Posts tonen met het label interview. Alle posts tonen
Posts tonen met het label interview. Alle posts tonen
05 februari 2020
Interview Uncle Wellington
Enkele weken geleden kon je hier lezen hoe Uncle Wellington nog één keer knalde eer ze een punt zetten achter hun carrière. Voor veel van hun fans zal dit wellicht als een verrassing gekomen zijn. Ik trok erop uit en sprak erover met Jonas Bruyneel (JB), maar ook over heel wat meer:
Met twee singles kondigden jullie ook het einde aan van Uncle Wellington, na vijf jaar. Vanwaar deze beslissing?
JB: Eigenlijk zijn we vroeger begonnen metUncle Wellington, aanvankelijk nog als Uncle Wellington's Wives. Vijf jaar daarvan waren in de huidige bezetting. Deze zomer wouden we beginnen aan de opnames van een nieuwe plaat. We merkten dat de nummers een andere richting uitgingen. Aanvankelijk waren we immers gestart als een folkband, daarna werd het meer folkelektronica en deze songs zouden echt voornamelijk elektronica worden. Ook tijdens onze optreden merkten we dat. Toch voelden we dat zowel bij publiek als concertorganisatoren en platenmaatschappij verwachtingen leefden die niet meer overeenkwamen met wie we geworden waren. Bovendien bleek dat we in België nog maar weinig optraden, dat het vooral in Engeland was en alle bandleden hadden ook andere projecten lopen hier. Daarom besloten we samen om Uncle Wellington af te sluiten. Die beslissing viel op tour en we kozen ervoor om nog twee singles op te nemen, samen met verscheidene muzikanten met wie we samenwerkten op tour, in studio's in de plaatsen waar we kwamen. Zo namen we onder meer op in Bath en in Keighley nabij Manchester. Zo'n tien artiesten spelen op beide singles opgeteld mee met de band. We werkten voor het eerst samen met producer Klaas Tomme, maar voor het mixen kozen we voor Filip Tanghe, met wie we al vijf jaar lang samenwerken. Toon Delanote heeft vanaf het begin alle artwork verzorgd, al sinds de Wives, en hem wilden er ook dit keer bij. Op die manier wilden we Uncle Wellington zoals het was en met het beeld dat het publiek van de band heeft, afronden tot een geheel: dít was Uncle Wellington. Als iemand muziek van Uncle Wellington zoekt in de toekomst, komen ze niet uit bij een band die in feite anders is en andere muziek brengt, maar zo blijft dit één geheel dat als dusdanig herinnerd kan worden, zowel door ons als door ons publiek. Dat leek ons eerlijker dan vervellen, waar we ook niet de mogelijkheden toe hadden omdat je dan de promo nodig hebt die die koerswijziging laat verteren. Dat is eigenlijk enkel weggelegd voor groepen waar zowel publiek als platenmaatschappijen voldoende vertrouwen in hebben zodat ze bereid zijn je in die vervelling te volgen.
Je sprak al over het artwork van Toon Delanote. Hij heeft inderdaad het grafisch aspect van de groep sterk bepaald. Wat maakt zijn stijl zo passend voor Uncle Wellington?
JB: Het begon allemaal toen we als Uncle Wellington's Wives gevraagd werden om te spelen op een vernissage van werk van Toon. Toen we dat zagen, waren we zo sterk onder de indruk dat we voor onze eerste plaat hem vroegen voor het artwork. Ik had toen een lang gesprek met hem waarin ik hem onder meer over het verhaal achter de plaat vertelde, over de dood van mijn zus nu twintig jaar geleden, over de mensen in onze omgeving die we op korte tijd verloren
waren, zonder hem de lyrics te laten lezen van de plaat. Toen hij een voorstel maakte voor het artwork, bleek hij geweldig goed te kunnen luisteren en vatte dit echt die plaat. We hielden ook enorm van zijn stijl, met kleuren over elkaar heen. Bij de tweede plaat gingen we op dezelfde manier te werk. Ik had toen vooral geschreven tegen de achtergrond van de ziekte van mijn vader. Opnieuw wist hij dit heel goed te vatten in beeld. Zo ben ik met hem blijven samenwerken, ook binnen mijn opdracht als stadsdichter (Letterzetter) van Kortrijk. Hij kan immers heel goed luisteren en de gevoelsmatige essentie vatten en weergeven in een beeld. Ook bij deze singles, waarvan de beide hoezen samen één tekening vormen, had ik een gesprek met hem. Er zat dit keer voor mij niet echt een verhaal achter de songs, maar ik vertelde wel hoe we tot de beslissing gekomen waren om te stoppen en hoe de singles tot stand waren gekomen. De emotie daarvan heeft hij dan vertaald in dit artwork, dat ook niet eenduidig te begrijpen valt. We hoorden al van mensen die het nogal een luguber beeld vormen, van een mens die daar ligt. Voor mij persoonlijk is het net een beeld dat veel warmte uitstraalt, alsof iemand op een warm tapijt ligt, erg troostrijk. Het toont ook de zachtheid van handen en drukt troost bij het afscheid uit voor mij. Dat het geen één-op-één betekenis heeft, is net wat ons in zijn werk ook zo aanspreekt.
Als je terugblikt, welk gevoel overheerst dan?
JB: Het is zeker één van de leukste dingen die ik al ooit gedaan heb. We hebben keihard gewerkt en, zoals dat nu eenmaal gaat, hebben we ook veel teleurstellingen opgelopen, maar het gevoel is toch vooral positief.
Er is minder uitgekomen dan we verwacht hadden en we hebben minder mensen bereikt dan we gehoopt hadden. Je kan wel zeggen dat je het niet doet voor het succes, maar je wil toch genoeg mensen aanspreken met je muziek en door genoeg mensen gehoord worden. Dat had beter gekund.
Wat zijn de fijnste of markantste herinneringen?
JB: Vooral aan de tournees hebben we fijne herinneringen, aan hoe we met de mobilhome rondtrokken. Driemaal hebben we op die manier getourd. Het fijne is ook dat we met deze groep altijd op één lijn gezeten hebben, niet alleen wat betreft het muzikale maar ook qua gevoel. Ook toen we besloten te stoppen, had iedereen zowat hetzelfde gevoel op hetzelfde ogenblik. Er is niemand die niet dat gevoel deelde dat in deze vorm we uitverteld zijn. Wel willen (en zullen) we nog samenwerken, wellicht ook met ons vijven, maar het zal niet in deze vorm en onder deze naam zijn.
Hoe zie je dat dan precies?
JB: Ik denk dat het zo een beetje kan zoals bij Mauro Pawlowski. Die doet heel uiteenlopende dingen en soms met dezelfde mensen, maar elke nieuwe verschijningsvorm waarin hij muziek maakt, elke nieuwe gedaante en elke echt nieuwe muzikale weg die hij inslaat, krijgt een andere naam zodat mensen weten wat ze wel en niet mogen verwachten. Wij zien onszelf al langer als een soort gemeenschap van muzikanten die ook heel wat andere dingen, in verschillende combinaties, samen maken. En deze vorm, die we kunnen samenvatten als “Uncle Wellington”, die is uitverteld.
Kan je voor jezelf een absoluut hoogtepunt noemen van die jaren samen?
JB: De tweede show die we speelden in The Exchange in Keighley, nabij Manchester, is voor mij toch wel het beste moment. We hadden daar al eens eerder gespeeld, maar toen waren we daar totaal onbekend en niemand, ook van de zaal, wist wat te verwachten. Het optreden was heel goed en iedereen was daarna zeer blij en vol lof. Toen we er een tweede keer optraden, wisten ze natuurlijk wel al wat ze zouden krijgen. We werden heel enthousiast ontvangen, het was bovendien de verjaardag van Frie en onze mobilhome stond gewoon voor de deur geparkeerd. De afterparty met de eigenaar van de club duurde tot in de vroege uurtjes, we werden samen zo dronken. De man was zelfs zo dronken dat hij het nummer van zijn eigen alarm van de club vergeten was en dat ging daar 's morgens heel vroeg af voor de hele buurt. Ook de shows met Vive La Fête in Nederland en natuurlijk de opening van de tentoonstelling bij de presentatie van onze plaat horen tot de beste herinneringen.
Jullie waren ook altijd artistiek met andere dingen bezig. Dat bepaalde in grote mate mee hoe jullie klonken en hoe jullie zich presenteerden. Waren jullie zich daar zelf sterk van bewust?
JB: Jazeker en het was tegelijk onze sterkte maar ook onze zwakte. De sterkte ervan lag in het feit dat je een bepaald soort publiek aanspreekt, niet enkel op basis van de muziek, maar ook met de video's en het artwork en de tentoonstelling en de teksten. Tegelijk beperkte het ons ook in hoe groot dat publiek zou worden dat we konden aanspreken want voor veel mensen was Uncle Wellington te complex, moeilijk te vatten. Velen willen gewoon een band zien die muziek maakt, horen wat die doen en zien wie het zijn. Het voelde soms alsof we te elitair waren en te weinig nog gewoon een “band” waren. Zo kwamen we zelf weinig in beeld: je ziet ons niet in de clips, onze albumvoorstelling was een tentoonstelling van grafisch werk van iemand anders,...
Wie waren jullie belangrijkste invloeden?
JB: Voor mij als songwriter waren de grote voorbeelden toch vooral Tom Waits, Lou Reed, Nick Cave en niet in het minst Scott Walker, die veel rare maar bijzonder interessante muziek schreef. Daarnaast hadden we een soul- en jazz-zangeres die naar zulke artiesten in het geheel nooit luisterde en een hiphopdrummer. Sven luistert vooral naar echte, pure goed geschreven popmuziek en Esther houdt dan weer vooral van meer experimentele muziek. Eigenlijk zijn er in Uncle Wellington geen twee muzikanten die naar dezelfde
muziek luisteren. Dat maakt dat er nooit “één” invloed was voor de band, maar iedereen hanteert de stijl die past bij de muziek waar hij of zij zelf graag naar luistert. En op een of andere manier paste dat allemaal bij elkaar.
Heeft dat samenbrengen van die verschillende stijlen invloed gehad op de evolutie die Uncle Wellington doormaakte?
JB: Vooral vanuit onze live-optredens groeide toch dat we evolueerden van een band die samenzang tot haar sterkte wou maken naar een groep met de stem van Frie duidelijk op de voorgrond. Wanneer je iemand hebt die zo goed en warm kan zingen, mag je dat niet afzwakken door de zang van anderen errondheen en moet je dat zeker in de refreinen naar voren trekken, niet dan wegstoppen in de harmonie van ons alle vijf samen. Frie kon voordien nooit echt uithalen en tonen wat ze in haar mars had en daar zijn we toch enorm in gegroeid. Zo vreemd was dat overigens niet als je bedenkt dat de eerste EP eigenlijk gewoon gemaakt is in de huiskamer met eigen opname-apparatuur en vanuit ideeën die we hadden, waaronder dat samenzang altijd mooi is. Er was tussen wat we toen deden en wat we live brachten, op dat moment geen verbinding. Naarmate we langer bestonden, werden we ons echter meer bewust van onze sterktes, waaronder dus die fantastische stem van Frie die je niet moet kooien, en dat is wat je vooral qua evolutie hoort.
Hoe gaat het nu verder, voor jou, voor de andere bandleden?
JB: Iedereen is druk bezig met vanalles. Frie en Renaud spelen samen in de hiphopband Shore Shot en brengen in mei een plaat uit. Esther toert momenteel met Jan Verstraeten en met Noémie Wolfs. Zelf maak ik samen met Frie deel uit van de live-band van Vincent Coomans en hij brengt nog dit voorjaar een EP uit, waarvan ik de productie doe en die hier opgenomen is bij mij. Samen met Esther speel ik ook in WolfeWolfe, nederlandstalige triphop met een klarinet en met poëzie van mezelf. Esther speelt dan weer samen met Sven in Galine. Bovendien doet iedereen ook nog een hoop tijdelijke dingen.
En misschien doen jullie dus ooit nog eens iets samen met jullie vijven?
JB: Dat is zeker mogelijk in de toekomst, al zal het verschillen van wat we met Uncle Wellington hebben gedaan. Dat werd bepaald door de geschiedenis daarvan, door de toevalligheden die ontstaan in het samenwerken met die gezamenlijke geschiedenis en ieders eigen geschiedenis. Zo vertrokken we bij Uncle Wellington altijd vanuit wat ik schreef en op die basis bracht iedereen zijn eigen ding in. In een toekomstig project zullen we een andere geschiedenis hebben, zullen we wellicht van een ander vertrekpunt starten en dat zal de toevalligheden die die band maken, beïnvloeden. Want het kan nooit twee keer helemaal hetzelfde zijn.
Bedankt voor dit gesprek
07 maart 2016
Interview ID!OTS
In een Gents café naast de nachtwinkel waar het interview oorspronkelijk zou doorgaan, hadden we een gesprek met Luc Dufourmont en Wouter Spaens van ID!OTS. De band bracht immers op schrikkeldag 29 februari een tweede album uit, eenvoudigweg ll getiteld. Onlangs haalden ze nog het nieuws toen ze een try-out voor de bijhorende tournee hielden voor 100 vluchtelingen.
Jullie speelden een try-out voor 100 vluchtelingen en oorspronkelijk zou het interview vanavond plaatsvinden in een nachtwinkel. Welke boodschap willen jullie daarmee uitdragen?
Het idee voor het optreden kwam van Patrick Smagghe van de 4AD in Diksmuide. We hadden twee dagen geboekt daar om te repeteren, de visuals uit te proberen,… Hij stelde voor dat we ook zouden spelen voor een testpubliek van vluchtelingen. Het leek ons een enorme uitdaging.
Luc: mijn dochter heeft een relatie met een Afghaan en ik weet dat rockmuziek voor hen allerminst evident is. Ik was dus erg benieuwd maar ook wel wat bezorgd of het wel zou aanslaan, hoe ze zouden reageren. Het bleek echter een heel goeie ervaring. Er waren vrouwen, kinderen, mensen van alle leeftijden en vanaf het begin maakte ze ambiance. Zoiets hebben we nog nooit meegemaakt met een publiek van hier. We werden voorgesteld door tolken (in het Pashtun en in het Arabisch) maar uiteindelijk bleken mijn beperkt Engels en de muziek voldoende om een band met hen te smeden.
Het was ook heel sterk emotioneel geladen. Als je zo die bruine oogjes van een jongentje ziet blinken van verwondering bij onze lichtshow en het optreden, dat bezorgt je toch een andere gedrevenheid. Het pakte echt op mijn strot. Dit overstijgt alles.
De teksten van Dick waren niet geschreven met de specifieke problematiek in gedachten maar achteraf blijken ze wel heel toepasselijk. Neem nu Never look backk. Dat is een schippersliedje over wegvaren en niet meer kunnen terugkeren, maar het gaat ook over nooit opgeven en er altijd voor blijven gaan.
Vinden jullie het niet jammer dat de boodschap die in de songs zit, wat verloren dreigt te gaan? Het soort muziek dat jullie maken, moedigt immers slechts weinigen aan om goed te luisteren naar de teksten.
Wouter: Een deel van de teksten maak ik en zijn eigenlijk vooral klanken. Dick, die de andere songteksten schrijft, maakt er op een andere manier werk van om echt iets te zeggen in de nummers.
Luc: Neem nu Crossing border. Ik werkte aan de grens in Rekkem bij een bedrijf waarvan mijn baas failliet is gegaan. Dick slaagt er dan in een namiddag in om alle frustraties die ik daarrond vind, op een namiddag in drie strofes neer te schrijven. Hij kent mij natuurlijk al dertig jaar. Toch vind ik het knap.
Wouter: Ik vind het zelf niet zo erg dat mijn teksten niet zo goed beluisterd zouden worden, voor mij is het muzikale het belangrijkste.
Luc: Eerst, vind ik, moet de muziek binnenkomen bij de luisteraar. En omdat ik geloof dat vroeg of laat ook de tekst wel opgepikt worden, is het voor mij niet frustrerend dat dat niet meteen gebeurt. Het komt er toch wel van.
Wouter: Luc is trouwens geniaal in het live aanpassen van de tekst.
Niet alleen het optreden voor vluchtelingen, ook de rol die Luc speelde in Bevergem lijkt jullie extra publiciteit op te leveren. Heeft die rol ook nog op andere manieren invloed op ID!OTS of deze plaat?
Luc: Dat staat er voor mij helemaal los van. Het heeft niets met elkaar te maken. Het is soms te makkelijk om in de media een verband te leggen of te suggereren. Bij de eerste plaat las ik overal dat Ugly Papas (een eerdere band van Luc en Dick, sv) een nieuw hoofdstuk afleverden en nu is het al Bevergem wat de klok slaat. Dat verdwijnt ook wel weer.
Wouter: Ik weet dat het voor Luc los van elkaar staat. Toch kan je het niet helemaal loskoppelen van elkaar. Beide feiten zijn er nu eenmaal.
Luc: Tja, als Mariette van de buren de plaat koopt omdat ik in Bevergem heb gespeeld, ga ik daar toch niet rouwig om zijn, hoor. Hoe meer mensen onze muziek horen, hoe liever.
Wat zijn voor jullie de belangrijkste verschillen tussen het debuut en ll?
Wouter: De eerste plaat was vooral een live-album. We speelden de songs die we al een jaar lang live speelden. Nu hadden we heel wat songs die ook voor ons vrij nieuw waren. We wilden eerst een twintig à dertig liedjes hebben waaruit we dan zouden selecteren. Ook kozen we voor een producer (PieterJan Maertens) die alles durfde zeggen. Hij heeft heel wat veranderd aan de plaat. Het belangrijkste verschil voor mij is dan ook dat we dit keer veel meer gewérkt en geschaafd hebben aan de songs.
Luc: Voor ons debuut kan je stellen dat we ons ei gelegd hebben en er dan een plaat van gemaakt hebben, nu hebben we een plaat gemaakt en moeten we ons ei er nog van leggen. Ik bedoel dat de songs nog live moeten gespeeld worden en gekneed.
Wouter: We waren een pak strenger voor dit album. Alles is veel meer overdacht. Daardoor klinkt ze breder, luchtiger ook en tegelijk ook harder. Eigenlijk klinkt ze op elk moment zoals ze moet klinken op dat moment, snap je? Daarna hebben we Jo Francken gevraagd de eindmix te doen, wat de plaat ook nog beter maakte en voor de mastering hebben we ze opgestuurd naar Howie Weinberg Mastering Studio en ook zij hebben er voor gezorgd dat ze steeds beter werd.
Dat ze kort is, vonden we ook belangrijk. We gaan zelf graag naar optredens, maar na drie kwartier vinden we meestal dat er mag afgerond worden. Vroeger waren platen vaak ook niet langer dan een half uur.
Luc: Toen ik jong was, lette ik er soms op om voor mijn geld zoveel mogelijk minuten muziek te hebben. Nu heb ik het niet meer zo voor artiesten die per se lange platen willen maken.
Als luisteraar hoor je ook altijd parallellen met andere artiesten. Zo klinkt voor ons Backk wat als Jon Spencer, Pakistan doet nogal denken aan The Rolling Stones en in Bricks to dust klinkt Luc als Nick Cave. Welke gelijkenissen kregen jullie over je muziek al te horen die jullie verbaasden, waar jullie het oneens mee waren,…?
Luc: Hm, die Nick Cave, dat hoor ik zelf niet zo. Het nummer lijkt me eerder op iets van Suicide, door die baslijn van Dick.
Maar je hebt het dus gehoord, de Rolling Stones in Pakistan. Ik zal je eens iets vertellen. Oorspronkelijk zong ik “New York City” zoals Mick Jagger dat zou doen, maar de producer wou het -terecht overigens- er uit omdat het té was. Ik ben erg blij dat je het toch nog hoort.
Wouter: Jon Spencer vind ik wel een heel mooi compliment. Het is een geweldige artiest. Verder heb ik nog nooit vergelijkingen gehoord die me verbaasden, eigenlijk.
Luc: In feite hebben we in ID!OTS invloeden van 2 generaties verwerkt. We leren ontzettend veel muziek van elkaar kennen.
Voor deze plaat hebben jullie ook samengewerkt met Roland. Hoe ging dat?
Luc: Roland zijn we 20 jaar te laat tegengekomen. Wat een energie heeft die man.
Wouter: We hebben hem een eerste keer ontmoet op een festival in Tielt. Daarna kwamen we elkaar nog een paar keer tegen en toen ontstond het idee of we hem niet zouden vragen iets samen met ons te doen. Hij bleek immers een fan van Id!ots te zijn.
Luc: Urang Utang boogie was eigenlijk voor de eerste plaat bedoeld, maar heeft die niet gehaald. Toen vroegen we Roland om er iets Zappa-achtigs mee te doen. Toen hij uiteindelijk kwam meespelen, hebben we eerst drie kwartier wat aan het zwalpen geweest, we hadden ook niet echt voorbereid en toen ineens ging het heel goed.
Wouter: Het heeft lang geduurd eer we zeker wisten of Roland zou kunnen meespelen. We hadden de rest van de song al ingeblikt en we wisten toen nog niet met zekerheid dat hij het wel zou halen. We waren erg blij toen hij eindelijk toch kon komen en we zijn deel konden opnemen.
We zijn trouwens zelf ook heel erg fan van hem.
Het klinkt haast als een droom die uitgekomen is. Met wie zouden jullie, als àlles mogelijk zou zijn, nog wel eens willen samenwerken?
Wouter: Het was niet echt een droom op voorhand, maar achteraf gezien natuurlijk wel.
Nu, ik heb veel muzikale helden, maar eigenlijk is er niemand waarvan ik denk dat ik daar echt eens mee wil samenwerken.
Luc: Bij mij wel, hoor. Met Rick Rubin zou ik wel héél graag een plaat maken.
Jullie hebben in de groep al heel wat ervaring samen. Maakt dat jullie andere keuzes maken dan beginnende groepen? Welke fouten maken jullie nu bijvoorbeeld niet meer die je voorheen met andere groepen wel nog maakte?
Luc: Ik merk vooral dat onze verschillende invloeden zorgen dat we veel van elkaar leren.
Wouter: Door onze leeftijd kunnen we sowieso niet meer dezelfde keuzes maken die ik andere écht beginnende artiesten, jonge gastjes nog, zie maken. We bekijken alles gewoon nuchter.
Dat maakt wel dat we echt zijn. We hoeven geen imago op te bouwen, we hoeven niet te doen wat “goed” is voor onze carrière. We zijn écht. We zijn wie we zijn.
Je kan dit interview ook hier lezen op Indiestyle. Lees hier de recensie van het album ll.
24 februari 2014
Interview Tim Beuckels (Unday records)
Vandaag brengt het Gentse Unday Records een labelcompilatie uit, Music for undays. Dat was voor ons de perfecte aanleiding om labelbaas Tim Beuckels te spreken.
“De bedoeling,” zo vertelde hij, “was om voor deze verzamelaar onze mensen echt aan het werk te zetten en nieuwe muziek te laten maken. We willen immers een visitekaartje afleveren van een volwassen wordend label. Dertien artiesten, waaronder de tien die al bij ons zaten, hebben we gevraagd. Allen hebben ze een bijdrage geleverd.”
Hij legt uit dat de opdracht die de muzikanten meekregen erg ruim bleef: maak een nummer tegen die datum. Zowel Kristof Deneijs (van Yuko) als Ian Clement hebben een homestudio waarvan jullie gebruik mogen maken. Zo is uiteindelijk ook bijna iedereen in één van die twee studio’s terechtgekomen. Tim legt uit dat daardoor een erg ongedwongen sfeer ontstond, waarin kruisbestuivingen mogelijk werden en artiesten spontaan gingen samenwerken. Zo heeft Hydrogen Sea samen met Imaginary Family iets nieuws gecreëerd.
“Slechts twee artiesten hadden zulk een drukke agenda dat ze er niet meer in slaagden een echt nieuw nummer te leveren. Dans Dans leverde ons wel een mooie live-opname van de cover van Nick Drake die ze speelden in Gent.”
Tim Beuckels gaf ons wat toelichting bij elk nummer:
The Idealist – Yuko: dit is hun eerste nummer in twee jaar tijd en moet de voorloper worden van het nakende album, dat ze net in de nieuwe bezetting hebben opgenomen.
Toledo – Trixie Whitley: hier horen we de demoversie van een lied dat misschien op de volgende plaat zal terechtkomen.
Highway Kind – Flying Horseman: Bert Dockx brengt solo een cover van éénvan mijn lievelingssongs van Townes Van Zandt.
The Riddle – Imaginary Family: Joanna Isselé, de dame achter Imaginary Family, lijkt misschien niet erg productief, ze neemt de tijd om rustig aan haar materiaal te werken. Dit is alvast wat ze speciaal voor deze compilatie opnam.
Under My Skin – Spidergoats featuring Ian Clement: Spidergoats is de nieuwe groep rond Pieter-Paul De Vos van Raketkanon en Kapitan Korsakov. Ian Clement, in wiens studio dit lied werd opgenomen, droeg er aan ook aan bij.
Innuendo – Ian Clement: Ian zelf schreef ook iets nieuws. Het heeft een erg swampy jaren 70-groove, waar ik wel van hou.
River Man – Dans Dans: dit is opgenomen tijdens een optreden op DOK in Gent. In stillere momenten hoorde je op het podium de dj die even verderop draaide. Hij had net La cucaracha op de draaitafel liggen, vandaar de intro.
Plain Gold Ring – Blackie & The Oohoos: een zeer geslaagde cover van Nina Simone. Dit was de eerste song die af was, de eerste opname ook in Kristofs nieuwe studio. Heel indrukwekkend vond ik het.
Hush – Woolf: dit is een jonge band die nog niet eerder muziek uitbracht. Ik vind ze wat pastoraal folky klinken, het doet me wat aan Fleet Foxes denken.
Mess – I Will, I Swear: voorheen was dit een duo dat een soort slaapkamermuziek in elkaar knutselde, maar stilaan zijn ze uitgebreid tot een echte band met strijkers en dergelijke. In die bezetting maakten ze dit als eerste lied, en ze werken aan een debuut-ep.
Valium – Yellow Straps: de gemiddelde leeftijd van deze groep ligt ergens rond de 20 jaar denk ik. Ze komen uit Braine-l’Alleud en hadden nog geen officiële releases op hun naam staan. Hun indie-electronica is iets helemaal anders dan de bands die momenteel bij Unday zitten, en daarom net heb ik hen ook gevraagd. Ze speelden een sessieversie van een nummer dat ze wel al op YouTube gezet hadden. Super-take.
All That Keeps Us – Hydrogen Sea featuring Imaginary Family: Hydrogen Sea wilde al langer iets samen doen met Joanna Isselé en voor deze verzamelaar namen ze in één dag deze minimalistische song op.
Underland – Maya’s Moving Castle: Maya heeft naar aanleiding van onze vraag een onafgewerkt idee opnieuw onder handen genomen en uitgewerkt tot dit nummer.
Zelf vindt de man achter Unday alvast dat zijn grootste schrik, dat het een onsamenhangend geheel zou worden, gelukkig niet uitgekomen is en dat je doorheen de compilatie een consistent beeld krijgt van het label. Over de cover art vertelt hij: “Het is een foto die genomen werd door Timothy O’Sullivan ergens rond 1875, uit een hele reeks die opdook en die Bert Dockx ooit eens had laten zien. Dit beeld heet The white house of Arizona en ik vind dat je er telkens nieuwe dingen in ontdekt. Bovendien past het qua sfeer zowel bij de muziek op de verzamelaar, als binnen de esthetische lijn die we willen aanhouden voor onze releases.”
Tim, die al een zestal jaar bij N.E.W.S. werkte, richtte het eigen label Unday op, waarvoor N.E.W.S de logistieke ondersteuning, promotie en distributie opneemt. Hij is daar nu bijna fulltime mee bezig. We vroegen hem wanneer een artiest in aanmerking komt voor Unday. “Eigenlijk bepalen we dat vrij intuïtief. Het moet naar ons aanvoelen supergoed zijn, iets bijzonders, de artiest moet “een” potentieel hebben. Het genre doet er dan niet zozeer toe, zolang de uitvoerder het in zich heeft om uit de band te springen. Bij wijze van spreken moet elke release in aanmerking komen voor de eindejaarslijstjes. Daarom kunnen we per jaar ook maar vier à vijf albums uitbrengen. Het vraagt immers een heel specifieke, één-op-één-aanpak van de artiesten om goed met hun plaat aan de slag te gaan.”
Het scouten van nieuwe acts neemt ook een aanzienlijk deel van zijn tijd in beslag. “Sowieso komen er constant spontaan demo’s bij ons terecht, maar het meeste ontdekken we via via, mensen die iemand vernoemen, waarna die naam nog enkele keren valt. Ik ga veel naar concerten en scouten is vooral een kwestie van je sensoren open te houden.”
Op onze vraag welke ambitie hij koestert, antwoordt Tim: “We willen een kwaliteitslabel worden, waarbij de naam alleen al voor de luisteraar een garantie wordt dat hij iets bijzonders te horen zal krijgen. De grootste uitdaging is nu ook om internationaal iets te betekenen. Er zitten best wel wat artiesten bij ons die ook elders kunnen opvallen. Dat verhaal brengen is echter allesbehalve evident, en al zeker niet in het Verenigd Koninkrijk. Toch geloven we dat het mogelijk is, het kost alleen veel moeite.”
Music for Undays wordt op 24 februari digitaal, op cd en op vinyl uitgebracht en wordt verdeeld door N.E.W.S.
Je kan dit interview ook hier lezen op Indiestyle.
Labels:
2014,
aankondiging,
aanrader,
Gent,
indiestyle,
interview,
muziek,
nieuwe release
28 december 2013
Interview Velojet
Half december sprak ik naar aanleiding van hun optreden op het Glimps festival in Gent met de vier leden van het Oostenrijkse Velojet. Het kwartet uit Wenen bracht dit jaar een vierde album uit: Panorama. Daarop injecteren ze hun popsongs met psychedelische geluiden uit de jaren 70.
Waren jullie al eerder in België?
Velojet: Het is onze eerste keer. Gisteren speelden we in Eupen, vandaag in Gent. Enkele jaren geleden speelden we ook eens in het Nederlandse Groningen, op Eurosonic. Het is wel leuk om op een showcasefestival te spelen, en Gent is echt een leuke stad.
Hoe zouden jullie herinnerd willen worden door het Belgische publiek?
Velojet: We willen vooral dat mensen ons beschouwen als een geweldige liveband. Op het podium zijn we erg energiek. Waar we bij de albums meer aandacht besteden aan de sound, zijn onze optredens vooral krachtig en meer op rock gericht. We zien onszelf ook vooral als een live-act. We traden al erg veel op in Oostenrijk, Duitsland en Zwitserland. Hopelijk krijgen we hierna meer kansen om in België te spelen.
Op onze vier albums brengen we muziek die uit de sixties, de seventies en de eighties put. Eigenlijk streven we tijdloze muziek na. Het verschil tussen de platen zit dan ook vooral in de sound. Op dat vlak zijn we nog steeds in volle evolutie.
Voor ons gaat het ook echt om het maken van de muziek en de evolutie daarin, en nog het meest om het toeren. Dat is immers erg plezant: je ontmoet nieuwe mensen en ziet interessante plekken.
Wie zijn jullie belangrijkste invloeden?
Velojet: Enerzijds zijn dat erg organisch klinkende bands als CSNY, Neil Young zelf, heel wat country- en psychedelica-artiesten, en anderzijds hebben ook erg synthesizergeoriënteerde artiesten als Jean-Michel Jarre en Wendy Carlos een grote invloed. Dat alles mengen we in onze muziek.
We hebben Panorama opgenomen op een Fins eiland. Drie weken lang daar verblijven, voegde aan onze muziek een gevoel van vrijheid en mysterie toe. De teksten zijn dan weer ontstaan in Wenen in de winter, een erg koude plaats, niet in het minst omwille van de aard van de mensen daar in dat seizoen.
Het nummer dat het meest meteen weet aan te slaan, is Thecurseofbeingtotallylost. Hoe voelt deze song aan voor jullie?
Velojet: We waren opnieuw in Wenen en de plaat leek af. Toch namen we dit nog op terug thuis. Het bleek noodzakelijk om balans te brengen. Het ontstond immers in het gevoel van terug met beide voeten op de grond te belanden na die drie weken in Finland. Daarna voelde het erg alleen in huis.
Dit nummer ontstond vrijwel onmiddellijk. Het gebeurt zelden dat je binnen tien minuten een liedje inclusief lyrics klaar hebt en bij ons lijkt dat telkens te gebeuren nadat we het gevoel hebben klaar te zijn met een album.
Hoe verloopt het songschrijven dan meestal? Of is dat, zoals vele artiesten in Song man van de Britse journalist Will Hodgkinson beweren, eigenlijk niet uit te leggen?
Velojet: Hmm, dat is inderdaad niet zo makkelijk. Rene is degene bij ons die alle liedjes schrijft. De andere bandleden brengen dan arrangementen aan.
Rene: Het schrijven is altijd zo’n 10 % van een afgewerkte song. Soms komt er een melodie of een geluid in me op. Dat schrijf ik dan op. Dat gebeurt zelden op tournee overigens, al is The sea is the ocean is the sea wel op een vliegtuig ontstaan en snel neergeschreven op de achterkant van een boek.
Neil Young beschrijft in zijn biografie dat hij intussen weet tot wanneer hij moet wachten om zijn gitaar te nemen. Voor dat moment er is waarop het mogelijk wordt de song te laten ontstaan, gebeurt er immers niets. Dat is wat ik ook wil leren: weten wanneer het moment daar is.
Weggaan van je vertrouwde plek maakt wel dat je meer open gaat staan voor nieuwe ideeën. In Wenen is er een vrij kleine indiescene en na een tijd ken je elkaars trucs door en door en zo is een nieuwe aanpak erg moeilijk. Daarom helpt toeren om een betere muzikant te worden. Na een tournee voelt muziek ook altijd echter aan, voel je beter de emotionele diepgang. Dat gevoel moet je echt vasthouden om muziek te maken.
Optreden is voor jullie het belangrijkste aspect van in een band zitten, heb ik begrepen. Hoe kijken jullie daarnaar?
Velojet: In de biografie van Neil Young lazen we dat 3 dingen belangrijk zijn voor een goed optreden. Ten eerste moet het geluid goed zitten, ook óp het podium. Ten tweede moet het publiek goed zijn. Dat betekent ook dat er genoeg publiek moet zijn. Als er te weinig mensen in de zaal zijn, is het bijna niet mogelijk om een connectie te krijgen en hebben de toeschouwers te weinig een gevoel dat er iets aan het gebeuren is waar zij deel van uitmaken. Tot slot moet je ook de muziek fris houden, zodat je de songs kan voelen. Daarom ook treedt hij pas op als hij nieuwe nummers heeft.
Wat was voor elk van jullie het allereerste album dat je zelf kocht, en merk je daar nog invloed van in de manier waarop je vandaag muziek maakt?
Michael (drums): Oh nee, mijn eerste plaat was van Roxette, en ik hoop echt dat je daar niks meer van kunt horen.
Rene (zang en gitaar): Ja, al draait het bij Roxette, in tegenstelling tot veel van de eurodance-rommel uit die tijd, toch om het popgevoel: “iedereen houdt van iedereen”. We hebben sowieso alle vier als kind naar The Beatles geluisterd en eigenlijk heb je aan hen al voldoende.
Lisi (synthesizers en zang): Mijn allereerste aankoop was de maxi-single ‘Loser’ van Beck. Verder waren er drie nummers waar ik in die tijd heel veel naar luisterde op cassette: Madonna (Erotica), Michael Jackson (Dangerous) en Céline Dion. Bij die laatste was er een moment waarop ze even stopt met zingen en dan zijn er de drums en de manier waarop die herbeginnen, vond ik fantastisch. Ik spoelde telkens terug om dat moment vast te grijpen.
Ik ben heel lang bang geweest om dit soort muziek te gaan maken, maar eens je kan stoppen er schrik voor te hebben, kan je het accepteren en kan je ermee aan de slag. Soms werkt “de formule” gewoon omdat het wel eens deugd kan doen dat je effectief te horen krijgt wat je verwacht.
Marlene (bass en zang): Ik leende Nirvana’s Unplugged en The Cranberries. Nirvana is zoals The Beatles. Ze roepen een erg specifieke emotie op bij mij. Hoewel de lyrics zelden echt goed waren, is er iets in de manier van zingen dat dit erg goed maakt. Nirvana maakt het trouwens modieus om een loser te zijn, in een tijd (net als nu) waarin het er juist om draait tot de winnaars te behoren.
In Estland kocht ik mijn eerste drie albums: Garbage, Silverchair (de enigen die ik al kende) en The Prodigy. Ik hoor ze alle drie nog steeds graag.
Stel dat alles mogelijk was, met wie zouden jullie dan graag eens samenwerken.
Velojet: Met Beck of David Bowie, maar wellicht zouden we dan niet meer creatief kunnen zijn en verworden tot degene die de koffie haalt voor hen. Dat is vast te intimiderend.
Wat we wel graag zouden doen, is samenwerken met een Indische muzikant, omdat die totaal andere stijlen en ritmes gebruiken. Op diezelfde manier zou samenwerken met Brian Eno erg interessant zijn.
Maar om te vermijden dat we ineenkrimpen, is het wellicht verstandiger te kiezen voor een goeie producer. Dave Fridmann, die met The Flaming Lips en MGMT werkte, zou dan wel eens een héél boeiende samenwerking kunnen worden voor ons. Maar ja, haalbaar is het vermoedelijk niet. Al weet je nooit.
Bedankt voor dit gesprek.
Je kan dit interview ook hier lezen op Indiestyle.
12 november 2013
Interview Chantal Acda
Naar aanleiding van de release van het eerste album van Chantal Acda onder haar eigen naam sprak ik voor Indiestyle met de van oorsprong Nederlandse zangeres. Voorheen bracht ze al samen met Adam Wiltzie van onder meer A Winged Victory For The Sullen muziek uit als Sleepingdog, met Craig Ward als True Bypass, met Lotte Dodion als Nu Nog Even Niet (hier kan je de review lezen van die plaat) en ze speelt ook mee bij Isbells. Let your hands be my guide is de titel van haar nieuwe plaat.
Indiestyle: Je bracht eerder al platen uit en vooral Sleepingdog werd door velen gezien als jouw project. Waarom koos je ervoor om dit keer onder je eigen naam een album te releasen en waar zit het verschil met Sleepingdog?
Chantal: Het grote verschil is dat eerdere projecten samenwerkingen waren, en de inbreng van alle betrokkenen ongeveer even groot was. Ook heb ik me ook altijd achter die andere artiesten geplaatst, zoals Adam Wiltzie en Craig Ward. Dat zijn ook allemaal sterke persoonlijkheden en uitstekende muzikanten.
Maar ik wilde dat niet meer, me wegstoppen achter anderen, en ik ben op zoek gegaan naar mijn eigen kracht. Op deze plaat werk ik dan ook wel samen, maar nu hebben mijn collega’s zich geschaard achter mijn muziek en hebben ze mijn ding omarmd. Dat was superfijn.
Indiestyle: Hoe ben je bij de vier muzikanten die meespelen op deze plaat terechtgekomen?
Chantal: Peter Broderick ken ik al lang, zeker al een jaar of vijf. Ik trad heel vaak op in het buitenland, meer dan in België. Ik voel een grote zielsverwantschap. En door hem heb ik Nils Frahm leren kennen. Toen ik in zijn voorprogramma speelde in Parijs, kwam hij mee op het podium bij Sleepingdog. Daarna belden we regelmatig, hadden we fijne gesprekken en ontstond het gevoel dat we wel eens samen iets zouden doen. Toen ik vertelde dat ik mijn eigen ding wilde doen, mijn eigen muziek wilde maken, zag hij dat enorm zitten en wilde hij zich daar mee achter zetten.
Gyda Valtysdottir (van mùm) was mee op de tournee van A Winged Victory For The Sullen, waar we met Sleepingdog het voorprogramma speelden. Ze zei me op een bepaald moment dat ze het gevoel had dat ik mijn eigen vrijheid kwijt was. Ze wilde me graag helpen die terug te vinden.
De grootste verrassing was Shahzad Ismaily. Ik had al veel over hem gehoord, hij is een fantastische muzikant die al samenwerkte met Lou Reed en Tom Waits. In geen honderd jaar zou ik hem ooit durven vragen hebben om mee te werken aan mijn plaat. Tijdens de opnames zat hij in een andere kamer te mixen. Plots kwam hij bij ons binnen, met de woorden: “You’ve got no idea what you’ve got”. Hij nam een gitaar en speelde Backdrops. Het klonk zo geweldig dat Nils meteen besloot het op te nemen en in één take stond het erop.
Indiestyle: Wat is voor jou, behalve het vinden van je eigen vrijheid, de rode draad van dit album?
Chantal: Er zit voor mij vooral een grote samenhang in de grote thema’s die erin komen en ook hoe het muzikaal voelt. Ik vond heel lang voor mezelf geen plek in de wereld, niet enkel muzikaal. Vlak voor deze plaat kwam een breekpunt in mijn leven. Ik slaagde er nu pas in mijn eigen talent te definiëren. Voor anderen ligt dat talent in een instrument dat ze heel goed kunnen bespelen, voor mij lag het in mijn kwetsbaarheid en mijn gevoeligheid. Die heb ik omarmd en dat voelt als een nieuw begin.
Indiestyle: Vanwaar koos je net voor deze titel, ‘Let Your Hands Be My Guide’?
Chantal: Bijna 3 jaar geleden verloor ik mijn vader aan kanker. De handen van mijn vader zijn altijd heel belangrijk geweest in mijn leven. Ik herinner me hoe hij me altijd veel vertrouwen gaf en dat toonde in het geven van een hand, het vastnemen van mijn hand. Daarover gaat het vooral in Arms up high.
Maar in de grotere context verwijst het ook naar de omarming. Handen spelen een grote rol in de thematiek van deze plaat, met handen doe je heel veel dingen die voor mij van belang waren: vastpakken, ontmoeten, aanraken. Alles heeft met handen te maken.
Indiestyle: Toen je wist wat je wilde doen met deze plaat en je kwetsbaarheid omarmd had, hoe moeilijk of makkelijk was het dan om deze muziek ook effectief te maken?
Chantal: De weg naar die mentale stap was erg groot en heel moeilijk. Het was ook heel lastig voor me om weg te stappen van Sleepingdog en Adam Wiltzie. Ik moest echt loslaten.
Ik werk altijd heel intuïtief en ook in mijn samenwerking kies ik intuïtief partners. Dat maakt het allemaal heel spannend. Toen ik in het vliegtuig zat naar Berlijn, voelde ik me erg vrij en de muziek is louter op gevoel ontstaan daar. Eens voorbij dat punt, ging het relatief makkelijk.
Indiestyle: Op welke manier vind je in deze muziek sporen terug van je eerdere samenwerkingen en van je werk bij Isbells?
Chantal: Ik zie het allemaal wel als een soort stap naar dit. Bij Sleepingdog heb ik geleerd bezig te zijn met klank, ruimte, ambient, de meer klassieke kant ook van muziek. Met Craig Ward bij True Bypass, een samenwerking die overigens nog niet voorbij is, was het net allemaal erg emotioneel en ook erg direct met woorden. Bij Isbells heb ik me leren vermaken met musiceren. Dat alles heb ik proberen mee te nemen in mijn eigen plaat.
Indiestyle: Welke ambitie koester je met dit album?
Chantal: Ik ga nu optredens doen, weliswaar niet met de groep zoals we de plaat maakten. Dat laten de agenda’s van al die muzikanten niet toe.
Ik ben best wel blij dat door anderen gezien wordt wat ik heb willen zeggen. Voor mij is het belangrijkste dàt ik deze plaat heb kunnen maken. Ik ben heel benieuwd. Ik heb niet de verwachting dat nu iedereen in België dit album gaat kopen, al mag dat natuurlijk wel. Ik heb geen commerciële verwachtingen, maar ik ben nieuwsgierig naar hoe de mensen zullen reageren.
Indiestyle: Tot slot, met wie zou je in een ideale wereld nog wel willen samen muziek maken?
Chantal: Goh, in een ideale wereld zou ik misschien nog wel met Joni Mitchell willen samenwerken. Zij is mijn enige echte heldin.
Maar eigenlijk heb ik het gevoel dat het niet meer beter kan dan met de muzikanten waarmee ik deze plaat samen gemaakt heb. Ik zou daar mijn hele verdere leven mee kunnen samen spelen.
Indiestyle: Bedankt voor dit gesprek.
Chantal Acda treedt binnenkort op in De Roma in Borgerhout (13.11, info en tickets), 30CC in Leuven (14.11, info en tickets), CCHA in Hasselt (15.11, info en tickets), De Spil in Roeselare (16.11, info en tickets), tijdens Autumn Falls in de AB in Brussel (01.12, info en tickets) en in N9 in Eeklo (25.01, info en tickets). Haar album wordt verdeeld door Gizeh Records en je kan hier lezen wat we ervan vinden.
Je kan dit interview ook hier lezen op Indiestyle.
29 september 2013
Interview Matt Watts
When scrolling down, you'll find a version of this interview in English.
Een tijd geleden intussen al interviewden we Matt Watts. De plaat Wayward wind die hij met The Calicos maakte, vind ik nog steeds één van de topplaten van dit jaar. Hier kan je uitgebreider lezen wat ik ervan vond.
Kan je jezelf eerst eens voorstellen, als muzikant?
Ik ben geboren in Philadelphia, een grote stad aan de Oostkust, maar heb zowat overal in de VS gewoond, door de job van mijn vader. Mijn familie kwam oorspronkelijk uit het zuidoosten. Mijn vader was een predikant, die als kapelaan bij het leger ging. Toen ik 15 jaar was, verhuisden we naar Montana. Daar begon ik in allerlei bands te spelen en ik liet mijn zelfgeschreven songs horen aan kleine schares luisteraars in kleine stadjes. Tussen mijn 15e en 18e verjaardag nam ik 3 platen op. Het eerste album maakte ik alleen, het tweede met een band. Mijn derde album was het resultaat van een 4 uur durende opnamesessie na de repetitie van de groep van een vriend.
Het eerste wat ik deed toen ik in België kwam wonen, was een paar microfoons kopen. Vermits ik hier niemand kende, nam ik een EP op en zette liedjes op het internet. Het leverde me een telefoontje op van een man van de Antwerpse club Trix, die me uitnodigde te komen spelen op TrixTrax. Zo begon het hier voor mijin 2008. Het resulteerde in nog meer concerten en ik begon andere artiesten hier te ontmoeten.
Tegen eind 2009 had ik een solo album opgenomen. Het was Jan Verstraeten (van Charlie Jones' Big Band) die vond dat ik de liedjes die ik gemaakt had, moest uitbrengen. Hij ontwierp ook de cover voor de plaat (én een tattoo!). In september 2011 begon ik Wayward wind op te nemen, wat uitendelijk het vreemdste zou blijken te worden dat ik ooit deed.
Hoezo?
Vooral door de manier waarop de plaat ontstond: het begon allemaal met concerten die ik speelde met bassist Guido Op De Beeck. Toen gingen we naar zijn appartement aan zee voor opnames. Daar aangekomen nodigden we ook een drummer uit. Het idee was om de eerste indruk te vatten van de songs door de band. Ik liet hen gewoon doen met wat ik geschreven had. Zo kregen de nummers vorm. Meestal gebruikten we de eerste takes, soms de tweede.
Kan je ons daar iets meer over vertellen?
Wel, ik had al de lyrics en de melodieën geschreven. Ik liet die zien aan de bandleden en toen begonnen zij arrangementen te maken ervoor. Sommige werden wat ik in gedachten had, andere namen een heel verschillende gedaante aan. Neem Black mountain pass bijvoorbeeld: ik wou er het enige liedje van maken met akoestische gitaar, echt een folksong. Maar toen speelde de drummer een bossanova en dat klonk echt wel cool. Toen werd er ook nog pedal steel aan toegevoegd en zo verkreeg het zijn definitieve vorm.
Voor mij is het belangrijk dat de bandleden dit soort vrijheid ervaren. Zelfs op het podium spelen ze soms ineens iets heel verschillends. Ik vind het zelf beperkend als je op voorhand al gaat vastleggen hoe een song er hoort uit te zien.
In mijn review van je album vergeleek ik je met The Low Anthem. Is dat een gelijkenis waar je je bewust van was, of was je erdoor verrast?
Ik zag hen ooit één keer, maar het was niet echt een band waar ik naar luisterde, al bewonder ik de manier waarop ze folkmuziek gebruiken en in zekere zin gemoderniseerd hebben. Als ik je review lees, denk ik dat de gelijkenis vooral zit in het gebruik van het harmonium, wat een heel specifiek geluid oplevert, én in de manier waarop ook wij folkmuziek gebruikten.
We hebben nochtans niet bewust geprobeerd iets in de richting van folk te maken.
Wie zijn The Calicos, je band, eigenlijk?
Ze zijn een soort familie van mensen die ik ken. William, die harmonium, banjo,... speelde, maakt er niet langer deel van uit. Quinten, de broer van onze drummer Maxim, is een geweldige gitaris, die ook een fijne eigen band heeft, Mantaray. He speelt lead gitaar op deze plaat. En dan is er Arne, ons nieuwste groepslid, die harmonium, viool en slide gitaar speelt. He speelde ooit met me in een garagebandje, The Shitts.
Ik heb begrepen dat je lyrics belangrijk vindt. Hoe komt het dat ze toch niet bij het album zitten, zodat de luisteraar ze kan meevolgen tijdens het luisteren?
Doelbewust koos ik ervoor ze niet toe te voegen, zodat de luisteraar er zelf kan uithalen wat hij wil.
Wil je ons vertellen waar de songs over gaan? Is er een rode draad?
Ken je de uitdrukking in het Engels, "wayward wind"? Dat is wanneer je je bewust wordt van een plotse wijziging in je gemoed. Alle liedjes zijn in verschillende periodes geschreven. Wat hen verbindt, is dat ze allemaal vanuit mijn standpunt ontstonden. Ze zijn misschien niet universeel, maar ik geloof ook niet dat ze compleet uniek zijn. Andere mensen hadden dezelfde liedjes kunnen schrijven. Maar ZIJ deden dat niet en ik wel!
Als ik er op terugblik, besef ik dat de meeste gaan over iets willen om uiteindelijk te beseffen dat je eigenlijk écht iets anders wou.
Eén van mijn favorieten is It hides away the pain. Hoewel het over kwetsuren gaat, heeft het iets troostend en verzachtend.
It's been a while already, but we sat down in Antwerp with Matt Watts for this interview. With The Calicos he made a great album, 'Wayward Wind', which to me is still one of the top records of 2013. Here is a link to my review of that album (albeit in Dutch).
I've seen them once, but they're not really a band I really listened to then. Although I must say I admire the way they use folk music and have somehow modernized it. When I read your review, I think I can imagine the resemblance lies in the use of the harmonium, which gives a very specific sound, and the way we have used folk music.
What are your plans now?
Een tijd geleden intussen al interviewden we Matt Watts. De plaat Wayward wind die hij met The Calicos maakte, vind ik nog steeds één van de topplaten van dit jaar. Hier kan je uitgebreider lezen wat ik ervan vond.
Kan je jezelf eerst eens voorstellen, als muzikant?
Ik ben geboren in Philadelphia, een grote stad aan de Oostkust, maar heb zowat overal in de VS gewoond, door de job van mijn vader. Mijn familie kwam oorspronkelijk uit het zuidoosten. Mijn vader was een predikant, die als kapelaan bij het leger ging. Toen ik 15 jaar was, verhuisden we naar Montana. Daar begon ik in allerlei bands te spelen en ik liet mijn zelfgeschreven songs horen aan kleine schares luisteraars in kleine stadjes. Tussen mijn 15e en 18e verjaardag nam ik 3 platen op. Het eerste album maakte ik alleen, het tweede met een band. Mijn derde album was het resultaat van een 4 uur durende opnamesessie na de repetitie van de groep van een vriend.
Het eerste wat ik deed toen ik in België kwam wonen, was een paar microfoons kopen. Vermits ik hier niemand kende, nam ik een EP op en zette liedjes op het internet. Het leverde me een telefoontje op van een man van de Antwerpse club Trix, die me uitnodigde te komen spelen op TrixTrax. Zo begon het hier voor mijin 2008. Het resulteerde in nog meer concerten en ik begon andere artiesten hier te ontmoeten.
Tegen eind 2009 had ik een solo album opgenomen. Het was Jan Verstraeten (van Charlie Jones' Big Band) die vond dat ik de liedjes die ik gemaakt had, moest uitbrengen. Hij ontwierp ook de cover voor de plaat (én een tattoo!). In september 2011 begon ik Wayward wind op te nemen, wat uitendelijk het vreemdste zou blijken te worden dat ik ooit deed.
Hoezo?
Vooral door de manier waarop de plaat ontstond: het begon allemaal met concerten die ik speelde met bassist Guido Op De Beeck. Toen gingen we naar zijn appartement aan zee voor opnames. Daar aangekomen nodigden we ook een drummer uit. Het idee was om de eerste indruk te vatten van de songs door de band. Ik liet hen gewoon doen met wat ik geschreven had. Zo kregen de nummers vorm. Meestal gebruikten we de eerste takes, soms de tweede.
Kan je ons daar iets meer over vertellen?
Wel, ik had al de lyrics en de melodieën geschreven. Ik liet die zien aan de bandleden en toen begonnen zij arrangementen te maken ervoor. Sommige werden wat ik in gedachten had, andere namen een heel verschillende gedaante aan. Neem Black mountain pass bijvoorbeeld: ik wou er het enige liedje van maken met akoestische gitaar, echt een folksong. Maar toen speelde de drummer een bossanova en dat klonk echt wel cool. Toen werd er ook nog pedal steel aan toegevoegd en zo verkreeg het zijn definitieve vorm.
Voor mij is het belangrijk dat de bandleden dit soort vrijheid ervaren. Zelfs op het podium spelen ze soms ineens iets heel verschillends. Ik vind het zelf beperkend als je op voorhand al gaat vastleggen hoe een song er hoort uit te zien.
In mijn review van je album vergeleek ik je met The Low Anthem. Is dat een gelijkenis waar je je bewust van was, of was je erdoor verrast?
Ik zag hen ooit één keer, maar het was niet echt een band waar ik naar luisterde, al bewonder ik de manier waarop ze folkmuziek gebruiken en in zekere zin gemoderniseerd hebben. Als ik je review lees, denk ik dat de gelijkenis vooral zit in het gebruik van het harmonium, wat een heel specifiek geluid oplevert, én in de manier waarop ook wij folkmuziek gebruikten.
We hebben nochtans niet bewust geprobeerd iets in de richting van folk te maken.
Wie zijn The Calicos, je band, eigenlijk?
Ze zijn een soort familie van mensen die ik ken. William, die harmonium, banjo,... speelde, maakt er niet langer deel van uit. Quinten, de broer van onze drummer Maxim, is een geweldige gitaris, die ook een fijne eigen band heeft, Mantaray. He speelt lead gitaar op deze plaat. En dan is er Arne, ons nieuwste groepslid, die harmonium, viool en slide gitaar speelt. He speelde ooit met me in een garagebandje, The Shitts.
Ik heb begrepen dat je lyrics belangrijk vindt. Hoe komt het dat ze toch niet bij het album zitten, zodat de luisteraar ze kan meevolgen tijdens het luisteren?
Doelbewust koos ik ervoor ze niet toe te voegen, zodat de luisteraar er zelf kan uithalen wat hij wil.
Wil je ons vertellen waar de songs over gaan? Is er een rode draad?
Ken je de uitdrukking in het Engels, "wayward wind"? Dat is wanneer je je bewust wordt van een plotse wijziging in je gemoed. Alle liedjes zijn in verschillende periodes geschreven. Wat hen verbindt, is dat ze allemaal vanuit mijn standpunt ontstonden. Ze zijn misschien niet universeel, maar ik geloof ook niet dat ze compleet uniek zijn. Andere mensen hadden dezelfde liedjes kunnen schrijven. Maar ZIJ deden dat niet en ik wel!
Als ik er op terugblik, besef ik dat de meeste gaan over iets willen om uiteindelijk te beseffen dat je eigenlijk écht iets anders wou.
Eén van mijn favorieten is It hides away the pain. Hoewel het over kwetsuren gaat, heeft het iets troostend en verzachtend.
Het gaat over oude pijn. Het is wel een belangrijke song voor mij. Het is verwant met een nummer van Alex Chilton, die zong: "All we ever got from them is pain". Hij schreef het over zijn ouders. Het liedje gaat over verlaten worden.
Wanneer ik zulke liedjes schrijf, ben ik alleen op die plaats. Wanneer ik ze met andere speel, komen ze tot leven. Opnames, zo meen ik, zijn tijdsdocumenten.
Eigenlijk wil ik niet te veel vertellen over deze song. Hij spreekt voor zich, vind ik. Luister er maar eens goed naar...
Wanneer ik zulke liedjes schrijf, ben ik alleen op die plaats. Wanneer ik ze met andere speel, komen ze tot leven. Opnames, zo meen ik, zijn tijdsdocumenten.
Eigenlijk wil ik niet te veel vertellen over deze song. Hij spreekt voor zich, vind ik. Luister er maar eens goed naar...
Een ander geweldig nummer vind ik de afsluiter, When you call my name. Het lijkt een samenvatting te zijn van de gehele plaat.
Het was de laatste song die we opnamen. We hadden een deadline en hadden nog één nummer nodig. Enkel Maxim, onze drummer, en ik bleven over. En opeens kwam de verbinding. Het was een helse week geweest, waarbij letterlijk vrijwel alles het begaf waarmee we bezig waren. En toen kwam dit lied!
Ik vind het artwork intrigerend. Wat vertelt het ons?
Het schilderij is gemaakt door een vriend, Morgan, een Amerikaanse schrijver, die ik gevraagd had iets te schilderen voor mijn plaat. Ik leerde hem kennen in de les Nederlands. Hij komt uit Georgia, maar woont nu in Hove. Gezien ik op dat moment de songs nog moest opnemen, had hij geen noot ervan gehoord. Hij kon enkel afgaan op twee titels, waaruit ik nog moest kiezen. Hij besloot dit te schilderen.
Hoewel het schilderij eigenlijk geen rechtstreeks verband heeft met mijn liedjes, ben ik het meest getroffen doordat ik er mensen in herken die we beiden kennen: hijzelf, zijn gezin,... In feite zie ik er een beeld in van mijn vriendschap met hem.
Hoewel het schilderij eigenlijk geen rechtstreeks verband heeft met mijn liedjes, ben ik het meest getroffen doordat ik er mensen in herken die we beiden kennen: hijzelf, zijn gezin,... In feite zie ik er een beeld in van mijn vriendschap met hem.
Welke verdere plannen heb je nu?
In september hebben we gepland onze tweede plaat op te nemen. Dit keer willen we alles live spelen en de mixing ook zo doen dat het klinkt als een live opname.
Je maakt ons nieuwsgierig... Bedankt voor het gesprek!
It's been a while already, but we sat down in Antwerp with Matt Watts for this interview. With The Calicos he made a great album, 'Wayward Wind', which to me is still one of the top records of 2013. Here is a link to my review of that album (albeit in Dutch).
Could you introduce yourself? Who are
you, as a musician?
I was born in Philadelphia, a big city
on the East Coast, but I have lived all over the US, due to my
father's job. My family originally came from the South East. My dad
was a preacher, who joined the military as a chapelan. When I was 15
years old, we moved to Montana. That's where I started playing in
various bands and exhibited the songs I wrote to small audiences in
small towns. Between my 15th and 18th birthday,
I recorded 3 albums. The first album I recorded alone, the second with a band. My third album
was the result of a 4 hour recording session after a friend’s band
practice.
The first thing I did when I arrived in
Belgium, was to buy a couple of microphones. As I didn't know anyone
here, I recorded an EP and put some songs on the internet. Then I got
a call from a guy from the Antwerp club Trix who invited me to play
at TrixTrax. That's how it started for me here in 2008. It got me
some more concerts and I got to meet some artists.
By the end of 2011 I had recorded a
solo album. It was Jan Verstraeten (from Charlie Jones' Big Band) who
had the idea that I should release the songs I had made. He also
designed the album cover (and a tattoo!). In September of 2011 I
started making 'Wayward Wind', which turned out to become probably
the strangest thing I have ever done.
Why is that?
Mainly because of the way it came
about. It all started out with me playing some concerts with bass
player Guido Op de Beeck. Then we went to his apartment at the sea to
record. Once there, we also invited a drummer. The whole idea was to
get a first impression of the songs by the band. I just let them have
a go at what I'd written. That's how the songs came together. We
mostly used the first or sometimes second takes.
Can you tell us more about that?
Well, I had already written the
lyrics and melodies. I showed them to the other members of the band
and they came up with the arrangements. Some of the songs turned out
the way I thought, the way I had them in my head, but some others
took a whole different road. Take 'Black Mountain Pass' for instance:
I wanted to make it the only song with acoustic guitar, a real folk
song. But then the drummer started playing a bossanova beat, which
sounded really cool. Then pedal steel was added and that's how the
song got its finale shape.
For me, it's important that the band
members have that freedom. Even on stage they start doing things
differently. Personnaly, I find it restricting to define on
beforehand what a song must turn out like.
In my review of your album I
compared you to The Low Anthem. Is that a reference you were already
aware of, or did it surprise you?
I've seen them once, but they're not really a band I really listened to then. Although I must say I admire the way they use folk music and have somehow modernized it. When I read your review, I think I can imagine the resemblance lies in the use of the harmonium, which gives a very specific sound, and the way we have used folk music.
We didn't consciously try to make
something folky though.
Who are The Calicos, your band?
They're a kind of a family of people
we know. William, who played harmonium, banjo,... is no longer
playing with us. Quinten, the brother of our drummer Maxim, is a
great guitarist, who also plays in his own band Mantaray. He plays
lead guitar on this album. And then there's Arne, our new band
member, playing violin, harmonium and slide guitar. He has also
played with me in a garage band called The Shitts.
I understand that you think lyrics
are important. Why is it that they haven't been included with the
record for the listener to read them?
I deliberately didn't want to put
them with the record as I want people to listen and pick whatever
they want out of it.
Do you want to tell us what
they're about? Is there a red thread?
Do you know the expression
“wayward wind”? It’s when you realize a sudden change of heart.
All songs have been written in different periods. What joins them, is
that they're all from my point of view. They may not be universal,
but still I believe they're are also neither fully unique, as I think
other people could have done the same. But THEY haven't and I have!
Looking backwards, I found out that
most songs are about wanting something and realising in the end that
you really wanted something else.
One of our favourite songs is 'It
Hides Away The Pain'. Although it's about hurt, it has something
soothing and comforting. Could you tell us more about it?
It's about old pain. For me too
it's an important song. It's related to a song by Alex Chilton, who
sang: “All we ever got from them is pain”. He wrote it about his
parents. The song is about abandonment.
When I write these songs, it's in a
place where I'm alone. Performing them with others, it comes alive.
Recordings, in my opinion, are a document.
This song, I don't want to tell too
much about it. I believe it's self-explanatory anyway. For me, the
lyrics are very to the point. Just take a good listen...
Another great song is the last
one: 'When You Call My Name”. It feels like it sums up the whole
album.
It was the last song we recorded.
We had a deadline and needed one more. It was just Maxim, our
drummer, and me. Suddenly, we connected. It had been a hell of a
week, with almost literally everything breaking while we were busy.
And then this song happened.
There's something intruiging about
the artwork. What does it tell us?
It's a painting by a friend of
mine, Morgan, an American writer, whom I asked to paint something
for the record. I met him in Dutch class. He's from Georgia, but
lives in Hove now. As I hadn't yet recorded the songs when I asked
him for a painting, he had not heard a single note. All he had were
two titles which I still had to choose between. He decided to paint
this. Although the painting is unrelated to the songs, what strikes
me is that I recognize people we both know in it: himself, his
family,... I see an image of my friendship with him.
What are your plans now?
Well, in September we plan to
record our second album. This time, we want to play everything live
and also mix it as a live recording.
You've made us curious... Thanks
for the interview!
23 mei 2013
Interview Equinox, The Peacekeeper
Nadat ik Wouter Buyst, de man achter Equinox, The Peacekeeper, live had gezien in een huiskamer (het verslag daarvan kan je hier lezen), sprak ik hem in zijn eigen huiskamer, waar muziekinstrumenten de muur sieren en waar een rustig muziekje op de achtergrond ons vergezelt.
Goeiemiddag Wouter. Kan je je eerst
zelf eens voorstellen?
Ik ben muziek
beginnen maken toen ik een jaar lang op reis was door Mexico, de
Verenigde Staten en Canada. Na een tijdje begon ik er op straat te
spelen om geld te verdienen. Eerst zong ik nummers van Dylan,
Cohen,... en na een tijdje kwamen er eigen liedjes. Onderweg kwam ik
dan ook mensen tegen bij wie ik mocht opnemen, onder meer in
Californië. Dat was in 2004.
Toen ik terug was
in België, heb ik mijn eerste plaat gemaakt. Dat ging allemaal heel
traag: ik reisde tussendoor veel, en mijn home studio brandde ook nog
eens uit. Eind 2009 was de plaat pas af. Omdat ik kort erna naar
Colombia vertrok, mijn vriendin achterna, heb ik niet zo veel PR
gedaan. De plaat kreeg wel een beetje airplay. Met deze nieuwe plaat, Birdsongs on the wasteland, wil ik dat allemaal wel doen, omdat ik
het gevoel heb anders het potentieel niet ten volle te benutten.
Het meeste speel
ik zelf in op mijn platen, en verder zijn er gastbijdragen van mensen
die ik tegenkom, soms op reis. Dan maak ik field recordings die ik
integreer in mijn songs. Dat vind ik een erg leuke manier van werken.
Voor deze plaat
heb ik drie nummers al in Colombia opgenomen, en ook in India zijn
verschillende liedjes opgenomen.
Wat is voor jou het belangrijkste
verschil tussen je eerste album en dit?
Muzikaal is dit
album lichter. Het is dan ook gemaakt in een minder zware periode in
mijn leven. Mensen zeggen me ook dat deze plaat meer matuur klinkt.
Ook de productie
is beter. Het album is afgewerkt in Londen en het mixproces was erg
creatief, samen met Darren Allison (die al eerder met Efterklang, MyBloody Valentine, Spiritualized,... werkte). Zelf twijfel ik altijd
nogal over de arrangementen, dus was het wel goed dat er nu iemand
meedeed.
Welke ambitie heb je met dit album?
Mijn ambitie is
vooral dat het verspreid geraakt. In de underground heb ik al een
basis opgebouwd, die ik nu wil verbreden. Daarom heb ik nu ook een
manager, die alles opneemt wat ikzelf moeilijk combineerbaar vind met
het muziek maken zelf.
Met wie zou je graag ooit
samenwerken?
Het
liefst wil ik samenwerken met mensen waar ik zelf fan van ben, zoals
Bonnie 'Prince' Billy. In Vlaanderen zou ik wel graag eens iets doen
met Tom Van Laer (Admiral Freebee), als ik hoor wat hij productioneel
doet.
Wie zijn je belangrijkste invloeden?
Ik ben door heel
veel oude muziek beïnvloed: de Lomax recordings, Mississippi JohnHurt,... Daar zit veel gevoel en soul in, ik vind dat héél puur.
Het ging ook heel vaak om mensen die op zich geen ambitie hadden, die
gewoon muziek speelden na hun werk.
Zijn er ook invloeden waar men raar
van zou opkijken, die men niet bij jou zou verwachten?
Electronische
dingen als Aphex Twin of Mùm en dub uit de jaren '70 liggen wellicht
minder voor de hand als invloeden. Maar eigenlijk is alles waar ziel
in zit, goed voor mij.
Op welke manier hebben je reizen je
beïnvloed en hoe is dat hoorbaar in je muziek?
Die invloeden zijn
hoorbaar in de field recordings die ik maak, de instrumenten die ik
gebruik en vaak vind je ook iets terug van de ingrijpende
gebeurtenissen op reis in mijn teksten. Zo kan je een field recording
horen van een man in Varanasi, aan de Ganges, die zong en die ik een
plaats heb gegeven in Benares. De charango is een instrument uit
Colombia, dat ik er kreeg en dat ik dan maar ben beginnen gebruiken.
Op reis vallen je vaak erg intense gebeurtenissen te beurt, en die
vormen de aanzet tot heel wat van mijn teksten.
In het interview met je op
Indiestyle, las ik dat je vindt dat je teksten in de eerste plaats
ook poëzie moeten zijn. Door welke gedichten laat je je inspireren?
Inderdaad, ik zing
dan wel over dingen die me dwarszitten, maar een liedjestekst moet
toch iets universeels en poëtisch hebben voor mij, zodat mensen
erdoor geraakt kunnen worden. Ik wil niet vervallen in sloganeske
songs. Bovendien kan een protestsong ook een protest inhouden tegen
iets dat je in jezelf ontdekt, en zo wordt het misschien herkenbaar
voor anderen.
Ik heb literatuur
gestudeerd en zo veel Engelstalige poëzie gelezen. Voor mij blijft
Leonard Cohen wel één van de grootste dichters. Ook Bob Dylan is
iemand die zijn poëzie niet afzwakt om populair te zijn.
Een
niet-Engelstalig publiek moet wat moeite doen, zo merk ik, om mijn
teksten te bevatten, maar ik wil ze niet eenvoudiger maken zodat ze
toegankelijker zouden worden. Ik krijg uiteindelijk ook wel goeie
reacties voor mijn lyrics.
Jammer genoeg
lijken veel mensen de kwaliteit van de teksten niet zo belangrijk te
vinden bij muziek. Ik zorg er voor dat mijn teksten bij het album
zitten, nét omdat ik ze zo belangrijk vind.
Ik
ben overigens wel van plan om ooit zelf poëzie te schrijven, of een
boek. Ik heb in de loop der jaren heel wat boekjes, post-itjes,...
verzameld met ideeën daarvoor, die ik eens zou moeten bekijken. Het
is een manier van werken, trouwens, die ik ken van Leonard Cohen. Ook
hij brengt op zo om de 10 jaar eens iets uit in boekvorm.
Zou je ooit iets muzikaals willen
doen met poëzie van anderen?
Ik heb daar wel al
aan gedacht, ja. Zo vind ik Magic psalm van Allen Ginsberg erg
melodieus. Ook de andere beat poets lijken me interessant om iets
muzikaals rond te doen.
Wil je enkel in het Engels iets doen
daarmee?
Ik heb ook al
liedjes gemaakt in het Spaans, maar dat is toch wat moeilijker. Omdat
ik daar beperkter in ben, ben ik gedwongen simpelere verwoordingen te
gebruiken.
In het Nederlands
vind ik nog moeilijker. Voor mij komen tekst natuurlijkergewijs in
het Engels, en ik spreek ook nogal sterk met een dialect. Dat is iets
wat ik wel nog eens zou willen proberen, in het dialect...
Wat is het mooiste compliment dat je
al kreeg bij deze plaat?
Bij één van de
huisconcerten die ik speelde om het album voor te stellen, kwam er
een klein meisje naar me toe, dat zei: “Je muziek is zo mooi dat ik
er van moest huilen. Eén mondhoek ging omlaag om te huilen, en één
mondhoek ging omhoog om te lachen.”
En eergisteren zei
iemand dat mijn muziek zalvend is, “als een lange omhelzing”.
Dat mensen troost
vinden in mijn muziek, daar is het me om te doen. Soms verlies je
jezelf een beetje in het muziekwereldje en ben je b.v. bezig met
hoeveel “likes” je krijgt op Facebook. Maar uiteindelijk is het
veel belangrijker wat iemand er persoonlijk aan heeft, aan je muziek.
Daarom ook kies ik
voor huisconcerten. Ik vind dat zelf heel fijn, heel direct en het
geeft me het gevoel terug te keren naar de roots van muziek: mensen
die 's avonds samenzitten. Die sfeer kan je, als alles goed zit,
opwekken met een huisconcert.
Wat vind je zelf de belangrijkste
boodschap die je mee wil geven?
Als het over de
boodschap gaat die ik tracht over te brengen, vind ik het erg
belangrijk én ben ik blij met de evolutie dat steeds meer mensen hun
mond opentrekken als ze zien wat er gaande is met onze aarde. Als
iedereen dat op zijn eigen manier actueel kan houden en zijn steentje
bijdraagt, hebben we alsnog een kans dat het goed komt. Met cynisme
of te cool willen zijn, komen we in ieder geval niet vooruit.
Bedankt voor dit gesprek!
Je kan de beide albums hieronder beluisteren:
En dit zijn enkele clips:
Je kan de albums hier kopen en hier lees je de review van het recentste album op Indiestyle.
Je kan de beide albums hieronder beluisteren:
En dit zijn enkele clips:
Minding your own business
If you don't mind, I'm going home
How did you fall?
Je kan de albums hier kopen en hier lees je de review van het recentste album op Indiestyle.
Labels:
aankondiging,
clips,
embedded player,
indiestyle,
interview,
muziek
Abonneren op:
Posts (Atom)











