Posts tonen met het label de hoes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label de hoes. Alle posts tonen

18 december 2016

De hoes (8)


Eén van die platen die ik echt enkel op basis van de hoes kocht, is Flemish altruism (Constituent parts 1993-1996) van A Minor Forest. Deze band uit San Francisco zou uiteindelijk slechts drie albums uitbrengen in de jaren negentig, waarvan dit het debuut was.
Het vinylexemplaar dat ik bezit, heeft een hoes die gemaakt is als een dia. Een transparant vel met daarop kronkelende lijnen alsof het een luchtfoto van een ruw bergachtig gebied betreft, zit in de kartonnen hoes geschoven. Het maakt, zo blijkt in mijn platenkast, de hoes behoorlijk kwetsbaar, want telkens ik de plaat tussenuit de omringende platen trek, dreig ik het karton rondom het diavenster verder te beschadigen.
De mathrock van de band klinkt vandaag misschien een tikkeltje gedateerd. Toch weet een song als Bill's mom likes to fuck mooie herinneringen los te weken aan mijn eerste kennismaking met Tortoise en Trans Am. Dat ik bijwijlen ook wel een beetje aan Pinback moet denken, hoeft niet te verwonderen: zanger-gitarist Erik Hoversten zou nog een tijdje bij die band spelen. A Minor Forest maakte deel uit van dezelfde scene als Slint en vertoefde vaak in de entourage rond Three Mile Pilot, een verwantschap die je ook kan horen in Perform the critical straw transfer. Controverse ging dit viertal allesbehalve uit de weg, met songtitels als Jacking off George Lucas, So Jesus was at the last supper... en Bill's mom likes to fuck.

Het album werd geremastered in 2014 en kan je in die versie hieronder beluisteren:

07 april 2013

De hoes (7)


De laatste weken luister ik steeds meer naar mijn vinylplaten, en de voorbije week haalde ik zelfs weer heel wat cassettes boven (eigenlijk haalde ik ze van boven, uit de doos van de verhuis, naar beneden, waar mijn stereo staat). En zo herontdek ik heel wat muziek waarvan ik niet meer wist dat ik ze had.
Eén van de meest opvallende platen in mijn collectie kocht ik ooit toen lounge (even) hip was, en ik vond in de Gentse Music Mania menig weird album met muziek die ik anders nooit zou beluisterd hebben. Het is een plaat met een soort big band muziek die gemaakt werd voor de soundtrack van allerlei Duitse pornofilms, in de periode van 1968 tot 1972. De films dragen zulke aanlokkelijke titels als Mädchen Die nach München Kommen, Was Männer Nicht Für Möglich Halten en Die Dressiertre Frau. Ik heb de films nooit gezien (en zal dat vermoedelijk ook nooit doen), dus meer info moet u van mij niet verwachten.
De muziek van Gert Wilden & Orchestra is best wel leuk, en ik heb de plaat in de loop der jaren meermaals beluisterd, omdat het nogal vlot het oor binnengaat, een duidelijke sixties- en seventiesvibe heeft, met hier en daar een Hammond-orgeltje, en het roept herinneringen op aan de soundtracks van legendarische series uit mijn jeugd (en van voor mijn jeugd, want ik ben zelf pas in het begin van de jaren '70 geboren). Bij momenten klinkt het funky (Girl faces b.v.), en als ik de plaat zou opzetten zonder dat de hoes te laten zien of zonder informatie, is de kans groot dat iedereen gewoon mee staat te wiegen en zich laat meedeinen op de muziek.
En voor de vinylliefhebbers: 't is prachtig - ik zou bijna zeggen, maagdelijk - wit vinyl!

Hier is een fragment uit een documentaire over Gert Wilden (wel in het Duits):



En hier een voorproefje van één van de nummers (met beelden uit andere films):



En tot slot nog drie nummers die ik op Soundcloud vond:


03 augustus 2012

De hoes (6)


1997. Het lijkt al eeuwen geleden, en soms lijkt het ook alsof het pas gisteren was. In die periode luisterde ik heel vaak naar drum 'n bass, een toen nieuw genre dat erg opzwepende ritmes had en waarop ik graag ging dansen. Mijn voorkeur ging uit naar "harde" drum 'n bass, met hele diepe bassen, zoals van Ed Rush & Optical of Usual Suspects. Maar drum 'n bass bevat vele subgenres, sommige meer jazzy, andere meer aanleunend bij ambient. Ik verslond bijna alles.
De minimalistische, science-fictionachtige hoes (het had een still kunnen zijn uit Battlestar Galactica, wanneer de camera rakelings langs een groot ruimteschip zweeft) van Modus operandi van Photek, intrigeerde mij vanaf het eerste moment. Ik denk niet dat ik toen al wist dat Photek een relatief grote naam was binnen het genre (of misschien was hij dat toen ook nog niet...).
De aankoop van dit album heb ik me in ieder geval nooit beklaagd, en ook in 2012 gebeurt het wel eens dat ik het schijfje in de lader leg, en Photek op de achtergrond aan het werk zet terwijl ik zelf ook aan het werk (nu ja, meestal huishoudelijke klusjes, maar in schoolvakanties neem ik het album ook al eens mee naar mijn werk) begin.
Opener The hidden camera is een rustig nummer, dat een beetje kabbelt, ondanks de drumpatroontjes die uiteraard aanwezig zijn. Het kabbelen is echter voorbij eens Smoke rings van start gaat, meer klassieke drum 'n bass, met tussenstukken waarin de drums wegvallen, de baslijnen zich lijken terug te trekken en toch weer naar de voorgrond kruipen, waarna de drums invallen en het frenetiek ritme herbegint. Sommige nummers zijn echt wel heel bijzonder, zoals Aleph 1, dat met wat buitenaardse blieps gepimpt werd.
Opmerkelijk aan het album is overigens dat we heel uiteenlopende dingen te horen krijgen. Die variatie maakt Modus operandi ook nu nog erg genietbaar, en waar heel wat dance-albums niet meteen hapklare luisterbrokken zijn, die je zo maar eventjes op de achtergrond zet, is het net de afwisseling waar Photek voor zorgt, die maakt dat je hier ook gewoon rustig kan naar luisteren. De nummers duren tussen 5 en 9 minuten, nemen de tijd om zich te ontwikkelen en zijn ook echt vaak meer dat het herhalen en eindeloos variëren op een thema. Omdat het natuurlijk drum 'n bass blijft, mag je hier niet eenzelfde soort variatie in verwachten als je gewoon bent van (sommige) rock- en popalbums, maar wie goed luistert én een beetje thuis is in drum 'n bass, hoort dat van verschillende vaatjes getapt wordt.


In dit interview komt Photek zelf ook nog eens terug op zijn debuutalbum.


Beluister hieronder zeker ook de remixen die Photek maakte:



27 juli 2012

De hoes (5)

Het aankopen van een album louter op basis van de hoes is niet altijd een even succesvolle strategie gebleken.


De hoes van The full sentence van Pigeonhed is op zich intrigerend (een weegschaal met aan de ene kant een engel voor een biddende figuur, en aan de andere kant een duivel), maar ik herinner me dat het vooral de achterzijde van de CD was, met dat grote "goddelijk" oog, met daarin een klein haast niet op te merken wit sterretje die me tot aankoop overhaalde. De manier waarop alle songtitels mooi uitgelijnd zijn in een blokvorm, onder dat ene alziende oog, draagt bij aan een sfeer die ik ook vandaag nog erg religieus aandoen vind. Het bijschrift "Dias lo ve todo" (waarvan ik niet weet wat het betekent, en dat heb ik ook nog nooit opgezocht...) en de onvolledige woorden onderaan (links: ...OMENTO en rechts: UNA ETERNID...) houden ook dreiging in.


Tegen die achtergrond valt het album jammer genoeg wat tegen. Als ik de muziek zou moeten omschrijven, is het heel erg nineties Californische cross-over met wat grungy invloeden, en denk dan aan mindere nummers van Red Hot Chili Peppers en een vleugje Brad. Dat laatste hoeft niet te verwonderen, aangezien Shawn Smith ook al in bands als Brad en Satchel zat.
Bovendien duren sommige nummers echt wel te lang (titeltrack The full sentence is ongeveer 3 minuten te lang, dat is zowat de helft...). Toch slaagde de band erin om enkele bekendere namen te strikken om mee te werken aan de plaat, zoals Kim Thayil (van Soundgarden). Diens bijdrage aan b.v. Marry me geeft het nummer overigens meteen een duidelijke Soundgarden-stempel. Ook Matt Chamberlain (eventjes drummer bij Pearl Jam) is hoorbaar aanwezig, in More than just a girl.
Betekent dit nu dat dit een slecht album is en dat er niets goeds over te zeggen valt? Nee, natuurlijk niet. Ten eerste vind ik Brad en Satchel lang niet slecht, en ten tweede zijn de nummers nooit echt slecht, hoewel Glory bound wel al serieus flirt met de grens tussen kitscherig en ok. P-street is lekker funky en zorgt voor wat afwisseling. Ook Who's to blame is een fijn nummer, een typische grunge-achtige ballad wel. En van 31st of July durf ik zeggen dat ik dat nummer wel gerust meerdere keren wil beluisteren, dat is echt wel het beste nummer van de plaat. Ook het eerder genoemde More than just a girl weet me te bekoren.

01 mei 2012

De hoes (4)

Een kathedraal in een onbestemd (mediterraan?) stadje, met twee torens, waarvan vooral de eerste erg opvallend is, prijkt prominent op de hoes van Red apple falls van Smog. De bandnaam is met gouden letters, in vloeiend schrift, in de rechterbovenhoek geschreven, met een erg langoureuze S. De rode titel van de plaat staat mooi tegen de blauw-witte wolkenhemel, en lijkt bestudeerd slordig geplaatst. De voorste toren van de kathedraal is erg breed, met heel veel ramen en zelfs nog een verbreding bovenaan. Het is niet helemaal duidelijk of het een echte kathedraal is (ik vermoed van niet).


Je begrijpt al dat ik meteen voor de hoes viel, die tegelijk een lo-fi aanpak én mysterie oproept. Het was ook mijn eerste kennismaking met Smog, de band van Bill Callahan, die hier bovendien samenwerkt met Jim O'Rourke.
De plaat blijkt een verhaallijn te bevatten, over de verteller die zich in het stadje Red Apple Falls vestigt en waar hij kennismaakt met een weduwe. De weduwe en de rode appels blijven terugkeren in de 9 liedjes.
Het album begint erg voorzichtig, met een trompet die de komst van de ochtendkrant aankondigt. The morning paper trekt je meteen de sfeer in van deze plaat, met het repetitieve patroon op gitaar, en de aanzwellende muziek. Blood red bird is een mooi voorbeeld van het soort lo-fi gitaarmuziek dat ik o.m. via Smog leerde kennen. Prachtig nummer! En dat kan nog veel meer gezegd worden van Red apples, dat vaak door
Cat Power tijdens haar optredens gecoverd wordt. De spaarzaam geplaatste toetsen piano en de aarzelende zang markeren heel goed het key-gebeuren dat beschreven wordt en de lyrics zijn van een betoverende pracht. En zoals sommige van de lezers intussen al weten, betekent dit vooral dat Callahan er hier heel mooi in slaagt het pijnlijke falen, de kiem van mislukking die al vervat zit in de start, goed te vatten : "She wanted nothing in return / I gave her nothing in return". Dat het hoofdpersonage niet bepaald overloopt van zelfvertrouwen, blijkt ook uit I was a stranger en To be of use. Het loopt dan ook (voorspelbaar) fout in de titelsong : "The widow says / it's hard to live / with a man / a man like me/ the widow says / it's hard to live / on the lonely version of love I give".
To be of use
was trouwens zo mogelijk nog voorzichtiger dan Red apples, en dat wil wat zeggen... Het nummer klinkt muzikaal bedrieglijk simpel, alsof zelfs ik het zou kunnen spelen op mijn gitaar... (tot de pedal steel op de proppen komt, het een melancholische alt.country-toets geeft en het geluid iets gevulder wordt). Single Ex-con is een aanstekelijke deun, die zo tussen het fijnste van
The Folk Implosion en Guided By Voices mag. Inspirational slaat verder de alt.country- en americanaweg in, met een prachtig treurende pedal steel, en de tekst zou inderdaad een inspiratie kunnen zijn voor wie vastzit in een uitzichtloze relatie...
Afsluiter Finer days ademt berusting uit, en het hoofdpersonage geeft zelfs alle moed op een verbetering van het lot op : "I could extend them a hand / but they would only pull it off / ... / and so I find myslef / isolated / isolated in these fine fine days". Ook muzikaal klinkt de berusting door, met alweer zeer minimaal aangebrachte gitaarakkoorden, die meestal zachtjes op de achtergrond blijven.

Wanneer de laatste noten weggestorven zijn, blijft enkel nog de zachte, melancholische herinnering,... én -gelukkig!- de repeat-knop.
Een andere, prachtige (Engelstalige) bespreking waarin elk liedje apart onder de loep wordt genomen (op een onnavolgbare wijze) vind je hier.

07 april 2012

De hoes (3)


Eenvoud siert. Dat zegt het spreekwoord. Less is more. Het is een veelgehoord credo in muziekmiddens (weliswaar niet bij Muse-, Arcade Fire- en vooral Queenfans). En soms gaat het ook heel erg op voor platenhoezen.
En dat brengt ons meteen bij de selectie van deze keer: een bruine achtergrond, met een wat slordig getekend kadertje met krulletjes, een bijl zoals we die meteen uit indianenverhalen en -films herkennen en de naam van de groep in het lettertype van een oude typmachine. Toen ik dit album zag, wist ik meteen al dat de muziek niet kon tegenvallen. Zoiets voel je gewoon...
Tomahawk is de groep rond Mike Patton, die met Faith No More intussen al erg succesrijk was geworden en zich aan allerlei zij- en nevenprojecten waagde, waarvan sommige erg experimenteel blijken. In 2001 bracht Tomahawk het gelijknamig debuut uit.
Pas in Sweet smell of success hoor je onmiskenbaar dat het de zanger van Faith No More betreft: dan zingt hij alsof hij een kilometer van de microfoon verwijderd staat, en zo kenden we hem ook al in meerdere nummers op Angel dust. Het is overigens geen enkel probleem dat hij voordien niet instant herkenbaar klinkt. Het leidt niet af van de essentie van elke plaat: de muziek. Wanneer een beroemde artiest zich aan iets anders waagt, ga je anders toch vooral op zoek naar die magic touch, en verlies je soms het overzicht over het geheel van de plaat. Opvallend is de grotere variatie op dit album dan we gewend zijn van Faith No More. Hoewel de plaat toch wel een consistent geheel vormt, zijn de nummers niet voor één gat te vangen. En het leek erop alsof het opereren buiten Faith No More erg bevrijdend werkte. Je hoort muzikanten die zich amuseren, die zich niets aantrekken van grenzen van stijlen en genres, en die samen goeie muziek maken.
De vormgeving is niet alleen op de hoes aantrekkelijk. Zowel binnenin als op de achterzijde krijgen we mooi artwork gepresenteerd van Lynd Ward, die in zwart-witte etsen dreiging en ontzag weet uit te drukken.


Hier de binnenhoezen en de achterflap, alsook de CD zelf :

25 februari 2012

De hoes (2)


Een sepia kaardebol in kikvorsperspectief, in een kadrering die de geur van motteballen en oma's zolder oproept, siert de hoes van Fixed water van Sophia. Het was in 1996 mijn toevallige kennismaking met muziek zoals die vandaag de playlist van het onvolprezen Duyster vult. Sophia bleek de band van Robin Proper-Sheppard, die voorheen al enig cultsucces kende met The God Machine, van wie ik ook al vrijwel enkel op basis van de platenhoes Scenes from the second storey had gekocht. Ik denk niet dat ik toen de verbinding heb gelegd tussen beide groepen, want anders was ik wellicht geen klein beetje verrast geweest.
De muziek van Sophia staat immers mijlenver van The God Machine. Ze bleek wel erg passend bij wat ik al meermaals had meegemaakt. Erg gelukkig was ik nog niet geweest in de liefde (al had ik al een langere relatie achter de rug). Meestal had ik gesmacht naar meisjes die onbereikbaar bleken, wat overigens het verlangen en zinloos hopen niet verminderde. Tijdens mijn studiejaren was een hele wereld opengegaan, die oneindig veel verder reikte dan mijn vakgebied. Maar zelf was ik nog onvolwassen en wist ik dat alles nog onvoldoende een plaats te geven. Hoewel ik al 25 was toen, had ik het gevoel nog maar pas de schade van wat ik gemist had in mijn puberteit, in te halen. Sluimerend onder mijn broeierige, hongerige ziel en mijn hang naar het ontdekken van de wereld, bleef een gevoel van fundamentele eenzaamheid de grondtoon van mijn leven bepalen.
So slow, Are you happy now en Another friend ("I think I lost another friend today / He says he's gotta go but he'd like to stay / Is it because we don't see life the same way / Maybe I should lie and say / Everything's ok") vormen stuk voor stuk perfecte soundtracks bij die grondtoon. Of zelfs nog maar het begin van het album, met Is it any wonder: rustige muziek en dan "This world is full of dreamers, and this world is full of deceivers". De toon was meteen gezet : "Is it any wonder that love has no meaning to me?".
Vreemd genoeg (of voor velen wellicht nét heel herkenbaar) putte ik al altijd troost uit muziek die tristesse, melancholie, eenzaamheid, pijn,... verklankt. Voor mij wordt daarmee de vraag die het hoofdpersonage zich stelt in High fidelity van Nick Hornby ("Luisteren we naar verdrietige muziek omdat we verdrietig zijn, of zijn we verdrietig omdat we naar verdrietige muziek luisteren?") ondubbelzinnig beantwoord.

Uit dit album : When you're sad (mp3)

04 januari 2012

De hoes (1)

Soms, zo beken ik, koop (of kocht) ik platen of CD's eigenlijk vrijwel louter op basis van een intrigerende hoes. Dat overkomt me intussen steeds minder vaak, omdat ik intussen meer muziek ken, en meer verbanden, en daar vaak minstens ook een reden in te vinden is waarom ik voor een bepaalde plaat kies, maar toch... In de bib bijvoorbeeld gebeurt het wel nog eens, dat ik iets "probeer" en uitleen, omdat de hoes me aanspreekt...
In deze nieuwe blogreeks wil ik alvast enkele albums voorstellen die zo ooit in mijn platen- dan wel CD-kast terechtkwamen, en waarvan ik (meestal) achteraf geen spijt had.


Down River, Up Stream! van David Shea en DJ Grazhoppa is zo'n plaat, die ik op vinyl kocht in 1996. Wie David Shea was, wist ik toen nog niet, en DJ Grazhoppa was niet meer dan een naam die ik al eens hier en daar had gezien, zonder er een noot muziek op te kunnen plakken. Vaag wist ik dat hij uit Gent of Brussel afkomstig moest zijn, en dat hij iets te maken had met hip-hop, maar niet de traditionele hip-hop die ik toen kende.
Het nachtelijk groen (ik kan de tint niet anders omschrijven) sprak me enorm aan, en op basis daarvan verwachtte ik muziek voor nachtelijke rondritten in de auto, door een (half)verlaten stad, een soort stadsblues die op zich weinig nog te maken heeft met het muziekgenre blues, maar alles met de state of mind die ik blues toedicht.
Het album begint met het erg korte HuM HuM HuM, en meteen daarna kreeg ik alvast wat ik op basis van de hoes had verwacht : een soort geluidscollage van bijna 7 minuten lang, met geluiden van gebroken glas, gesprekken,... tot er pas na 3 en een halve minuut ook effectief muziek bijkomt. Dramarama (zo heet de track) werd zo mijn eerste echte kennismaking met abstracte hip-hop, en er zijn ergere kennismakingen mogelijk, dat kan ik u verzekeren...
Het tempo wordt opgevoerd in Anytime pt 1, het gescratch haalt de bovenhand en intussen zitten we al helemaal ín het album. Ik weet niet of ik toen DJ Krush eigenlijk al kende (ik vermoed van niet), maar bij beluisteringen vandaag moet ik steeds onwillekeurig aan de Japanner denken. Ook hij maakt een soort fusion van hip-hop en jazz, en in een nummer als Blue trunk vloeit dat alles in elkaar over, overgoten met een sausje soundtrack, want door de samples die ertussen gegooid worden, doemen beelden van film noir op. Ook Tired start erg jazzy, je hoort in het gekraak regendruppels in een donkere straat en waant je in een knusse, ouderwetse bioscoop (zelfs al duurt dit nummer nog geen minuut).
Het zijn de extra geluidjes in elke song die de nachtelijke sfeer van de plaat zo intens maken, en de luisterervaring zo bijzonder. Ook wanneer TLP in No go begint te rappen over de spaarzaam aangebrachte scratches, drumpatronen en samples, blijft de indruk dat deze plaat opgenomen is in de late uren wanneer de studio leeg stond en de artiesten dan maar wat aan de slag mochten omdat een conciërge of een nachtwaker duurder zouden uitvallen...
Old note 24-7 kenmerkt ineens een andere, dreigender sfeer, omdat alvast met een indringende, lage toon gestart wordt. De eroverheen gedrapeerde sample maakt die minuut niet minder intens, ondanks het contrast tussen de basistoon en de stem. Een diepe (contra?)bas in Tasty cake houdt die spanning nog even aan.
Met Twitch wordt opnieuw een andere richting ingeslagen. Het lijkt wat doelloos experimenteren met allerlei geluidjes, maar ergens halverwege de 5 minuten die dit nummer nodig heeft, worden documentaire beelden over kikkers in poelen ('s nachts, uiteraard) vervangen door meer industriële beelden, wanneer iemand in de verte op metalen buizen lijkt te kloppen.
Na het minder geslaagde Morning jacks krijgen we opnieuw een erg minimalistische aanpak in het titelnummer, waarin een trillende elastiek (no kidding!) de hoofdrol schijnt op te eisen. In station (dat inderdaad klinkt als een verlaten station) en het met samples gevulde Any time pt 2 vervolledigen de sfeer, tot met afsluiter 16 RPM plots drum 'n bass op ons losgelaten wordt. Het is een atypische afsluiter, die met geen enkel nummer op de plaat verwantschap bezit, en daardoor wat verloren staat op dit album, al is het zeker geen slechte track. We hadden dit echter liever in een andere context gehoord, want nu staat hij toch als een tang op een varken...
U merkte het al, de sfeer en verwachtingen opgeroepen door de hoes, werden moeiteloos ingelost, want deze plaat is méér nacht dan menige nacht zelf, en stedelijker dan de meeste platen die ik ken.
Stadsblues avant la lettre dus...