Posts tonen met het label werk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label werk. Alle posts tonen

09 oktober 2019

Gelezen (124)

Gekkenpraat - Willem Frederik Hermans



Deze verzameling kortverhalen, gedichten en essays van Willem Frederik Hermans kon mij niet volledig bekoren. De kortverhalen verdwaalden soms en ik blijf een beetje op mijn honger achter. Onder de gedichten zaten er die ik wel kon smaken, andere bleven te hermetisch voor mij. Vooral genoten heb ik van de essays, over literatuur. Hoewel ik soms over het onderwerp niets tot weinig afwist (zoals over de schrijver Milosz), zijn ze zo mooi en wervend geschreven dat ik vrijwel meteen zin krijgt om de werken waarover het gaat op mijn to-read-lijstje te zetten.


Wees onzichtbaar - Murat Isik



Murat Isik weet in deze semi-autobiografische coming-of-ageroman zo treffend de sfeer te vatten van de jaren tachtig in Nederland (meer bepaald in de Bijlmer in Amsterdam) dat nostalgie voortdurend op mij losgelaten werd. De vele details brachten herinneringen terug, al woonde ik altijd in het Vlaamse Gent (maar we hadden iets met Nederland, met onze vele gezinsuitstapjes naar Terneuzen, Hulst en Axel). Dit is een prachtig boek dat zo vlot leest dat je erdoorheen vliegt als een wervelwind.


Het is de liefde die we niet begrijpen - Bart Moeyaert



Ik heb dit boek van Bart Moeyaert nog eens herlezen en vond het nog steeds even mooi. Wat hij een taal te hanteren die zo onpretentieus klinkt en toch alle wijsheid (die zich soms ook in de gezinnen bevindt waarover hij schrijft) bevat, die zo mooi en strelend en lief is, dat je de ergste verhalen in je opneemt zonder weerstand, die zo treffend de eenvoudigste woorden de meest kernachtige waarheden laat vertellen, dat je twijfelt of het wel degelijk proza is of toch niet poëzie.
In dit boek vertelt hij over het soort gezin dat ik uit mijn werk (in de bijzondere jeugdzorg en in het overlappend gebied tussen gehandicaptenzorg -voor mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking- en diezelfde bijzondere jeugdzorg) zo goed heb leren kennen. En hij leert ons meer dan welk handboek ook kan leren, zoals goede kunst altijd méér leert over het leven dan alle handboeken samen.



De pinguïnlessen - Tom Michell



Tom Michell vertelt in dit verhaal hoe hij bevriend raakte met een pinguïn tijdens zijn verblijf in Zuid-Amerika (meer bepaald Argentinië). Dat levert een leuk en mooi verhaal op, dat ook een beetje doorspekt wordt met levenslessen en beschouwingen over de verhouding tussen mens en milieu. Ik vond dit best wel een onderhoudend boek.


Vastgelopen. Anders kijken naar begeleiding met mensen met een verstandelijke handicap met ernstige gedragsproblemen - Jacques Heijkoop




Jacques Heijkoop licht in dit boek toe wat velen al "de methode Heijkoop" zijn gaan noemen, een manier om anders te kijken naar probleemgedrag bij mensen met een verstandelijke beperking. Dat gebeurt niet altijd even vlot leesbaar en is soms niet zo eenvoudig, en dus zullen sommige stukken moeten herlezen worden om goed begrepen te worden. Voor mij ligt de belangrijkste bijdrage in de aandacht die geschonken wordt aan de pogingen van de cliënt om zelf controle te verwerven, ook over het probleemgedrag, en hoe je daar als begeleider mee aan de slag kan.

06 november 2018

Gelezen (116)

Wederzijdse emotionele beschikbaarheid. Mensen met een verstandelijke beperking, hun context en begeleiders samen op weg - Erik De Belie en Geert Van Hove




Dit is een heel interessant en nuttig boek waarin Erik De Belie samen met enkele andere auteurs handvaten aanreikt vanuit het idee van "wederzijdse emotionele beschikbaarheid" om als begeleider in contact te komen met wat er bij jezelf gebeurt en hoe je dit kan aanwenden in de begeleiding met mensen van met een verstandelijke beperking. Ik moet het boek nog even laten bezinken om de invloed in mijn eigen werk en de toepasbaarheid ervan ook effectief te vertalen naar mijn werksituatie.



De donkere kamer van Damokles - Frederik Willem Hermans



Dit boek van Willem Frederik Hermans speelt zich af in Nederland tijdens de tweede wereldoorlog, wanneer Henri Osewoudt een beetje stommelings via een dubbelganger betrokken raakt bij het verzet tegen de Duitsers. In het eerste deel van het boek deed het me sterk denken aan "De aanslag" van Harry Mulisch. Maar niets blijkt wat het lijkt wanneer Osewoudt gevangen genomen wordt in bevrijd Nederland en zijn rol heel erg ter discussie staat. Al zijn daden vallen in beide richtingen uit te leggen en het individu blijkt, los van wat de waarheid dan wel moge zijn, niet in staat zich te verzetten tegen een veel grotere macht van het perspectief, die elke daad in een bepaald daglicht plaatst. De wending die het verhaal neemt, mag dan enigszins verrassen, het is natuurlijk een concretisatie door de auteur van het abstractere idee dat daden beoordeeld worden in een context en er eigenlijk niet los van kunnen gezien, laat staan begrepen worden.



Behzat Ç. Sporen in Ankara - Emrah Serbes





In dit politieverhaal schetst Emrah Serbes een beeld van een hoofdcommissaris op het Bureau Moordzaken in Ankara die de zaak moet oplossen van een zelfmoord waar heel wat meer achter blijkt te schuilen. Ik merkte bij het lezen dat mijn zeer beperkte kennis van de context (Ankara, Turkije, de politieke toestand aldaar,...) het niet altijd makkelijk maakte om goed alles te volgen en wie die kennis heeft, haalt wellicht nog meer uit dit boek, maar zelfs zonder is het dus meer dan de moeite waard. Je wordt even ondergedompeld in een heel andere wereld maar Serbes weet die toch heel goed te evoceren. Dit is echt een heel goed boek.

Krimp - Justine le Clercq


Soms zijn dagen die iets markeren (verjaardagen, feestdagen,...) de triggers voor wat in mensen al lang ligt te sluimeren: onverwerkt verleden, gevoelens van verdriet, kwaadheid of teleurstelling,... Heel soms leidt dat zelfs tot daden, in extreme gevallen tot drastische daden. Zo is het ook in dit boek van Justine le Clercq, een Nederlandse schrijfster die hier het verhaal vertelt van de relatie tussen een dochter en haar 80-jarige vader. Diens verjaardag is de aanzet tot reflecties over en herinneringen aan een jeugd die rauwer, harder,... blijkt dan het succesvolle heden zou laten vermoeden.
De schrijfster slaagt erin die pijn en die manco's in de verbinding tussen vader en dochter heel scherp bloot te leggen. De duidelijke schrijfstijl, waarin amper een woord of zin teveel neergepend wordt, benadrukt hoe open de wonden zijn, laat de lezer meevoelen omdat je er gewoon niet aan kunt ontsnappen.

17 maart 2018

Gelezen (112)

Het puberende brein - Eveline Crone


In dit boek brengt Eveline Crone op niet al te ingewikkelde manier de kennis bij elkaar die er was (in 2008) over de invloed van de ontwikkeling van de hersenen op pubergedrag. Het is een interessant boek dat inzicht verschaft in een aantal typische problemen maar ook kansen van de puberteit/adolescentie, verklaard door hun hersenontwikkeling. Ik heb alvast enkele nieuwe dingen bijgeleerd die me zeker kunnen helpen in mijn werk met jongeren. 

De consequenties -Niña Weijers



Niña Weijers weet in De consequenties de verschillende verhaallijnen mooi uit te werken. Die zijn betoverend, meeslepend en erg fascinerend. Alleen vind ik het jammer dat op het einde het samenbrengen toch niet is wat ik na zo'n heerlijk boek had verwacht. Het einde valt me dus wat tegen, maar de schrijfstijl, de opbouw van bijna het hele boek en de interessante personages maken dit boek het lezen meer dan de moeite waard.

Negroland. Een autobiografie - Margo Jefferson


Margo Jefferson kijkt in deze autobiografie terug op haar leven als bevoorrechte zwarte vrouw. Ze maakte deel uit van de zwarte elite toen ze in Chicago opgroeide in de jaren vijftig en zestig, gewrongen tussen het onrecht dat haar ras (zeker toen) werd aangedaan en de privileges van de gegoede burgerij waartoe haar gezin behoorde. Ze beschrijft hoe ze zich ondanks haar luxeleven toch telkens geconfronteerd voelde met de raciale vooroordelen en scheidingen die bestonden (en nog steeds bestaan) in de VS en hoe ze opgelegd kreeg om haar best te doen, enerzijds om dichter bij de blanken te komen in aanzien en in rechten en anderzijds om een voorbeeldfunctie voor haar eigen ras op te nemen. Die onmogelijke spreidstand wordt grondig geanalyseerd in dit boek en daarbovenop komt ook nog de strijd voor vrouwenrechten en het opkomend feminisme. De schrijfster weet heel mooi gestalte te geven aan haar eigen worsteling, maar trekt het ook breder naar familie, kennissen en uiteindelijk het hele ras. Ze maakt een goed onderbouwde, gedegen historische en politieke analyse die nooit de verbinding met het persoonlijke verliest.

07 september 2017

Gelezen (100), deel 4: persoonlijke bedekingen (slot)

Institutionalisering van een pedagogische paradox. 
Sociaal-pedagogische benadering van de geschiedenis van de jeugdzorg vanaf de Belgische onafhankelijkheid tot aan het decreet Integrale Jeugdhulp van 12 juli 2013 – Karel De Vos


Tot slot leert het boek dat al ten tijde van de experimenten in Mons en Dendermonde interessante pogingen gedaan zijn om de minderjarige ondanks die objectiveringstendens toch weer meer als participerend subject binnen te halen in de praktijk van de hulpverlening. In die experimenten werd uitgegaan van de stelling dat problematisch gedrag eerder als een intersubjectief gebeuren dient gezien te worden en niet zozeer als een intrapersoonlijke dynamiek. Dat leidde tot een praktijk die sterk participatief en emanciperend werd omdat de hulpvrager gezien werd als een deelnemer aan de intersubjectieve constructie van de probleemdefinitie. Karel De Vos stelt in dit boek duidelijk dat zelfs 40 jaar na datum uit de resultaten van de experimenten duidelijk te concluderen valt dat het van binnenuit mogelijk is een pedagogiek te ontwikkelen die verder gaat dan eenzijdige socialisering. Gezien emancipatie minstens in woorden nog steeds als een belangrijk doel gezien wordt van hulpverlening, kan het voor hulpverleners van vandaag bijzonder interessant zijn om terug te kijken naar hoe die praktijk zich ontwikkelde en welke methodieken ontstonden en op welke manier die opnieuw vanonder het stof kunnen gehaald worden.
Helaas zal dit op zich misschien niet langer voldoende zijn. Ten tijde van de experimenten beperkte de overheid zich immers nogal strikt tot de technische regeling van de subsidieerbaarheid en hield zij zich niet bezig met kwaliteitseisen of de pedagogie van de private voorzieningen. Tegenwoordig echter is dat laatste in naam nog steeds niet het geval (bij inspectief mag niet gekeken worden naar de inhoud, maar wel naar de procedures) maar het mag duidelijk zijn dat de striktere regelgeving met betrekking tot kwaliteitseisen en tot diagnostiek als objectiverende methode om de toegang te regelen, in wezen een niet geringe impact heeft op de pedagogiek van de voorzieningen. Bovendien is er de opdracht aan alle actoren om vorm te geven aan de vermaatschappelijking van de zorg, ook al een dwingende maatregel die de pedagogiek stuurt. Opnieuw ligt hier volgens mij een belangrijke taak weggelegd voor hulpverleners om actief de regelgeving trachten te beïnvloeden zodat er ruimte komt om tot een meer participatieve, emanciperende en intersubjectieve pedagogiek te komen. Zoals reeds aangegeven in mijn kritische bespreking van de tendens tot objectivering, staat deze de mogelijkheid in de weg om als minderjarige of als gezin mee het probleem te definiëren, terwijl de praktijk van de menswetenschappen en de hulpverlening duidelijk aantonen dat de zogenaamde diagnostische fase al veranderingen teweegbrengt. Dit idee is zeer sterk uitgewerkt in de systeemtheoretische benadering die in de praktijk van de BJB net een steeds sterke voedingsbodem en een grotere toepassing vond de afgelopen decennia.
Er blijkt immers in de praktijk een grote nood om een pedagogiek verder te kunnen ontwikkelen waarbinnen ook de relatie tussen hulpvrager en hulpverlener een integraal deel uitmaakt van de inhoud van de interventies. De regelgeving staat dit echter op diverse manieren in de weg, onder meer vanuit een maatschappelijke tendens tot vergrote controle. Er leeft maatschappelijk heel sterk het idee dat men dient te verantwoorden wat men doet (met de ter beschikking gestelde middelen). De wetgever ziet zich daarbij genoodzaakt dit te reduceren tot meetbare en dus gesimplifieerde modellen en tot reducationische ingrepen in diagnostiek, protocollisering van behandelingen,... en deze reductionistische tendens beknot dan ook sterk de pedagogiek, onder meer in haar streven tot participatie van de cliënten en emancipatie.

Misschien ligt de grootste verdienste van dit boek wel hierin dat Karel De Vos erin slaagt de lezer te overtuigen van het belang van historisch onderzoek voor de hedendaagse praktijk. Regelgeving is voor vele hulpverleners noch hun voornaamste zorg noch hun sterkte en de auteur wijst er tussen de regels op dat een goede kennis van de regelgeving, maar nog meer van de onderliggende ideologieën, paradigma's, (veronder)stellingen en dominante principes. Het is mijn diepste overtuiging dat hulpverleners zich niet enkel dienen bezig te houden met de hulpverlening zelf, maar dat zij hun signaalfunctie ernstig dienen te nemen. Daaruit besluit ik voor mezelf dat het naast een goede kennis van de door de auteur in dit boek blootgelegde onderliggende ideeën, ook van het grootste belang is om vanuit onze praktijk de wetgever te blijven wijzen op de beperkingen en moeilijkheden die door de regelgeving zelf in de hand worden gewerkt. De discussie die in het werkveld en in de academische wereld gevoerd worden binnen ons vakgebied, moeten we ook durven op tafel leggen bij de wetgever, die zich onvoldoende bewust is en over onvoldoende expertise beschikt van de consequenties van de uitkomst ervan. Dit boek heeft mij in die overtuiging enkel maar gesterkt en biedt alvast een heel stevige aanzet daartoe binnen dit ene specifieke domein.

Deze boekbespreking zal in zijn geheel gepubliceerd worden in het eerstvolgende nummer van het Vlaams Tijdschrift voor Orthopedagogiek, het tijdschrift van de Vlaamse Vereniging van Orthopedagogen (VVO), dat eind september verschijnt.

06 september 2017

Gelezen (100), deel 3: persoonlijke bedenkingen m.b.t. premie voor het delict

Institutionalisering van een pedagogische paradox. 
Sociaal-pedagogische benadering van de geschiedenis van de jeugdzorg vanaf de Belgische onafhankelijkheid tot aan het decreet Integrale Jeugdhulp van 12 juli 2013 – Karel De Vos

 
In dit boek illustreert de auteur heel goed hoe al heel vroeg in de institutionalisering van de kinder- en jeugdbescherming en -zorg de premie voor het delict als onderliggend paradigma binnensloop en bij elke hervorming telkens opnieuw bevestigd en nog steviger verankerd werd. Deze premie voor het delict houdt een redenering in waarbij men in feite het recht op bescherming, hulp of ondersteuning afhankelijk maakt van een delict of een dreiging voor de maatschappij (of ruimer tegenwoordig van de aanwezigheid van een stoornis bij de minderjarige zelf). De maatschappij dient in gevaar te zijn eer men recht heeft op hulp. Terwijl allerlei internationale verklaringen en verdragen inzake rechten van mensen en van specifieke groepen (kinderen, mensen met een handicap) sterk hameren op gelijke rechten tot toegang tot hulp voor iedereen, zien we dat de regelgeving de praktijk toch blijft sturen in de richting van selectiemechanismen die dit recht beperken.
In de Integrale Jeugdhulp blijkt dit niet minder dan voorheen het geval, integendeel. Dat is op zich al verontrustend in een samenleving waarin rechten (en plichten) van groot belang zijn in vele ideologische discussies, maar nog kwalijker is dat in de organisatie van de Integrale Jeugdhulp door middel van de hierboven besproken objectiverende probleemdefiniëring het recht op toegang tot hulp de facto gewijzigd werd naar een recht tot toegang tot de wachtlijst voor hulp. Men krijgt nu door middel van het delict (in de ruime betekenis inclusief stoornis of bedreiging van de maatschappelijke orde) enkel toegang tot de verdere procedure die KAN leiden tot hulpverlening of ondersteuning. Bovendien zit in de tendens tot “vermaatschappelijking van de zorg” niet langer verhuld de wens niet langer publiek, openbaar en dus in solidariteit de kosten daarvoor te dragen, door het terugbrengen van gesubsidieerde ondersteuning tot het strikte minimum en het zoveel mogelijk binnen de reguliere en in steeds groter wordende door de markt bepaalde structuren te brengen, waar men zelf in dient te staan voor de financiering van de gevraagde/gewenste hulp. Dit wordt onder meer zichtbaar in de steeds beperktere rol van diensten als Sociale Dienst bij de Jeugdrechtbank (Jongerenwelzijn) en OCJ (ter vervanging van het CBJ, met een veel beperktere opdracht) en hun tendens om net zoals Diensten Ondersteuningsplan binnen de hulpverlening aan meerderjarigen met een beperking, in de eerste plaats te zoeken naar oplossingen buiten het gesubsidieerde en dus door solidariteit gefinancierde circuit. Er wordt daarbij amper nog moeite gedaan om te verhullen dat doelstellingen als “plaatsingen verminderen” (een oud zeer binnen de BJB) eigenlijk vooral besparingsoperaties zijn.
Dat de premie voor het delict-logica tegenwoordig inhoudt dat die premie enkel nog bestaat uit toegang tot de procedure die tot hulp kan leiden, is des te kwalijker omdat ze ten gronde de rechten van kinderen en van personen met een handicap ondergraaft. Het is geen wonder dat de overheid zich beperkt tot doelstellingen (in b.v. Perspectief 2020) die het recht op hulp definiëren als “degene die het meest nodig heeft, zal voorrang krijgen”. De manier waarop men die hogere nood echter wil definiëren, kan zondermeer problematisch genoemd worden.

Morgen leest u hier in het laatste deel mijn persoonlijke bedenkingen met betrekking tot de mogelijkheden tot participatie van de minderjarige alsook mijn algemeen besluit. Deze boekbespreking zal in zijn geheel gepubliceerd worden in het eerstvolgende nummer van het Vlaams Tijdschrift voor Orthopedagogiek, het tijdschrift van de Vlaamse Vereniging van Orthopedagogen (VVO), dat eind september verschijnt.

05 september 2017

Gelezen (100), deel 2: persoonlijke bedekingen m.b.t. de objectiveringstendens

Institutionalisering van een pedagogische paradox. 
Sociaal-pedagogische benadering van de geschiedenis van de jeugdzorg vanaf de Belgische onafhankelijkheid tot aan het decreet Integrale Jeugdhulp van 12 juli 2013 – Karel De Vos
 


De waarde van het historisch onderzoek wordt zowel in de inleiding van het boek als in het afsluitend hoofdstuk onderstreept, maar wat mij als hulpverlener werkzaam in de Integrale Jeugzorg (en daarbinnen de zorg voor minderjarigen met een beperking, want zo integraal en geïntegreerd is deze sector vooralsnog niet) vooral interesseert, is welke lessen ik daar voor de praktijk van mijn werk kan uit trekken. Het bestek van deze bespreking is te kort om op alle facetten die in het boek aan bod komen in te gaan, dus kies ik er voor om drie elementen grondiger te bespreken: de objectiveringstendens, de premie voor het delict en de mogelijkheden tot participatie van de minderjarige in de probleemdefiniëring.

Vooral in het hoofdstuk over de Integrale Jeugdhulp trekt de auteur zelf ook al behoorlijk van leer tegen wat hij noemt de voorstelling door professionals van de “objectiverende rationaliteit” als de wetenschappelijke fundering van de eigen activiteit. Ik begrijp dit als een kritiek dat de geprotocolleerde en zogenaamd objectieve diagnostiek en de introductie van kwaliteitseisen die uiteindelijk niets over inhoud maar alles over werkwijze zeggen, een gedeelde probleemdefiniëring in de weg staan. Daar kom ik later zeker nog op terug, maar hier wens ik in te zoomen op die zogenaamde objectivering. Er is al een hele tijd binnen de menswetenschappen een tegenbeweging aan het ontstaan die de “wetenschappelijke” en erg medische benadering van problemen als ziektes en stoornissen, aan de kaak stelt. Voornaamste onderwerp van discussie is de DSM, zowel in zijn inhoud als in de manier waarop die gehanteerd wordt als middel tot standardisering en protocollisering. Niet alleen de onafhankelijkheid ervan (in welke mate hebben farmaceutische bedrijven een invloed op de classificatie en “ontdekking” van nieuwe stoornissen?) wordt zwaar onder vuur genomen, ook het ont-subjectiveren van de “patiënt” of “cliënt” is een doorn in het oog van vooral psychologen en orthopedagogen, wier traditie op meerdere manieren vaak ook geworteld is in de psycho-analyse. Binnen die en andere gangbare benaderingen wordt veel aandacht geschonken aan hetgeen in de relatie tussen hulpvragen en hulpverlener gebeurt. Verder werk ik dit nog meer uit in verband met de mogelijkheden die er zijn om in participatie met de minderjarige en zijn gezin tot een probleemdefiniëring te komen. De hele discussie van de legitimiteit van een sterk DSM-georiënteerde diagnostiek mag dan in alle hevigheid woeden in het werkveld en in het academisch veld, de wetgever blijft hier vooralsnog compleet buitenstaan en schrijft zich kritiekloos (en veelal zonder kennis van zaken) in in de premisse dat de DSM de utieme objectivering betekent. Dit heeft trouwens ook grote implicaties met betrekking tot de toegang tot hulpverlening, wat ik in het deel omtrent premie voor het delict nog verder zal toelichten. 
Als professional met ervaring in zowel de bijzondere jeugdbijstand/zorg/bescherming (BJB) als de gehandicaptenzorg (Vlaams Fonds of VAPH als subsidiërende overheid) voor minderjarigen (en het buitengewoon onderwijs, een sector die raakvlakken met beide vertoont) kan ik mij overigens niet van de indruk ontdoen dat argumenten met betrekking tot verdeling van middelen en financiën (subsidiëring dus in de praktijk) een belangrijke rol spelen in deze absolute wil om tot een objectieve probleemdefiniëring te komen. Waar voorheen al tussen BJB en Vlaams Fonds een sterke tendens merkbaar was waarbij men “dossiers” wou doorschuiven zodat ze binnen een andere financiering zouden terechtkomen, heeft de organisatie van de Integrale Jeugdhulp deze tendens alleen maar versterkt, maar nu vooral tussen het “reguliere aanbod” en het “niet-rechtstreeks toegankelijk aanbod”. Daarbij wordt een aan- of afwezigheid van een stoornis IN de persoon van de minderjarige als criterium gehanteerd om iemand uit te sluiten van dit of een ander circuit van al dan niet gesubsidieerde ondersteuning. Waar echter in het werkveld de voorbije decennia duidelijk een verschuiving waar te nemen was in de manier waarop problemen gepercipieerd worden (niet zozeer als individuele, of althans niet uitsluitend, stoornissen maar als problemen in de interactie, niet los te denken van anderen en van de context, zelfs op macro-niveau), reduceert deze door de wetgever sterk opgelegde dwang tot objectivering probleemdefinities tot van interactie en context ontdane problemen. Het lijkt me een belangrijke taak van de hulpverleners om te blijven deze manifeste reductionistische tendens aan te klagen bij de wetgever. Hulpverlening die steeds sterker ingebed wordt in zulk een context en interactie uitsluitend model, kan immers haar praktijk, die net meer en meer gestoeld is op oog voor interacties en context op diverse niveaus, niet langer adequaat invullen.

Morgen leest u hier mijn persoonlijke bedenkingen rond de premie voor het delict, een ander aspect dat ik het boek aan bod komt. Deze boekbespreking zal in zijn geheel gepubliceerd worden in het eerstvolgende nummer van het Vlaams Tijdschrift voor Orthopedagogiek, het tijdschrift van de Vlaamse Vereniging van Orthopedagogen (VVO), dat eind september verschijnt.

04 september 2017

Gelezen (100), deel 1: waarover gaat het boek?

Institutionalisering van een pedagogische paradox. 
Sociaal-pedagogische benadering van de geschiedenis van de jeugdzorg vanaf de Belgische onafhankelijkheid tot aan het decreet Integrale Jeugdhulp van 12 juli 2013 – Karel De Vos

 
Meer nog dan een historische duiding van de evoluties binnen de (bijzondere) jeugdzorg te geven wil Karel De Vos in dit boek op zoek gaan naar de achterliggende sociaal-pedagogische visies en paradigma's die zowel regelgeving als praktijk vorm hebben gegeven. Daartoe keert hij terug naar de ontstaansgeschiedenis, die in dit boek samenvalt met de Belgische onafhankelijkheid in 1830. Hij bestrijkt de hele periode tot het decreet Integrale Jeugdhulp van 12 juli 2013. In vijf hoofdstukken, samenvallend met vijf onderscheiden periodes in wetgeving én praktijk, toont dat auteur de hardnekkigheid van sommige ideeën en sommige praktijken aan, zelfs in weerwil van diverse hervormingspogingen. Daarnaast zijn ook de bredere maatschappelijke veranderingen in België en Vlaanderen van grote invloed. Wat dat laatste betreft, treedt Karel De Vos zelfs een beetje in de voetsporen van maatschappijkritische psychiaters en psychologen zoals Dirk De Wachter en Paul Verhaeghe. Al dient wel opgemerkt te worden dat deze auteur milder is in zijn maatschappijkritiek, niet onlogisch gezien hij ook niet pretendeert daar verder op in te gaan. Verderop in dit stuk zullen we zien dat hij anderzijds durft de zwakke plekken te duiden van een systeem dat deels zijn doel voorbijschiet en er telkenmale in lijkt te slagen eigen vooropgestelde doelstellingen in de voet te schieten vanuit de achterliggende doch vaak niet-erkende premissen. Deze waren vaak al vanaf het begin aanwezig (1830 dus), De Vos toont daarbij voor de goede verstaander onder de lezers enigszins de weg die niet alleen wat voorheen de bijzondere jeugdzorg heette, maar ook belendende sectoren in de jeugdzorg (de zorg voor minderjarigen met een beperking bijvoorbeeld), kunnen inslaan als ze alsnog de doelstellingen van ware jeugdZORG willen waarmaken.

In het eerste hoofdstuk (vanaf de onafhankelijkheid tot aan de vooravond van de Wet op de Kinderbescherming van 1912) wordt het institutionaliseringsproces geduid van het ingrijpen in de opvoeding en wordt de pedagogische paradox waarvan sprake in de titel van het boek al meteen zichtbaar gemaakt. Hoewel opvoeding als een private aangelegenheid werd/wordt beschouwd, wordt een sociale constructie opgebouwd die publiek (door de overheid dus) ingrijpen in privé-materie moet rechtvaardigen. Dat was immers in de toenmalige samenleving waarin je vooral de katholieke en liberale politiek-ideologische stromingen had, allerminst evident. Zeker bij de burgerij, de leidende klasse in de nieuwgevormde staat, heerste (ook toen al) een dominante ideologie die de inmenging van de staat liefst zo beperkt mogelijk zag. De auteur toont het ontstaan aan van de theorie van het Sociaal Verweer waarin ideologisch wordt onderbouwd dat ingrijpen in de opvoeding een beschermingsmaatregel is voor de maatschappij, door beschermend op te treden t.a.v. het kind. Dat kind (tegenwoordig noemen we dit de minderjarige) wordt daarbij in eerste instantie geproblematiseerd en geculpabiliseerd. Het probleemkind komt als construct algauw te staan tegenover een langzaam ontstaand idee van wat later problematische opvoedingssituatie zal heten. In deze fase is het echter nog heel belangrijk dat men vanuit een strafrechterlijke benadering een crimineel feit als grond voor het ingrijpen hanteert.

De Wet op de Kinderbescherming zal vanaf 1912 tot 1965 in voege zijn en in het tweede hoofdstuk wordt dieper ingegaan op regelgeving en praktijk. Opvallend daarbij is dat een nieuwe rechtsmacht wordt ingesteld (de kinderrechter) en dat de publiek-private samenwerking wordt ingesteld en verankerd in de jeugdzorg. Die is trouwens tot op de dag van vandaag nog zichtbaar in een bestel waarin de overheid als subsidiërend optreedt en private voorzieningen de praktijk gestalte geven. De auteur wijst in dit hoofdstuk ook op problemen als de premie-voor-het-delict (pas wanneer een delict gepleegd wordt, krijgt men recht als kind op ondersteuning) en de plaatsing als eindstation. Doorheen het boek zal verder duidelijk blijken dat beide problemen ondanks hervormingspogingen in diverse verschijningsvormen zullen blijven opduiken tot heden ten dage.

In het derde hoofdstuk leren we hoe de Wet op de Kinderbescherming vervangen werd door de Wet op de Jeugdbescherming van 1965, op dat moment nog binnen de context van de eenheidsstaat België. Dat zal veranderen in 1985 bij de federalisering van belangrijke bevoegdheden m.b.t. Jeugdzorg, wat in een volgend hoofdstuk toegelicht wordt. De wet van 1965 onderscheidt in de interventies van wat nu de jeugdrechter heet naast gerechtelijke bescherming ook sociale bescherming. Er wordt daaraan een verschil tussen vrijwillige ondersteuning en ondersteuning onder dwang gekoppeld. Dit blijkt echter in de praktijk niet geheel onproblematisch. Omdat echter al gauw blijkt dat de problemen die men wenste op te lossen (en waarvan in het vorige hoofdstuk sprake), eerder bestendigd worden, gebeuren er in 2 arrondissementen (Mons en Dendermonde) experimenten die de jeugdbescherming op een andere leest willen schoeien. Helaas, zo wordt duidelijk beschreven, worden de interessante uitkomsten van die experimenten niet verder uitgewerkt. De auteur toont aan dat de crisis van de welvaartsstaat en de moeilijke voltooiing van een model van democratische welvaartsstaat in een periode van economische stagnatie hiervoor grotendeels (mede)verantwoordelijk zijn. Het hele hervormingsdebat dat hierop onstaat, wordt uit de doeken gedaan. We zien dat in deze periode ook de kinderrechten een plaats beginnen te krijgen en dat in de praktijk van onderuit hervormingen ontstaan in de manier van werken, met zelfs paradigmaverschuivingen die zich echter niet breder weten door te zetten.

Wanneer Vlaanderen (en aan de andere kant de Franstalige gemeenschap) bevoegd worden voor de meeste aspecten van jeugdbescherming, wordt dit vastgegoten in decreten. Daarbij doet de zogenaamde objectivering zijn verdere intrede, een beweging die al vanaf het begin aanwezig was in diverse verschijningsvormen. De wetenschap krijgt een belangrijkere plaats. Ontwikkelingen in de periode tussen 1985 en 2013 omhelzen onder meer de reconstructie van de schuldige jeugddelinquent (door de tweedeling problematische opvoedingssituatie en als misdrijf omschreven feit als aanleiding voor ingrijpen), een diversifiëring in het aanbod en de introductie van de rechtspositie van de minderjarige. Helaas betekent dit ook dat de pedagogische paradox verder geïnstitutionaliseerd wordt, ditmaal in de decreten.

Het vijfde hoofdstuk concentreert zich op de ontwikkeling van een zogeheten Integrale Jeugdhulp. Twee decreten (in 2004 en in 2013) bepalen het uitzicht hiervan. In dit hoofdstuk schuwt de auteur de kritiek niet op de zogenaamde objectivering van de grond tot ingrijpen (een wetenschappelijke benadering die alle problemen die als voornaamste kritiek op het DSM-denken gelden, in zich draagt), de moeilijke definiëring van recht op hulp die zelfs verandert in het recht op in aanmerking komen voor hulp, participatiethema's en vermaatschappelijking van de zorg als voornaamste doelstelling. Het maakt dit hoofdstuk meteen tot het meest indringende en meest urgente dat ook voor de hedendaagse hulpverlener het meest tot nadenken hoort te stemmen.
In een afsluitend hoofdstuk somt de auteur nog eens de krachtlijnen op die te voorschijn komen in dit historisch onderzoek. Net als in de vorige hoofdstukken illustreet dit de zeer gestructureerde aanpak, waarbij telkens voldoende oog is voor het samenvatten van de voornaamste besproken tendenzen. Het maakt dat dit boek heel goed te volgen is, ondanks de soms moeilijke inhoud voor hulpverleners. Immers, heel vaak is de juridische kant van hun werk niet hun grootste interesse en niet hun sterkte. Het strekt de auteur tot eer dat hij erin slaagt toch voldoende duidelijk deze aspecten te bespreken en hun belang te duiden.


Vanaf morgen kan u op deze blog mijn persoonlijke bedenkingen bij enkele aspecten in dit boek lezen. Deze boekbespreking zal in zijn geheel gepubliceerd worden in het eerstvolgende nummer van het Vlaams Tijdschrift voor Orthopedagogiek, het tijdschrift van de Vlaamse Vereniging van Orthopedagogen (VVO), dat eind september verschijnt.

30 december 2015

Gelezen (81)

In the country of men - Hisham Matar


Hisham Matar schreef dit semi-autobiografisch boek dat zich afspeelt in Libië ten tijde van kolonel Khadafi. De buurman en de vader van het hoofdpersonage, een jongetje nog, worden ervan verdacht betrokken te zijn bij de illegale oppositie. Het verhaal is een relaas van de spannende tijd tussen de arrestatie van de ene en de uiteindelijke vlucht naar Egypte voor het jongetje, door zijn ouders georganiseerd. Maar meer nog schetst het de moeilijke relatie tussen de jongen en zijn moeder enerzijds en tussen de jongen en zijn vader anderzijds. 

De draad tussen cliënt en begeleider: de emotionele ontwikkeling als inspiratiebron in de begeleiding van personen met een verstandelijke handicap - Gerrit Vignero


Het SEO-model is een belangrijk instrument in mijn werk en via Filip, met wie ik wat theorie hoop te ontwikkelen rond SEO en ASS, kwam ik bij Gerrit Vignero uit, die zich in dit boek focust op wat je als begeleider als antwoord kan bieden. Via de metafoor van de draad beschrijft hij hoe je doorheen de verschillende ontwikkelingsfasen een ander begeleidingsaanbod kan doen. Het boek is dan ook voor mij essentieel in het begrijpen van wat wij op ons werk doen voor de kinderen en jongeren die we begeleiden.
Twee minpuntjes moet ik toch aanhalen. Het gebruik van diverse metaforen voor deze begeleidingsstijlen (niet alleen de draad, maar ook een spoor/locomotief-metafoor en nog enkele andere) zou verhelderend moeten werken, maar wordt op den duur wat verwarrend voor mij. En tot slot had de eindredactie ook beter gemogen: enkele storende syntaxis- en spellingsfouten verminderen toch wat het leesplezier.

De rotskruiper - Nell Zink


Nell Zink is een Amerikaanse die in Duitsland leeft en haar debuut situeert ze ook voornamelijk bij onze oosterburen. Al bij al is het beschreven huwelijk tussen Tiffany, een Amerikaanse, en de wetenschapper Stephen. Oorspronkelijk gedreven door liefde voor het vogelspotten (de rotskruiper is een vogeltje dat een hoofdrol speelt in het begin van het boek), nemen ze uiteindelijk deel aan radicale acties van de milieubeweging. 
Het boek leest aangenaam weg maar soms doet Nell Zink iets teveel moeite om belezen over te komen en is het allemaal te geforceerde moeilijkdoenerij.

Het testament van Maria - Colm Tóibín


Colm Tóibín beschrijft het laatste jaar van Jezus vanuit het standpunt van Maria, zijn moeder. Zij ziet niet zozeer de Messias in hem, maar wel haar wat vreemde zoon, die zelf gaat geloven wat hij verkondigt door de invloed van zijn steeds groeiende entourage. Vooral het lijden van een moeder die haar zoon gruwelijk ziet sterven en daar niets kan aan doen, is goed uitgewerkt.

Aan de voet van de gletsjer - Halldór Laxness


In dit beroemdste boek van de IJslandse schrijver en Nobelprijswinnaar Halldór Laxness wordt een vertegenwoordiger van de bisschop naar de voet van de Snaefellsgletsjer. Hij moet er onderzoeken of de plaatselijke priester zijn plichten nog wel vervult en wat er aan is van de geruchten dat hij geen begrafenissen meer doet, maar dat een doodskist de gletsjer opgesleept werd. Hij dient daarvoor de plaatselijke bevolking en de priester zelf te interviewen. Het verhaal doet door de vreemde verhalen die verteld worden, wat magisch-realistisch aan en tot ver is het moeilijk om te snappen wat er nu eigenlijk gebeurt, tot alle puzzelstukjes op het eind toch mooi op hun plaats vallen.

19 mei 2013

Zorgregie

Naar aanleiding van de motivatie die de 6 gebruikers en familieleden van gebruikers publiceerden voor hun ontslag uit de Regionale Prioriteitencommissie Oost-Vlaanderen, kan ik alleen maar hopen dat er eindelijk aandacht komt voor wat het systeem van de prioriteiten in de toekenning van zorg voor personen met een handicap in essentie inhoudt.


Ik werk zelf ook in deze sector, en wordt dus (bijna) dagelijks geconfronteerd met wat dit inhoudt. En ik zie behalve wellicht ook goeie bedoelingen van de overheid, heel wat tegenspraak en heel wat onlogische kronkels in de concrete uitwerking.
Bedoeling van het systeem van de centrale wachtlijst is -behalve het zicht krijgen op hoeveel mensen nu eigenlijk precies op een plaats aan het wachten zijn door geen aparte wachtlijsten per voorziening meer aan te leggen, waar ze dan (x-)dubbel op staan- om een transparanter middel te hebben om de doorstroming binnen de gehandicaptenzorg in kaart te brengen. Het prioriteitensteltsel werd vereenvoudigd, want voorheen kreeg toch iedereen een grote/grootste prioriteit omdat je anders werkelijk nergens binnenraakte en elke zorgvraag is voor die persoon natuurlijk wel belangrijk en prioritair. In het nieuwe stelsel krijg je slechts op enkele manieren de hoogste prioriteit, al de rest wordt gelijkgeschakeld. Die hoogste prioriteit krijg je als je voor eenzelfde zorgvorm (b.v. tehuis, beschermd wonen,...) gewoon een migratievraag hebt (je wil naar een andere voorziening, maar de zorgvorm blijft hetzelfde). Je krijgt die hoogste prioriteit ook als je van een intensievere naar een minder intensieve zorgvorm overstapt (b.v. van tehuis naar beschermd wonen, omdat je minder ondersteuning nodig hebt dan voorheen). Dan krijg je voorrang. Tot slot krijg je ook de hoogste prioriteit als de Regionale Prioriteitencommissie (één per provincie) je de status toekent nadat je dossier werd ingediend als PTB (Prioritair Te Bemiddelen: binnen die commissie wordt in overleg een plaats voor je gezocht waar je zo snel mogelijk naartoe kan). Er liggen echter wel quota vast over hoeveel PTB-dossiers er per provincie mogen zijn.
Bij opname moet een voorziening ook iemand met hoogste prioriteit opnemen, of als ze iemand anders willen opnemen, goed motiveren (per individu) waarom ze iemand met hoogste prioriteit niét opnemen en iemand anders wél. Opnames van personen zonder hoogste prioriteit worden uitzonderlijk(er) gemaakt en pas mogelijk nadat voldoende mensen met een zeer dringende, hoogst prioritaire vraag zijn geholpen. Bij volwassenen betekent dit in de praktijk dat vrijwel enkel nog mensen met hoogste prioriteit opgenomen worden (sinds het systeem anderhalf jaar geleden startte). Bij minderjarigen, waar opname in een MPI b.v. meestal nauw samenhangt met de keuze voor een school voor buitengewoon onderwijs, wordt door de overheid die koppeling met onderwijs echter allerminst als een evidentie beschouwd en werd er alvast geen rekening mee gehouden bij aanvang.
Daarnaast zijn er nog enkele andere maatregelen daaromheen, maar die veranderen op zich niet veel aan het verhaal dat ik hierover wil vertellen, en dus ga ik er hier niet verder op in...
Wat is nu het probleem? Een eerste tamelijk logisch probleem is natuurlijk dat je met dit systeem het tekort aan plaatsen niet oplost. De CRZ (zo heet die centrale wachtlijst) verandert weliswaar wie op welke plaats komt op de wachtlijst, maar zolang het aantal plaatsen hetzelfde blijft, zijn er evenveel "wachtenden vóór u" (tenzij u een plaats mag opschuiven): enkel WIE diegenen zijn die voor u staan, verandert... Enkel en alleen de CRZ lost dus de lange wachtlijsten niet op. Wat gebeurt er m.i. wél? Doordat diegenen die vroeger er maar niet in slaagden omwille van hun zéér complexe zorgvraag een begeleiding te krijgen en zij het gemiddelde omhoog trokken, en nu wél snel(ler) dankzij RPC en hun prioritaire status toch ergens "binnengeraken", zakt het gemiddelde daar. Voor vele zorgvormen was het gemiddelde toch snel 2 à 3 jaar wachttijd. Diegenen die vroeger wel snel ergens begeleid werden (en het gemiddelde dus omlaag trokken), moeten nu langer wachten, maar omdat het stelsel pas anderhalf jaar geleden startte, kunnen we het effect daarvan op het gemiddelde nog niet zien. Wél lijkt het een succes, want de langst wachtenden worden nu wél sneller geholpen...
Een ander pervers effect van dit systeem is dat je woonplaats van belang kan zijn. In onze voorziening begeleiden wij nogal wat jongeren uit de regio Waregem. Sommigen daarvan wonen in West-Vlaanderen, anderen in Oost-Vlaanderen. Het zou kunnen dat als je woont in een straat waarvan de even nummers in West-Vlaanderen gesitueerd zijn en de oneven nummers in Oost-Vlaanderen, je in jouw provincie nét niet binnen de quota valt (er zijn net iets te veel nóg schrijnender vragen in je provincie, een inschatting die gemaakt wordt door de RPC, dus door (vertegenwoordigers van) voorzieningen en gebruikers en het VAPH, Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, zelf), terwijl aan de overkant van de straat, in de andere provincie, je nog nét wel "geluk" zou gehad hebben. Natuurlijk is dit een beetje bij het haar getrokken, maar de achterliggende kritiek mag duidelijk zijn: als er per provincie bepaald wordt hoeveel er schrijnend mogen zijn, is dat in essentie een willekeurig systeem.
Hoewel het de bedoeling is van de overheid om personen met een handicap zelf de regie terug te geven (onder meer via het toekennen van budgetten aan de persoon, zodat die zorg kan kopen, in plaats van aan de begeleidende voorziening), heeft de persoon met een handicap zelf géén plaats in dit stelsel. Een voorziening immers is contactpersoon voor de CRZ en moet dus de belangen behartigen van die persoon (maar natuurlijk niet van enkel die éne persoon, maar van vele anderen ook) en enkel de contactpersoon-voorziening heeft toegang om vragen te stellen. Blijkbaar hoeft de regie nu ook weer niet teveel bij personen met een handicap zelf te liggen? (nog los van het feit of dat voor handicaps als gedrags- en emotionele stoornissen, ernstige mentale handicaps maar ook licht mentale handicap,... in een ingewikkeld bos van regelgevingen wel überhaupt mogelijk is)
De kritiek die de gebruikers die nu uit de RPC stappen, hebben, is natuurlijk essentieel: hoe meet je immers de ene miserie af aan de andere? Wat is schrijnender dan andere schrijnende situaties? Welke maatstaven gebruik je daarvoor? Wel, in het werkveld zien we in ieder geval dat daarover géén, maar dan ook géén transparantie bestaat. Uit schrik dat voorzieningen de dossiers zouden "herschrijven" in functie van de criteria om de personen die ze begeleiden om hen méér kans te geven het felbegeerde ticketje te krijgen, mogen de voorzieningen geen inkijk hebben in hoe er beslist wordt en op basis waarvan. Er is hier al minstens een ernstige schijn van willekeur aanwezig, en vermoedelijk is het in de praktijk ook grotendeels willekeur, weliswaar wellicht goedbedoelde willekeur, maar toch...
Het verheugt mij dan ook dat gebruikers zelf nu zo sterk aan de alarmbel trekken en een systeem dat heel wat (onbedoelde, laten we hopen) negatieve neveneffecten heeft, in vraag durven stellen.

(Meer informatie over regelgevind en zo vind je uiteraard -zij het niet altijd even overzichtelijk- op de website van het VAPH)

27 november 2012

Gelezen (50)

Het einde van de psychotherapie - Paul Verhaeghe


Het is geleden van toen ik No logo van Naomi Klein last dat een boek zulk een impact had op me. Net als toen ervoer ik bij Het einde van de psychotherapie van Paul Verhaeghe het gevoel dat alles op zijn plaats viel, en dat hetgeen ik intuïtief al "wist", ineens onderbouwd en beargumenteerd werd door iemand die dezelfde dingen merkt als ik (en nog een stap verder gaat, en met meer kennis terzake spreekt). Ik merk dat ik net als toen met het boek van Naomi Klein in mijn denken, en in dit geval ook in mijn werk, sterk beïnvloed ben en heel erg bezig blijf om de inhouden uit het boek een plaats te geven, te hervertalen, te integreren in mijn denken, het te verbinden met mijn overige kennis en ideeën. Ik wil er over praten, over discussiëren, over communiceren zodat alles sterker en solider in me opgenomen wordt. 
In het boek maakt Paul Verhaeghe eerst de noodzakelijke verbinding tussen wat in de psychotherapeutische (en psychiatrische, orthopedagogische en psychologische) wereld allemaal gebeurt en de ruimere maatschappelijke context, meer bepaald het ultraliberaal en hyperkapitalistisch denken en de overheersende kapitalistische ideologie. De psychodiagnostiek wordt vakkundig gefileerd en de pijnpunten worden aangeduid met precisie. De DSM wordt aan een kritisch, onderbouwd onderzoek onderworpen en de gevolgen van de "DSMbilisering" (zoals hij het noemt) worden in kaart gebracht. De gevolgen voor psychotherapie worden besproken, én Paul Verhaeghe geeft aan op welke manier de huidige problemen waar mensen mee naar de praktijk van de therapeut komen, verschillen van die van vroeger. Hij geeft gelukkig ook aanwijzingen over hoe therapeuten ook die mensen (die volgens hem vooral lijden aan "actuaalneuroses", wat ik zou hervertalen naar de eerste fases van de sociaal-emotionele ontwikkeling volgens Došen) kunnen helpen, en dat is in het bijzonder het deel dat ik in mijn werk tracht te hervertalen dezer dagen naar de begeleiding die wij geven aan kinderen die naast hun mentale handicap ook een diagnose binnen het autismespectrum hebben gekregen. 
Soms zijn de argumenten van Verhaeghe onthutsend (b.v. als hij vertelt op welke manier controlegroepen samengesteld worden in effectiviteitsonderzoek van psychotherapie), soms vereist zijn betoog toch wel wat kennis van het Freudiaans-Lacaniaans denken (al brengt hij dat meestal heel helder en vraag ik me toch af of het zelfs niet voor niet-kenners toch te begrijpen valt...) en heel vaak had ik het gevoel dat EINDELIJK eens iemand schrijft wat ik al lang denk...
Het is nog veel te vroeg om de volledige daadwerkelijke impact van dit boek in te schatten, maar net als bij het boek van Klein ben ik er nu al van overtuigd dat niets meer hetzelfde zal zijn voor mij...

Wie mij persoonlijk kent (en het boek ook gelezen heeft, misschien...), mag me TEN ALLEN TIJDE aanspreken om hierover van gedachten te wisselen. Ik wil niet liever!

Hieronder een aflevering van het boekenprogramma van VPRO waarin dit boek besproken werd (jammer genoeg in 3 delen geknipt):



03 november 2011

Simple Simon

Deels is mijn interesse gewekt omwille van mijn werk, maar het lijkt me ook gewoon een heel leuke film:



Ga Simple Simon zeker eens bekijken, vanaf 16/11 is hij te zien!

01 juni 2011

Verschuiving


Enkele maanden geleden ging ik (overigens veel te laat, toen de pijn al amper te harden was en ik niet meer rechtop kon stappen) eindelijk naar de kinesiste, die me sindsdien wekelijks één tot twee keer behandelt. De ergste rugpijn is al een tijd voorbij, maar de laatste maanden doet zich het wonderlijke fenomeen voor dat waarop gewerkt wordt, de week nadien fel verbeterd lijkt of is, maar dat een ander deel van mijn rug dan weer veel verslechterd blijkt. Nu eens de onderrug, dan weer de bovenrug blijken zo goed als muurvast te zitten, doen van zodra eraan gewerkt wordt ook behoorlijk pijn (tot véél pijn, zoals vanavond : nek, schouders en bovenrug). Misschien vertellen die verschuivingen wat ik eigenlijk al langer wist : dit schooljaar is al bijzonder slopend geweest, en het wordt tijd voor grote vakantie, zodat ik eindelijk eens écht kan ontstressen. Maar eerst nog enkele deadlines halen op het werk...

29 november 2010

Extreem mannelijk denken

Onlangs ging ik naar een lezing (van Autisme Centraal) met als vraag : "Autisme : een extreme vorm van mannelijk denken?"
Nu zie ik (in gedachten) al heel wat vrouwelijke lezers instemmend knikken, maar laten we niet op het antwoord vooruitlopen... Deze theorie als verklaringsmodel voor autisme is enorm gepopulariseerd geraakt, niet in het minst omdat het zo aannemelijk lijkt. Immers, zien we bij mannen in hun denken niet gelijkaardige trekjes als we zien bij autisten ? Het is bovendien een (relatief) eenvoudig model dat meteen begrijpbaar lijkt, en het sloganeske aspect zal de populariteit ervan ook wel verklaren.
Nu blijkt uit hersenonderzoek dat er tussen vrouwelijke en mannelijke hersenen in zijn algemeenheid wel verschillen merkbaar zijn. Zo blijken vrouwen méér gebieden te activeren in hun hersenen bij taal en spraak, en zijn er meer dan bij mannen gelijktijdige activitaties van zones in de hersenen waarvan wordt aangenomen dat ze met emoties te maken hebben. Het zou, in een vereenvoudigd model, een biologische verklaring kunnen bieden waarom vrouwen makkelijker over emoties praten, maar het is natuurlijk allemaal complexer.
Twee denkstijlen (empathising -meer gevoelsmatig en inlevend denken- en systemising -rationeler en meer ordenend denken-) worden in dit model tegenover elkaar geplaatst en elke denkstijl wordt verbonden met een geslacht. Nogmaals, het empatising vrouwelijk brein kan ook bij mannen voorkomen, zoals het systemising mannelijk brein ook bij vrouwen voorkomt. Het gaat hierbij eerder om algemene, globale tendenzen, zonder uitspraken te doen over individuen. En omdat autisten eerder denken in een zeer strakke systemising stijl, en weinig empathising denken, is algauw de (overhaaste) conclusie voor de hand liggend dat autistisch denken een extreme vorm is van mannelijk denken.
Maar veralgemening bovenop vereenvoudiging bovenop tendens levert niet meteen een solide basis voor een theoretisch wetenschappelijk model, en wetenschappers zijn het er stilaan over eens dat de openingsvraag van de lezer met een duidelijk "neen" mag beantwoord worden. Dit model bevat zeker en vast interessante elementen, maar volstaat niet als verklaringsmodel voor autisme, hoe aantrekkelijk het idee ook moge lijken.
Meer zelfs, de spreker vergeleek het een beetje met volgende uitspraak : "Is een auto een extreme vorm van een fiets ?" Beide hebben wielen (maar de auto extremer, namelijk 4 ipv 2) en beide zijn middelen om zich te verplaatsen. Maar het zal voor iedereen duidelijk zijn dat het twee verschillende dingen zijn.
Onderzoek aan de hand van het AutismeQuotiënt (AQ) toont aan dat er een klein verschil is tussen mannen en vrouwen voor autismegerelateerd gedrag, maar een immens verschil met mensen die echt autisme gediagnosticeerd gekregen hebben. Autisten zijn dus duidelijk niet "mannen in een extremere gradatie", maar er lijkt een kwalitatief verschil aantoonbaar.
Gelukkig maar ! :-)


Wie wil, kan zelf zijn AQ hier testen. Let wel : het is geen diagnostisch instrument en zal dus niet zeggen of je autisme hebt of niet !