Dode kamer - Erik Spinoy
Poëzie, zo zei een leraar Nederlands uit het middelbaar ooit, is de
kunst om met zo weinig mogelijk woorden zoveel mogelijk te zeggen. Daar
moest ik vaak aan denken bij deze bundel gedichten van Erik Spinoy.
Vooral in het eerste en derde deel ervan staan veel gedichten die je
volle concentratie vereisen omdat elke zin en bijna letterlijk elk woord
meerdere betekenissen tegelijk gebruikt om in het korte bestek van het
gedicht toch zoveel mogelijk te delen. In het eerste deel gaat het
vooral over het verblijf in een exotisch, niet-gespecifieerd land en in
het derde deel schetst Pinoy herinneringen uit zijn kindertijd.
In
het tweede deel van de bundel staan dan weer de gedichten die hij maakte
bij de kunstwerken (ik vermoed video-installaties) van de Belgische Ann Veronica Janssens. Een tijdlang waren kunstwerken én gedichten samen te
zien op een website die nu helaas niet meer bestaat. Doordat je niet
meer kan zien waar de gedichten bijhoren en/of een reactie op waren, mis
je natuurlijk de helft van het plezier. Ik las wel ergens in een oude
recensie van deze bundel (die uitgebracht werd in 2011) dat de gedichten
heel beschrijvend zijn, maar toch...
Ik lees niet zo vaak poëzie (al
nam ik mij intussen voor dat meer te gaan doen) dus een echt goed
gefundeerde en door kennis gespekte mening pretendeer ik niet te hebben,
maar het belangrijkste is dat ik alvast van deze verzameling gedichten
genoten heb.
Wat we kunnen weten - Ian McEwan
Ik lees zelden recensies van boeken die ik van plan ben te lezen, dus
wellicht was mijn beeld vooraf sowieso onvolledig. Wat we kunnen weten van Ian McEwan werd in de berichtjes (vooral op sociale media) die me
toch bereikten, vooreerst neergezet als een roman over de
klimaatverandering. In het boek dat zich over iets meer dan 100 jaar
afspeelt, kijken we over de schouder van het hoofdpersonage mee naar de
gebeurtenissen en rampen die ons sinds pakweg 2025 overkomen ten gevolge
van (o.a.) de klimaatverandering (die in de toekomst aangeduid wordt
als De Ontwrichting).
Dat aspect blijkt uiteindelijk een niet
onbelangrijk maar relatief klein deel te zijn van het verhaal en dit
boek gaat in de eerste plaats over menselijke relaties, over schaamte,
over wat liefde is,... Het gaat ook over overleven, maar dan niet zozeer
in de betekenis van rampen overleven, maar van het dagelijks overleven
in de omstandigheden waarin je terechtkomt door al dan niet bewuste
keuzes én door toeval. Terloops worden allerlei onderwerpen aangereikt
en lezen we er verstandige dingen over (zoals over sociale media,
waarvan men zich in deze fictieve toekomst afvraagt hoe we ooit zo stom
konden zijn die over te laten aan commerciële bedrijven in plaats van
aan overheden die de publieke belangen voorop horen te stellen).
Het
boek valt uiteen in twee delen: in het eerste deel volgen we
literatuurhistoricus Thomas Metcalfe die in het midden van de
tweeëntwintigste eeuw probeert het beroemde maar nooit teruggevonden
gedicht (sonnetenkrans eigenlijk) Een lauwerkrans voor Vivien terug te
vinden. In deel twee lezen we de tekst die hij uiteindelijk vindt bij
die queeste.
Zoals ik onlangs nog tegen iemand zei: Ian McEwan stelt
nooit teleur, je weet dat het een goed boek zal zijn. En dat is deze
roman dus ook: het is een grootse roman die doet wat grootse literatuur
doet. Hij zet je aan het denken over universele waarheden en hun
betekenis voor je eigen leven.


































