peter Gabriel


Enkele jaren nadat ik de soundtrack van Peter Gabriel ontdekte, zag ik The last temptation of Christ, een film die heel wat ophef veroorzaakte toen hij in de cinema kwam (vooral in de VS natuurlijk waar christelijke fundamentalisten ook toen al meer en meer het publieke debat binnendrongen). Echt geweldig vond ik die niet en ik moet zelfs bekennen dat ik me daar niet veel meer van herinner. De soundtrack Passion daarentegen staat zowat in mijn ziel gegrift. Het was de eerste release op het Realworld-label dat Gabriel had opgericht om de betere wereldmuziek een platform te geven en tot op heden staat het label voor kwaliteit en kan je er de mooiste ontdekkingen doen. Heel wat artiesten die later ook albums zouden uitbrengen op Realworld, kleuren overigens Passion, dat daardoor zo'n muzikale rijkdom uitstraalt dat je er haast van gaat duizelen. En stel je eens voor hoe dat allemaal in 1989 klonk, toen je enkel Westerse muziek hoorde op de radio en je nog niet avontuurlijk nieuwe muziek kon ontdekken op het internet.
Ik heb vast al eens verteld over een gezin waar ik ging bij babysitten die een heel mooie en toen voor mij totaal onbekende cd-collectie hadden. Ik leerde er Nick Cave kennen en Einstürzende Neubauten en dus ook deze plaat. Ik was echt van mijn sokken geblazen. Dit klinkt niet als filmmuziek zoals we dat gewend waren (en zijn) maar als een wervelende draaikolk in een muzikale wereld die voorheen onbekend was en die duizelde van muzikale taal die ik nog moest leren kennen, zoals je een niet-Westerse taal zou leren.
Armeense muzikanten en instrumenten weerklinken op opener The feeling begins waardoor meteen een oude Middenoosterse sfeer wordt gecreëerd die wel past bij het Palestina van 2000 jaar geleden, althans bij het beeld dat we daarvan hebben. Niet alleen Armeense muziek wordt geïncorporeerd in deze plaat, ook traditionele liedjes uit Kurdistan (in  Lazarus raised), Senegalese muziek (A different drum, waarop Youssou N'Dour meezingt), Braziliaanse percussie en Pakistaanse qawwali van Nusrat Fateh Ali Khan, de grootmeester, (op titelsong Passion) en een traditioneel Egyptisch instrument, de arghul (onder meer op Of these, hope en Wall of breath). We horen instrumenten uit Marokko, Iran, Kurdistan,...
Ondanks die grote muzikale diversiteit en variatie slaagt Peter Gabriel erin om van deze plaat met zoveel verschillende invloeden één geheel te maken die een toen nog voor de meesten ongehoorde sfeer opriep maar toch onmiskenbaar ook Westerse toetsen bevat waardoor je als luisteraar,  ondanks je gebrek aan vertrouwdheid met die andere muzikale talen, toch houvast hebt in het ontdekken van de songs.

Je kan het volledige album hieronder beluisteren:

16 juni 2024

Retro review: Françoise Hardy


Iedereen kent Tous les garçons et les filles, de hit van Françoise Hardy uit 1962. Het is één van de vrolijkste popsongs uit die periode in het Frans en het leverde haar meteen, bij haar debuut, roem op. Enkele dagen geleden, zo'n kleine 62 jaar later, overleed ze op 80-jarige leeftijd. En helaas kennen velen niet meer van haar omvangrijk oeuvre en weten evenmin dat ze behalve een muzikale carrière ook acteer-, literaire en zelfs astrologische carrière had.
Haar overlijden was voor mij de aanleiding om nog eens door haar werk te grasduinen en nadat ze in de jaren zestig al enkele albums in het Frans had uitgebracht, volgde in 1966 een Engelstalige plaat, toepasselijk Françoise Hardy in English getiteld. Had ik voorheen ook al altijd het idee dat Hardy zo een beetje de Franse tegenhanger was van Sandie Shaw (die u kent van Eurosonghit Puppet on a string), dan is die indruk bij deze wat versterkt (al moet ik toegeven dat ik het oeuvre van Shaw ook niet echt meer dan oppervlakkig ken).
Behalve de obligate vertalingen van eigen nummers bevat deze plaat ook covers van Frans- en Engelstalige songs, zoals Say it now (van Bobby Skel) of Only you can do it (van The Vernons Girls). Die passen perfect tussen de overige nummers. Het leverde haar alvast een bescheiden hit op in het Verenigd Koninkrijk met All over the world, een vertaling van het zelf geschreven nummer Dans le monde entier.
Naar dit album luisteren is behalve een nostalgische trip naar een periode waarin ik niet eens geboren was, ook een aangename kennismaking die aantoont dat Hardy allesbehalve een one hit-wonder was en ook zelf prachtige songs wist te schrijven. Dat bleef ze overigens doen tot 2018,  toen haar laatste studioplaat Personne d'autre verscheen.
Laat het bericht van haar overlijden ook u inspireren om door haar rijke discografie te struinen. U zult, net als ik, gecharmeerd, verrast, verblijd, ontroerd en zoveel meer worden. Overigens zong de Franse zangeres ook al eens in het Duits of Italiaans.

Je kan het volledige album hieronder beluisteren:

21 maart 2024

Retro review: Lou Reed


Ik heb, meen ik, een wat ambigue relatie met Lou Reed. Veel van zijn werk bij Velvet Underground hoor ik oprecht graag. Zijn solo-werk leerde ik ooit kennen door het prachtige album New York, waaruit ze Romeo had Juliet en Dirty Blvd. vaak toonden op MTV toen dat nog écht een muziekzender was. Ik luister nog regelmatig naar Songs for Drella, de plaat die hij samen met John Cale maakte als eerbetoon aan Andy Warhol, en ook Magic and loss, het album dat hij maakte nadat verschillende mensen in zijn omgeving gestorven waren, vind ik mooi (maar dat krijgt hier al beduidend minder draaibeurten). Andere platen van hem vind ik maar niks en ik kocht ooit de verzamelbox Between thought and expression: the Lou Reed anthology en die vind ik zo wisselend dat ik echt wel in de stemming moet zijn om die tot mij te nemen.
Mijn keuze om voor deze retro review dan ook eens terug te grijpen naar een andere plaat van de New Yorker is dan wellicht ook verrassend. Aangenaam verrast was ik ook bij beluistering ervan: de acht nummers die het telt, weten me allemaal te bekoren.
Net als bij Bob Dylan en Neil Young geldt dat je zijn stem moet kunnen verdragen of je haakt meteen af. Hij klinkt vaak als een oude brombeer, zij het op een andere manier dan Van Morrisson (met wie het allemaal ongecompliceerder ligt voor mij: ik heb weinig met die man). Coney Island baby is één van zijn vele platen die diepgeworteld zijn in zijn New Yorkse leefomgeving. Coney Island is dan ook een schiereiland dat deel uitmaakt van Brooklyn. Het staat bekend als een plek waar men naartoe gaat voor entertainment en kende op dat vlak zijn hoogtepunt in de eerste helft van de twintigste eeuw. Net daarom is het een locatie die tot de verbeelding spreekt en die ook een donkere kant herbergt, zeker in de jaren zeventig toen deze plaat uitkwam en de buurt niet meteen zijn beste tijden kende. Dat trekt het soort mensen aan waar Lou Reed wel vaker over zingt: mensen aan de rand van de maatschappij, sekswerkers (van beide seksen), drugverslaafden,...
Toch klinkt deze plaat allerminst pessimistisch. Een song als Ooohhh baby klinkt naar Reeds normen zelfs vrolijk. Hij was toen samen met zijn muze, Rachel Humphreys, een transgender vrouw die op zijn tour meeging als kapster en tourmanager in het midden van de jaren zeventig. Coney Island baby wordt beschouwd als zijn meest romantische plaat.
Ik hou wel van de relaxte sfeer van Nobody's business, de mooie opener Crazy feeling en She's my best friend dat al eerder opgenomen was met Velvet Underground en op het compilatie-album van de band, VU, uitkwam. Kicks weet de zaterdagavonddrukte van een uitgaangskwartier te vatten door de geluiden op de achtergrond en de plotse volumewisselingen. De afsluiter, tevens titelsong, is een romantisch nummer zoals ik dat eigenlijk nooit zou verwacht hebben van Reed.
Er zijn Lou Reed-platen die ik liever mijd maar deze Coney Island baby heb ik duidelijk onterecht al te vaak links laten liggen.

Je kan het volledige album hieronder beluisteren:

11 januari 2024

Retro review: The Jimi Hendrix Experience


In een tweedehandsboekenwinkel in Doornik (La Bourse aux Livres) kocht ik het songbook van Axis: Bold as love van The Jimi Hendrix Experience. Ik kan niet echt noten lezen en een instrument bespelen al helemaal niet, maar je weet maar nooit (en enkele vrienden van mij kunnen dat wel)...


Het was voor mij een uitgelezen kans om nog eens goed te luisteren naar dit album uit 1967, dat amper zeven maanden na Are you experienced werd uitgebracht. Op dit album staan geen grote hits als Hey Joe of Purple haze (of latere songs als All along the watchtower, Voodoo child (Slight return) en Crosstown traffic) maar dat maakt deze plaat niet minder interessant. 
Er wordt afgetrapt met een (fictief) radio-interview met Mr. Corusoe dat overgaat in een soort muzikale ruis. Het roept een beetje de sfeer op van science-fiction maar is vooral een geluidsexperiment. De twaalf songs die volgen, laten een breder wordende muzikale interesse van Jimi Hendrix zien, waarin uiteraard traditionele blues(rock) en rhythm and blues een belangrijke plaats krijgen. Spanish castle magic en Little wing zouden doorheen zijn hele carrière gespeeld worden op zijn concerten en het zijn  ontegensprekelijk de hoogtepunten van de langspeler. Spanish castle magic is dan ook gedrenkt in blues maar ook de drumpartijen vallen op omdat ze een mooi tegengewicht vormen voor het formidabele gitaarspel van Jimi. Little wing sleept zich trager voort en doet daarom sterk denken aan het tempo van Hey Joe. Het mist net nog de kracht van die laatstgenoemde song maar het nummer blijft in zijn oeuvre niet zonder reden overeind.
Wait until tomorrow lijkt inspiratie gevormd te hebben voor Glamour boys en Love rears up its ugly head van Living Colour. If 6 was 9 drijft op een ietwat staccato ritme dat de luisteraar toeleidt naar een prachtige gitaarsolo. Verder weet vooral ook Little miss lover te bekoren met echo's van zijn grootste hits.
Dit mag dan niet zijn grootste en bekendste plaat zijn, met Axis: Bold as love bewees Jimi Hendrix al kort na zijn debuut dat hij een bijzondere muzikant was die het experiment en de crossover tussen stijlen niet schuwde.

Beluister hieronder het volledige album:

13 april 2021

Retro review: Crosby, Stills, Nash & Young


Eén jaar voor mijn geboorte zorgden vier op dat moment gevierde muzikanten voor een samenwerking die nog steeds geldt als legendarisch. De Amerikaanse singer-songwriters David Crosby en Stephen Stills hadden al samen met hun Britse collega Graham Nash een titelloze debuut uitgebracht en werd nu ook nog eens vervoegd door Neil Young. Die laatste had ook al net wat albums uitgebracht en had al met Stills samengewerkt in Buffalo Springfield

Déja vu verwierf intussen de status van klassieker en is voor elk van de vier mannen hun grootste succes. De in folk en country gedrenkte muziek wurmt zich ook vandaag nog steeds meteen een weg naar je hart. Hoewel elk van de bandleden zijn eigen delen meestal apart opnam, hoor je toch een verrassend hechte band. 

Tot mijn persoonlijke favorieten horen zeker het niet van humor gespeende Almost cut my hair en het heel erg door Neil Young beheerste Helpless. Dat nummer kende ik al van een verzamelaar van deze artiest. Het is een typische Young-song, waarin de zang langoureus klinkt en de melodie bedrieglijk simpel lijkt. Woodstock ken je uiteraard van de soundtrack van de documentaire over het gelijknamige festival. Het lichtvoetige Our house straalt zoveel optimisme uit dat we dat tegenwoordig terug heel hard kunnen gebruiken. Ook de up-tempo afsluiter Everybody I love you doet het nog steeds goed, al hoor je duidelijk een productie eigen aan de jaren zeventig.

Niet enkel nostalgici mogen af en toe teruggrijpen naar deze plaat. Het is gewoon een terechte klassieker.

Beluister hieronder het volledige album:

05 januari 2021

Retro review: Genesis


In 1986 was ik als middelbare scholier verkocht aan Veronica's Countdown met Adam Curry. Soms slaagde ik er in mijn ouders te overtuigen om me naar Top of the pops te laten kijken op BBC, al was de eerste poging een beetje een misser omdat The Cure er net Caterpillar ten beste gaf en mijn ouders wel heel hard fronsten. Het was vermoedelijk ook op de BBC dat ik voor het eerste de clip zag van Land of confusion van Genesis, waarin de poppen van Spitting image de draak steken met de beroemdheden en wereldleiders van toen. Ook de bandleden zelf ontsnappen er trouwens niet aan. Voor zulke satire hadden we hier kortstondig TV Touché met Herman Van Molle en Jessie De Caluwé, maar dat werd na protest afgevoerd. Bekijk hier alvast de clip van Land of confusion:

Deze song staat op Invisible touch, het dertiende studio-album van Genesis, waar Phil Collins intussen al zo'n tien jaar de scepter zwaaide als frontman (na het vertrek van Peter Gabriel). Zelfs nu, bijna 35 jaar later, klinkt deze plaat nog steeds goed. Uiteraard hoor je dat het een product van de jaren tachtig is, maar songs als Tonight, tonight, tonight (dat bijna 9 minuten duurt) blijven met gemak overeind. Gekend zijn natuurlijk de singles die uit de plaat getrokken werden, zoals bovengenoemd nummer, de titelsong en Throwing it all away. In too deep is een soort ballad die de gemiddelde ballad uit die tijd moeiteloos doet verbleken. Al bij al is dit nummer niet al te cheesy en muzikaal zit het ook wel goed.
Uptempo gaat de band ook wel goed af: de drumpartijen zijn duidelijk hoorbaar en een vitaal onderdeel van Anything she does. The Brazilian begint zelfs als een vrij moderne dancetrack met de Zuidamerikaanse ritmes prominent voorop. Even later brengt de synthesizer een melodielijn in die best de moeite waard is. Dit blijft een instrumental maar wel een opwindende. Het bijna 11 minuten durende Domino weet me dan weer minder te bekoren. Dit lied valt uiteen in twee stukken maar hoewel bassist Mike Rutherford dit één van de beste dingen vindt die Genesis ooit maakte, deel ik zijn mening niet.

Beluister hieronder het volledige album:

11 december 2020

Retro review: The Men They Couldn't Hang


Het was in dezelfde periode waarin ik The Pogues leerde kennen via hun album If I should fall from grace with God, dat ik uit de bib ontleende, dat ik ook Night of a thousand candles ontdekte op gelijkaardige wijze. The Men They Couldn't Hang leek me een geweldige bandnaam en zo leende ik, zoals wel vaker, puur op basis van naam of hoes, iets dat me totaal onbekend was om te ontdekken. Die ontdekkingen vielen uiteraard niet altijd mee, maar deze wel.

The Men They Couldn't Hang, een Brits vijftal dat folk punk maakt en sinds 1996 (vijf jaar nu hun split) terug samen is, zij het niet helemaal in originele bezetting, levert nog steeds regelmatig platen af: in 2018 nog kwam Cock-a-hoop uit, hun veertiende studio-album. 

Reeds op hun debuut uit 1985 wisten ze dus mijn interesse te wekken. De parallellen tussen hun muziek en die van The Pogues zal daar niet vreemd aan geweest zijn. Ironmasters bijvoorbeeld had op elk van de platen waarop Shane MacGowan nog deel uitmaakte van de laatstgenoemde band kunnen staan. En net als die zielsverwanten zoeken ze hun inspiratie niet enkel in de Keltische muzikale traditie maar hoor je af en toe invloeden uit traditionele muziek uit andere contreien, zoals in de intro van Hush little baby (een bekend kinderliedje overigens, dat hier een eigentijdse -toen toch- versie meekrijgt).  

Weliswaar wist en weet de hele plaat me te bekoren maar er zijn toch enkele hoogtepunten uit te lichten die bijzondere aandacht verdienen. The day after weet als opener al meteen de toon te zetten met opwindende folkmelodieën en A night to remember is uitstekend single-materiaal dat een geheide radiohit had kunnen worden. The green fields of France (No man's land) is een prachtige cover van een song waarin een man praat met een gevallen soldaat uit WO I bij wiens graf hij zit.

Je kan dit album hieronder beluisteren. Het is niet meer te kopen en beluisteren via hun Bandcamp-pagina waar je gelukkig wel nog heel wat andere platen van de band kan vinden.

17 september 2020

Retro review: Neu!


1971, het jaar waarin ik geboren werd, was ook het geboortejaar van de band Neu!, het duo Klaus Dinger en (de in 2008 overleden) Michael Rother, die kort tevoren uit Kraftwerk waren gestapt. Wat weinigen toen wisten (en ik als boreling al zeker niet), was dat de drie albums die ze zouden uitbrengen een grote impact zouden hebben. Samen met onder meer Can wordt Neu! vandaag beschouwd als één van de grondleggers van krautrock. Deze in oorsprong typisch Duitse muziekbeweging is geëvolueerd naar, zo je wil, een subgenre binnen post-rock.
Met het titelloze debuutalbum uit 1972 zetten ze meteen een standaard, al wordt Neu '75 vrij algemeen als hun meesterwerk beschouwd. Hoe divers de band wel is, kan je echter ook al op deze eersteling horen. Im glück is helemaal doordrenkt van wat we later zijn gaan kennen als ambient en is zeker een song die Brian Eno moet geïnspireerd hebben. Negativland klinkt dan weer bijzonder opwindend, lijkt wel live gespeeld te worden en wordt gekenmerkt door een bas die bij Joy Division lijkt weggelopen. Opener Hallogallo is zowat wat je hoort in je hoofd als iemand het heeft over post-rock maar Lieber honig is een smachtende, trage song waarin de zang amper begrijpbaar is, de klanken met moeite uitgebracht worden en je een heel vervreemdende ervaring krijgt.
Terecht wordt Neu! nog steeds geroemd als een invloedrijke band wier invloed op de popmuziek reikt van David Bowie tot Radiohead en vast nog een heel stuk verder...

Beluister hieronder het volledige album:

09 augustus 2020

Retro review: Chris Isaac


Mijn lief houdt niet erg van Chris Isaak. Dat kan. We verschillen wel vaker van muzikale mening. Voorbeelden? The Doors, Neil Young, Bob Dylan, The Smiths (en Morrissey solo uiteraard),... Ik weet nu al dat ik die artiesten in het nieuwe huis zal moeten beluisteren in mijn muziekkamer en niet in de living of waar we op dat moment samen zijn. Nu ja, zij kan dan naar Florence + The Machine luisteren waar ik het niet hoor.
Zelf heb ik wel een zwak voor de man. Wicked game was een song die ik als puber in 1989 niet goed begreep maar waar ik wel door geïntrigeerd raakte. En voorheen was er al Blue hotel geweest met die smachtende stem die een belofte inhield die ik niet kon ontcijferen, alsook Lie to me. San Francisco days en Forever blue, zijn volgende albums, leende ik uit in de bib om toen vaak te beluisteren (en net als iedereen, op cassette over te nemen). Uit beide albums sprak een rijkheid die ik eigenlijk niet bewust verwacht had op basis van die drie eerder vernoemde singles.
Forever blue is misschien wel de mooiste plaat die Chris Isaak ooit aan de wereld schonk. Zijn songkeuze bewijst dat hij de kracht en de mogelijkheden (maar anderzijds ook de beperkingen) van zijn stem intussen goed kende en dat maakt alle nummers bijzonder passend voor wat zijn vocalen toch telkens weer uitstralen: een weidsheid van Californische stranden en de oceaan, de vibrato van sterke emoties en een verlangen zo diep verankerd dat het verlangen het object overstijgt en waarde vindt in zichzelf, zoals de reis soms meer bevredigend kan zijn dan het reisdoel.
Soms doet hij aan Roy Orbison denken, zoals in Somebody's crying en Things go wrong. Het is bijna griezelig hoe dicht beider mannen stemmen bij elkaar blijken te liggen wanneer Isaak echt durft uit te halen. Vaak baden de liedjes in een rockabillysfeer (I believe) maar ook country sijpelt door (Goin' nowhere). Shadows in a mirror herbergt een vage echo van House of the rising sun en I believe heeft zo'n aanstekelijk refrein dat het verbazingwekkend is dat het geen (hit)single werd. 

Luister hieronder naar het volledige album:

04 juli 2020

Retro review: Leonard Cohen


Het was 1988. Op een vrijdagavond (elke vrijdag bezochten wij de vrienden van mijn ouders of zij ons) zaten mijn broer en ik voor de tv. Wellicht dronk ik een tomatensap, een drankje dat ik graag dronk en daar altijd voor me klaarstond. Christine, de jeugdvriendin van mijn moeder, ontfermde zich altijd een beetje over ons als een tante. Ingewikkelde motieven die ik hier niet ga uitleggen, lagen aan de grondslag voor haar genegenheid voor ons en voor de kleine verwennerijen die er ons altijd te beurt vielen. Terwijl mijn ouders, Christine en haar man zaten te kaarten, stond doorgaans de tv aan. Zo ook die avond, steevast op BRT en daar verscheen in één of ander showprogramma de mij toen compleet onbekende Leonard Cohen. Hij werd aangekondigd als een grote artiest die net een nieuwe plaat uit had en zijn single kwam presenteren. Hij stond op het podium, bijgestaan door één achtergrondzangeres (als ik het me goed herinner) en begon aan First we take Manhattan. Thuis luisterden we vooral naar Radio 2, mijn moeder was grote fan van Cliff Richard en ook licht klassiek passeerde al eens, dus dit was wel een opmerkelijke song voor mij, als 16-jarige. Dit klonk ook niet als de bands waar mijn schoolkameraden en ik naar luisterden: U2, The Cure, Duran Duran, Simple Minds,...
Ik denk dat ook vooral die lijzige stem zulk een indruk maakte. Ook zijn verschijning was anders. Ik denk dat hij toen misschien al zijn typische hoed droeg. Hoedanook, in één van de weken erna, bij mijn volgend bezoek aan de buurtbibliotheek van Ledeberg, leende ik er I'm your man uit, een LP (want toen leende je gewoon vinylplaten uit) waar ik liedjes hoorde die door diezelfde karakteristieke stem een timbre en een warmte meekregen die intrigeerde.
Het was mijn eerste echte kennismaking met zijn oeuvre. Later leerde ik dat Suzanne van Herman Van Veen eigenlijk van hem was en dat er nog songs waren die regelmatig wel eens langskwamen op de radio die hij ooit had geschreven en ingezongen. Maar I'm your man is tot op heden de plaat die Leonard Cohens artistieke aard voor me openbaarde.
Bij First we take Manhattan, dat de plaat opent, luisterde ik toen al naar de tekst en stelde me voor hoe een man uit de gevangenis kwam en zijn wrok zich richtte tegen iedereen en hij daarom de wereld wou veroveren, strategisch beginnend met Manhattan (waarvan ik wel goed wist dat het het financieel centrum van de wereld was) en daarna Berlijn (toen kon ik het belang van die stad nog niet ten volle vatten). Het is een song waar ik nog steeds van hou en waarvan ik zelfs de cover die R.E.M. ooit maakte voor het tribute-album I'm your fan ook geweldig vind. Ik kan nog steeds de hunkering en het zich onderwerpen bijna lijfelijk voelen bij de titelsong, ik dans in gedachten telkens mee op Take this waltz, een song die een soort Parijs liefdescliché verheerlijkt maar tegelijk zo echt klinkt, en toen zo volwassen klonk voor mijn puberbrein en -hart. En ik hou nog steeds van de eenvoud van I can't forget en dat ene zinnetje "I can't forget / but I don't remember what". Ook hiervan bekoort de coverversie op die tribute (dit keer door The Pixies) me haast evenveel. 
Ook de andere songs op deze plaat zijn te koesteren parels. Everybody knows klinkt muzikaal een beetje dreigend, alsof er iets staat te gebeuren, en toch weet de basstem van Cohen geruststelling te suggereren. Heel erg jaren tachtig klinkt Jazz police, met een drumcomputer zoals je die toen wel vaker hoorde. En dan is er de afsluiter: Tower of song. De traagheid ervan, de contrasterende backing vocals, de spaarzame toetsen op wat klinkt als een licht ontstemde kinderpiano of zo'n orgeltje dat je voor je kinderen kocht als eerste "instrument": alles aan dit bijna langste nummer op de plaat klopt en zuigt je in naar binnen. En nog een laatste keer verwijs ik naar de tribute-plaat, waarop niet alleen Robert Forster (The Go-Betweens) maar ook Nick Cave een eigen versie neerzet. Die laatstgenoemde slaagt er zelfs in om elke strofe in een ander arrangement te brengen waardoor de song een quilt wordt van covers, een indrukwekkend en volgens mij zelfs geniaal staaltje van zijn kunnen.

Beluister hieronder de hele plaat:

07 juni 2020

Retro review: MC 900 Ft. Jesus


Onlangs had ik op Facebook nog een discussie met een vriend over de muziek van Kanye West (die hij effenaf lelijk noemde) en hij haalde als voorbeeld van een echte rapper MC 900 Ft. Jesus aan. Die ken ik (en velen onder u wellicht ook) vooral van die ene geweldige single, The city sleeps. Maar gedreven door het gesprek heb ik de plaat waaruit dat nummer komt (Welcome to my dream), nog eens in zijn geheel beluisterd.
Laat ik het toch eerst even hebben over The city sleeps. Bekijk alleen al de hoes van die single hieronder. De sfeer die opgeroepen wordt door een wat onderbelichte, wazige foto van een hand met een lucifer in een scheef gekadreerde ruimte, met die grote, overweldigende letters van de artiest en in hetzelfde rood als het zichtbare gedeelte op de foto de titel: dat is precies wat je hoort zodra je plaat oplegt (ja, ik heb de vinyl single in mijn platenkast). Waarover hij het heeft, wordt meteen opgeroepen door zowel muziek als vocalen. Je ziet het zo voor je: onder beschutting van het nachtelijk donker zit vol verwachting, spanning en opwinding een man eerst te beramen hoe hij een leegstaand gebouw in vlammen zal laten opgaan en nadien, op dezelfde schuilplaat van waaruit hij goed zicht heeft, zich te vergenoegen in de gloed die het zwart van de nacht niet wegvaagt maar benadrukt, als een brandmerk dat de aandacht vestigt op zichzelf en op de omgevende niet-brandende omgeving. Moeiteloos verplaats je je als luisteraar in de geest van de pyromaan. Je strijkt bijna zelf de lucifer aan. Het is de perfecte symbiose tussen muziek, grafische vormgeving en inhoud en daarom zo'n fantastische single.


De rest van het album haalt dat haast bovenaards niveau natuurlijk niet meer. Toch valt de keuze voor soms soulvolle of jazzy, dan weer funky samples op die het geheel een warme gloed geven. Ozone drijft op zo'n jazzblazer en Dancing barefoot klinkt funkier dan "the funky chicken" dansend op Parliament/Funkadelic. Adventures in failure verheerlijkt de sound van funk door een lick die heel de tijd herhaalt wordt en Dali's handgun had van Isaac Hayes kunnen zijn en zou perfect passen op de soundtrack van blaxploitationfilms. 
De rapt klinken altijd alsof ze vanop afstand opgenomen zijn, als een commentaarstem vanop een andere plek. 
Deze plaat blijft het ontdekken waard maar je zal me toch niet horen beweren dat dit beter is dan Kanye hoor...

Beluister hieronder het volledige album:

05 mei 2020

Retro review: Stars


In de eerste jaren van deze blog (en al ervoor) las ik heel veel muziekblogs, vaak in het Engels, en ontdekte zo heel wat indie muziek waar ik op de radio nog nooit van gehoord had. Zelfs "alternatieve" zenders als Studio Brussel en zelfs het Nederlandse KinkFM draaiden maar de helft van de songs die ik op die blogs ontdekte. De mensen erachter waren vaak niet alleen begeesterd door muziek, maar ook door andere kunstvormen, zoals fotografie, poëzie, schilderkunst,... Ze streefden naar een symbiose van de dingen waarvan ze hielden door verhalen, beelden en muziek samen te brengen en het was, eerlijk gezegd, behalve een heel interessante periode ook best vermoeiend, omdat achter elke blog nog tientallen gelijkaardige, vaak erg goeie blogs in de links zaten. Sommige daarvan leiden naar genres die voor mij onontgonnen gebied waren, andere verruimden mijn kennis door op zoek te gaan naar gelijkaardige bands als die waarvan de auteurs hielden of bands waardoor die beïnvloed waren. Het bleek een eindeloze ketting die leidde van de ene verborgen parel naar de andere.
Eén van de bands die ik op die manier leerde kennen en waarvan het album waarmee ik kennismaakte met hen, is Stars. Hun toen al vierde album, In our bedroom, after the war, is een plaat die ik nog steeds koester, al moet ik toegeven dat het al een hele tijd geleden was dat ik er nog eens naar luisterde.
Het begint alvast fantastisch met een ietwat gezwollen maar nog net genoeg ingehouden The beginning after the end. Het roept, mede door de claps, een gevoel van eighties nostalgie op en is een instrumentale intro die, eindigend met een sample, overgaat in de prachtsingle The night stars here. We horen een band die prachtige vocalen weet te plaatsen tegen de achtergrond van bassen die heel fysiek aanvoelen en een droog drumpatroon. De band durft ook speelser te zijn, zoals in My favourite book, dat erg doet denken aan The Style Council. De afsluitende titeltrack toont hoe het zestal het vakmanschap van songschrijven alle eer aandoet. 

Beluister hieronder het volledige album:

23 april 2020

Retro review: The Levellers


Weet je nog hoe we op fuiven hosten op One way en Liberty song, de grote hits van The Levellers in 1991. En we voelden ons als alle jonge, studerende wereldverbeteraars die we waren, verbonden met de boodschap van deze groep die overal een soort vrolijke anarchie en rebellie brachten. Zelfs de coverillustratie van de plaat Levelling the land verwierp alles wat hip was, ontdeed zich van elke mode en zetten zelf een baken voor wie de hippie-spirit voorbij de Reagan- en Tatcherdagen toch vasthield.
Zelden vonden we de viool zo massaal cool en folk werd hier eindelijk eens afgestoft (en niet al lachend door Bart Peeters en De Radio's met zijn I'm into folk). Opener One way werd een anthem en bij elke nieuwe beluistering, nu zelfs bijna dertig jaar later, switch in ons hoofd het knopje "meezingen!" aan. Datzelfde gebeurt bij elk van de singles op deze plaat (15 years, toen ook al een beetje onderschat, Liberty song en Far from home). Toch hoeven weinig andere songs hier onderdoen voor de vier uitverkorenen die op de hitlijsten werden losgelaten. Zo roept Sell out spontaan Ierse landschappen op in ons brein (nochtans komt de groep uit het typisch Engels kustplaatsje Brighton) en ook The riverflow mengt uptempo folk met een hoge popgevoeligheid. En wie helemaal loos wil gaan, kan dit zeker ook op The devil went down to Georgia. En als uitsmijter is er nog country-deuntje Plastic Jeezus.
De Engelsen blijven maar albums uitbrengen: dit jaar volgt in augustus al het twaalfde studio-album, twee jaar na het vorige. Bejubeld als toen zijn ze allang niet meer, de interesse smolt met elke nieuwe plaat weer wat verder. Dat is niet geheel onterecht, vrees ik, doch ik adviseer af en toe toch nog eens terug te grijpen naar deze plaat die volgend jaar haar dertigste verjaardag mag vieren.

Beluister hieronder het volledige album:

11 maart 2020

Retro review: Foo Fighters


De echt grote en succesvolle groepen zijn het duidelijkste voorbeeld van de stelling dat het geheel meer is dan de som van de afzonderlijke delen. Maar wat als die groep ermee ophoudt, om wat voor reden ook? Hoe ga je dan als muzikant verder, in de wetenschap dat wat je ook uitbrengt, het afgemeten zal worden aan het succes en de kwaliteit van de groep waar je deel van uitmaakte? Sommigen slagen erin om toch een even goed repertorium uit te bouwen met een nieuwe groep of solo (zoals Paul McCartney na The Beatles maar op kleinere schaal ook Arno na TC Matic, Mark Lanegan na Screaming Trees of Chuck Prophet na Green On Red), de meesten komen nooit echt meer in de buurt (Robbie Robertson van The Band, Dave Stewart van Eurythmics, Joe Strummer na The Clash,...). Doe je dat door een geheel nieuwe weg in te slaan en de herinnering aan waar je deel van uitmaakte, zo ver mogelijk weg te houden? Of moet je net je verleden omarmen en de kwaliteiten die je in de groep stak, tenvolle naar voren schuiven, waardoor je nog steeds herkenbaar klinkt maar de vergelijking onontkoombaar wordt?
Na de zelfmoord van Kurt Cobain, het einde van Nirvana, besloot één van de andere leden (Dave Grohl) dat hij verder muziek wou maken en hij richtte Foo Fighters op. Aanvankelijk was het een éénmansproject, maar hij wou geen muziek onder eigen naam uitbrengen om er niet van beschuldigd te kunnen worden te surfen op de aandacht voor die zelfmoord. Het titelloze debuutalbum werd uitgebracht in 1995, een jaar na die zelfmoord, en zou het eerste blijken van een intussen indrukwekkende lijst hitalbums, die Foo Fighters tot één der grootste bands van het moment zouden maken met fans die zich amper bewust zijn van de link met Nirvana.
Om mijn beginvraag te beantwoorden, is dit debuutalbum natuurlijk het beste beginpunt dat  ik me kan wensen. Ik maakte heel bewust de korte carrière van Nirvana mee en kocht dit album (op vinyl) in 1995, gelokt door de eerste single(s). En wat valt te horen op dit album? Dave Grohl laveert tussen een nieuw geluid dat op volgende albums verder zou uitgepuurd worden en dat nu onmiddellijk herkenbaar is als Foo Fighters, én hij grijpt soms terug naar melodieën en de sound die bij Nirvana hoorden (zoals op I'll stick around). Waar Big me een voorbeeld is van het eerste, is Wattershed een overtuigend exemplaar van een Nirvana-achtige song. Vooral in de rustiger nummers slaagt Grohl erin om het verleden te laten vergeten: For all the cows is een verfrissend ander geluid waarop Foo Fighters een eigen stempel zet.
Kunnen wij, stervelingen zonder muzikaal talent en gespeend van roem, iets leren van dit alles? Zegt dit iets over hoe je als individu na een succesvolle professionele samenwerking met anderen, waarbij je naambekendheid en je reputatie het geheel (het bedrijf(je), het team,...) toebehoren, verder moet zonder hen? Dat is een vraag waar ik niet echt het antwoord op weet. Ik werk dan ook in een sector waarin innovaties vrij onopgemerkt voorbijgaan en waar roem en naambekendheid sowieso al even toepasselijke termen zijn als "ontroerend" voor een rugbywedstrijd. Maar ik ben wel benieuwd naar wat mensen die zoiets meemaakten, gedaan hebben. Zouden de medewerkers van Netlog naderhand dezelfde weg uitgegaan zijn of net een ommekeer gemaakt hebben in hun carrière, hetzij een totale ommekeer door buiten de sector te gaan werken, hetzij door binnen IT zich toe te leggen op een heel ander soort toepassing? Wie het antwoord weet, mag het zeker en vast in de commentaren achterlaten, hier op de blog of op de Facebookpagina.

Beluister hieronder het volledige album:

06 februari 2020

Retro review: Gavin Friday And The Man Seezer


We duiken terug in de tijd naar begin jaren negentig, toen ik nog studeerde en in mijn vriendenkring een jongeman zat die nog meer van muziek afwist dan ik. Op een dag, wellicht in de late uren in een café in het Gentse Patershol, raadde hij me een plaat aan. Het is te zeggen: hij noemde ze nog niet maar zei dat hij me een album zou uitlenen waarvoor ik zijn instructies voor het beluisteren strikt moest opvolgen. En die luidden als volgt: je doet het licht uit 's avonds, als het buiten donker is, zodat er enkel wat licht van buiten je kamer binnenvalt. Je legt je op bed klaar om te luisteren en zorgt dat niemand je komt storen. In die volledige visuele en auditieve stilte druk je op de play-knop en je beluistert de plaat in één enkele keer, daarbij je best doend om elk woord te verstaan en in je op te nemen.
Ik volgde de instructies en het effect was dat ik meer dan gewoonlijk de plaat in me binnen liet stromen, met volle aandacht. Ik luisterde naar mijn andere platen immers meestal terwijl ik bezig was en dus minder aandachtig, maar de instructies dwongen mij enkel Gavin Friday's plaat Each man kills the thing he loves toe te laten. En mijn god, wat was dit een prachtplaat!
Ik kende vooraf de Ier niet en had weliswaar al Apologia (dat op deze plaat staat) gehoord in een uitvoering op de eerste 2 meter sessies-compilatie (mooi maar die plaat staat dan ook vol parels). Ik wist niks van zijn verleden bij The Virgin Prunes (een groep waarvan ik later platen zou kopen en uitlenen uit de bib en die me verraste, deels omdat er toch nog een brede kloof gaapt tussen wat zij uitbrachten en het solo-werk van Friday). 
Each man kills the thing he loves is het solodebuut van Gavin Friday en de titel komt uit een gedicht van Oscar Wilde (The ballad of Reading gaol). Behalve The Man Seezer (waarover straks meer) spelen ook Bill Frisell en Marc Ribot mee op deze plaat. Het album kan je horen als een verhaal waarin verschillende stadia van rouw om wat was (een verloren liefde, verloren illusies, een schrikbarende blik op de eigen sterfelijkheid en kwetsbaarheid,...) elkaar afwisselen maar het is toch vooral een verzameling songs waarin Gavin Friday zijn liefde voor Oscar Wilde, Brecht en Weill, cabaret en theatraliteit en drama tentoonspreidt, in songs die gedoseerd de rauwheid van emoties (niet in het minst woede) exploreren. Daarbij doet geen enkele song onder voor de andere en er zitten echt wel parels tussen: behalve het al genoemde Apologia (dat intussen mijn favoriet geworden is) bijvoorbeeld ook covers van Brel (Next!, bij Brel Au suivant! getiteld) en Dylan (Death is not the end). 
Van Gavin Friday ben ik platen blijven kopen en beluisteren en de Ierse zanger hoort tot mijn favoriete artiesten, onder meer door zijn compromisloze houding als het aankomt op het aanklagen van mistoestanden (niet zelden binnen de Kerk, in Ierland nog altijd zeer invloedrijk). Maar één vraag heb ik nooit verder uitgezocht, tot nu:

Wie is The Man Seezer?

In feite heet hij Maurice Roycroft en was hij pianist en cellist toen Gavin Friday hem ontmoette en na het ontbinden van The Virgin Prunes met hem songs begon te schrijven. Later zou hij zich Maurice Seezer laten noemen. Naast de drie albums met Gavin Friday (dit en verder nog Adam 'n Eve en Shag tobacco) is hij vooral bekend om zijn filmmuziek, onder meer voor films van Baz Luhrmann. Ook voor theater schreef hij muziek en hij herwerkte Peter en de wolf van Sergei Prokofiev voor een benefiet-cd voor een goed doel in Dublin. Verder werkte hij ook nog samen met o.a. Maria McKee, Sinéad O'Connor, Bono (voor de soundtrack van In the name of the father) en Black (die je kan kennen van die ene hit, Wonderful life).

Each man kills the thing he loves is een plaat die je ook zonder de instructies die mij toen gegeven werden, op te volgen. Aandachtig luisteren helpt wel om de volle diepte en rijkdom ervan te waarderen. En wees hier alvast zeker van: nooit zakt deze plaat in en elke song is een bijkomende schakering in een verhaal dat je deels zelf kan vormgeven rond de nummers. En de kans is groot dat ook voor jou dit gaat behoren tot de gekoesterde platen in je platenkast...

Beluister hieronder het volledige album:

03 januari 2020

Retro review: Dr. John


Toen Dr. John in 2004 het album N'awlinz dis, dat or d'uddah uitbracht, ging dat helemaal aan mij voorbij. Meer zelfs, het is pas toen ik enkele dagen geleden in één van de obligate jaaroverzichten herinnerd werd aan zijn overlijden op 6 juni vorig jaar, dat ik naar deze plaat teruggreep. Zelfs zijn overlijden was niet echt geregistreerd door mijn brein, in de periode dat ik overspoeld werd door problemen op velerlei domeinen in mijn leven en ik deze blog een tijdlang verontachtzaamde.
Verloren tijd haal je nooit meer terug natuurlijk. Gelukkig kan je wel gemiste platen beluisteren en zo alsnog voor een deel terugkeren naar die verloren tijd, al mis je natuurlijk wel de context van toen.
Dr. John kende ik uiteraard wel al, zijn muziek is zo vastgeklonken aan New Orleans en de muzikale "melting pot" aldaar dat hij voor mij altijd een fascinerende artiest is geweest, helaas ook één die ik veel te weinig beluister en waar ik niet vaak genoeg aan denk als antwoord op de vraag "waar zal ik vandaag eens naar luisteren?".
In het bewuste fragment op tv dat me op weg zette om deze plaat boven te halen (op Spotify), vertelde Leo Blokhuis dat Dr. John in 2004 nog één van zijn beste platen maakte. Om dat te beoordelen, ben ik zoals hierboven aangegeven allerminst de juiste persoon, maar wat ik meteen bij de eerste luisterbeurt hoorde, was dat dit inderdaad een héél, héél goeie plaat is.
Zo vind je op dit album een bijzondere versie van een (bijna afgezaagde) klassieker met de uitvoering die hier gespeeld wordt van When the saints go marching in, een pak trager en ook een pak pakkender dan alle overige versies die ik ooit al hoorde. En luister maar eens naar hoe Iko iko, dat hij al vroeg in zijn carrière tot één van zijn klassiekers promoveerde, doorklinkt in Eh las bas. "The Nitetripper", zoals zijn bijnaam luidt, schurkt aan tegen Robbie Robertson op Marie Laveau, dat eenzelfde avondlijke sfeer uitadement als Robertson's Somewhere down the crazy river. Een luie, jazzy saxofoon vormt de ruggengraat van Dear old southland zoals de piano de boventoon voert in I ate up the apple tree
De hele plaat lang hoor je muziek van het hoogste niveau, gebracht door een artiest die zijn sporen al meer dan verdiend had maar niettemin alles uit de kast haalt om de luisteraar te overtuigen van de schoonheid in elke song, in elke noot, in elk arrangement. Stakalee is zijn versie van de traditional Stagger Lee die je onder meer kan kennen van de Murder ballads waarop Nick Cave dit samen met PJ Harvey brengt. Zelfs wanneer hij zich aan een tango (Shango tango) waagt, drukt hij dermate zijn stempel dat je geboeid blijft luisteren zelfs als je (zoals ik) niet zo verzot bent op dit genre. 
Spijt is een sentiment dat je best zoveel mogelijk vermijdt, dus laat ik het houden bij de blijdschap die ik voel dat ik deze plaat alsnog ontdekt heb. En laat ik meteen maar wat meer van zijn discografie door het huis schallen...

Beluister hieronder het volledige album:

20 december 2019

Retro review: Nitin Sawhney


Eind jaren negentig werkte ik als thuisbegeleider in het Brusselse en in die job werk je samen met heel wat andere diensten en hulpverleners die ook betrokken zijn op de gezinnen die je begeleidt. Met sommige van die occasionele collega's klikt het beter dan met andere en af en toe krijg je de kans ergens in een wachtzaal of voorafgaand aan een overleg wat met elkaar te kletsen over niet-werkgerelateerde onderwerpen, zoals muziek. Dankzij één van hen (Guy van het CAW in Laken, althans daar werkte hij toen) kreeg ik deze mooie luistertip (op basis van het feit dat ik gezegd had dat ik Talvin Singh graag hoorde): Nitin Sawhney.
Ik kocht uiteindelijk (zonder een noot ervan gehoord te hebben, want Spotify bestond toen nog niet) de cd van Beyond skin en bekloeg me dat zeker niet. De mix van Indische muzikale invloeden en jazz drum 'n bass zoals we die ook al kenden van Roni Size ten tijde van Reprazent werkt bijzonder goed en plaatste deze plaat ergens tussen de hiphop in en de toen opkomende (maar nooit echt groot geworden) Aziatische insteek in Britse muziek. Je zou hooguit Panjabi MC een succes kunnen noemen binnen die laatsgenoemde trend. 
Het is overigens vooral de zang die betovert, of het nu Indische zangers zijn of de bevallige Tina Grace in het wondermooie Letting go
Je hoort op deze plaat een jonge muzikant zoeken tussen zijn roots en de muziek van het land waar hij opgroeit en geboren werd. Het levert een interessante kruisbestuiving op die zelfs nu nog tegelijk actueel en relatief tijdloos klinkt.

Beluister hieronder het volledige album:

17 november 2019

Retro review: Wim De Craene


Kleinkunst is een moeilijk genre om te reviewen. Met een imago hardnekkiger dan dat van hair metal is het moeilijk, zeker als je zoals ik niet echt thuis bent in het genre en er niet zo vaak naar luistert, om individuele albums te beoordelen. Voor mijn generatie was kleinkunst immers al altijd besmet met etiketten die nauwelijks af te schudden blijken. In de jaren zeventig, in mijn vroege kinderjaren, werd dit al beschouwd als muziek van softe (ex-)hippies die maar niet loskwamen van het recente verleden en maatschappijkritiek als mantel droegen, zoals hipsters tegenwoordig het nieuwste, onbekende bandje snobistisch claimen. De jaren tachtig brachten ons Thatcherisme en Reagonomics, een hardere realiteit dan waaraan de liefdevolle en introspectieve liedjes een tegengewicht bieden. Pubers uit die tijd classificeerden dit in het beste geval als de oubolllige muziek van hun ouders en -laten we eerlijk zijn- er gebeurde muzikaal genoeg spannends in dit decennium om jonge mensen meer te kunnen boeien. New wave en alles wat daarna neigde hulde een deel van mijn generatie in zwarte kleren en kapsels waar we ons nu, als we onze jeugdfoto's tonen aan onze kinderen, bijna schamen. Al zijn er natuurlijk ook zonen en dochter van de eighties die als ware geuzen hun oude ik omarmen.
Van Wim De Craene kent vrijwel iedereen Tim ("hier laat ik je los, Tim, van hier af moet je gaan") en zelfs mijn kinderen kan dit nummer toch niet onbekend zijn. Hun waardering ervoor is evenredig met het aantal levensjaren dat ze nog maar achter de kiezen hebben, moet ik jammer genoeg bekennen. Zelf kende ik behalve dit lied eigenlijk niets wat terug te vinden is op de plaat, Alles is nog bij het oude. Het was al zijn derde album en volgens mensen die er meer van weten dan ik, ook zijn beste.
De teksten zijn wat je van dit soort muziek uit de jaren zeventig verwacht. Zo is Onze jeugd een kind van zijn tijd, met kritiek op Amerika en ook toen al een nostalgische hang naar vroeger. De Craene kiest zorgvuldig de woorden en zinnen en de taal wordt als middel gebruikt om zowel boodschappen over te brengen als schoonheid te bereiken.
't Leven is schön is een Vlaamse versie van Bei mir bist du schön (The Andrew Sisters maakten dit oude Jiddische liedje bekend). Opvallend is dat de muziek vaak overschaduwd wordt door de teksten, alleen al doordat ze in mijn hoofd in de context "kleinkunst" geplaatst worden en dat maakt het moeilijk die goed te beoordelen, al is dat nu iets wat ik zo vaak in mijn reviews gewoon ben te doen. Sommige liedjes overstijgen het modieuze van toen: Rozerood-oranje blijft ook vandaag nog overeind en lijkt achteraf zijn tijd een decennium vooruit. De gokkers flirt met eenvoudige rock en Drie heren weet ook al de eighties op te roepen. De plaat sluit af met het vrolijke, uptempo Piepoe (Morgen wordt beter) dat de dansbenen aanspreekt.

Beluister hieronder zelf het volledige album: