We sluiten deze aprilchallenge af met het beste nummer aller tijden volgens mij. Dat is natuurlijk altijd een hachelijke onderneming om songs uit verschillende tijdvakken en uit verschillende genres met elkaar te vergelijken, maar Smells like teen spirit van Nirvana is voor mij toch de wel het nummer dat mijn jeugd en mijn muzikale smaak definieert. Nirvana heeft rechtstreeks en onrechtstreeks de poort opengebeukt naar allerlei artiesten en genres die ik in die meer dan 30 jaar ontdekt heb. Toen ik het hier had over de tien platen die mijn leven hebben beïnvloed, had ik het al uitgebreid over het hele album Nevermind en eigenlijk heb ik daar weinig aan toe te voegen.
Het was het eind van de jaren tachtig of zelfs al begin jaren negentig en ik babysitte toen vaak voor leden van de Gezinsbond. Zo was er één gezin waar ik haast elke week 2 avonden op rij mocht oppassen op de kinderen, omdat de vader DJ was in een bekende discotheek in de buurt en zijn vrouw er als danseres optrad en zelfs meezong op een naar de discotheek vernoemd trio dat naar mijn weten één maxi-single uitbracht (die ik als dank voor mijn beschikbaarheid als oppas cadeau kreeg). Omdat het altijd heel laat (tot in de vroege uurtjes) was en ze graag uitsliepen de volgende dag, mochten de kinderen wel heel erg lang opblijven en ik merkte dus al gauw dat na 22u er eigenlijk geen eigenlijk tv-programma meer geschikt was om zulke jonge kinderen (de oudste was 9 of 10, de jongste van 5 mocht ik gelukkig wel al om 22u in bed stoppen) naar mee te laten kijken. Het leverde aanvankelijk dilemma's op maar uiteindelijk ontdekte ik er de serie Crime story, een beetje de voorloper van de huidige series en de eerste waarin afleveringen echt voortborduurden op elkaar en samen het verhaal vormden. Voorheen stonden afleveringen van tv-series eigenlijk altijd op zichzelf. De begintune van de serie was Runaway van Del Shannon, een hit uit 1961. Het verhaal van Crime story ging over de strijd tussen een agent uit het team dat georganiseerde misdaad (zeg maar de maffia dus) bestreed en één van de rijzende sterren binnen de maffia in Chicago en algauw ook in Las Vegas, waar de meeste afleveringen zich afspeelden. Het was gesitueerd in de jaren zestig en dus zag je geweldig mooie Amerikaanse wagens en een sfeer waarin die hit zo wonderwel paste. Hoewel ik dit nummer van Del Shannon wel al kende, ben ik het toen pas echt ten volle gaan waarderen. De productie van deze song die gebruikt werd voor de opening credits klonk immers nog krachtiger dan het origineel. Ik heb hieronder dan ook voor die versie gekozen:
Veel artiesten met dezelfde voornaam als ik zijn er niet (dat zou wel anders geweest zijn mocht ik Paul, Neil of George geheten hebben), maar ik dacht meteen aan dit leuk nummer van de Antwerpse Sven Van Hees. Zijn chill-out en lounge mag dan niet meteen een genre zijn waar ik af en toe naar luister, ik herinner me wel nog dat toen deze langskwam op de radio, ik toch wel gecharmeerd was van Tsunami. De laidback sfeer van het nummer, het repetitieve,... dat alles laat je wegzinken in de song als in een diepe zetel.
Tegenwoordig zijn songs meestal ergens rond de 4 minuten lang maar als je een liedje wil dat maar half zo lang is, kom je al gauw uit bij punk of bij vroege rock 'n roll. Ik koos vandaag voor het laatste met Eddie Cochran, een rockabilly-zanger die vooral eind jaren vijftig hits scoorde, waaronder dus deze C'mon everybody. Ik heb altijd een zwak gehad voor deze man die erg opzwepend klinkt, in dit nummer alsook in Summertime blues. Laten we dus van de opdracht van vandaag maar eens een ode maken aan de pioniers van de rock.
Het is misschien wel één van de meest niet-sexy muziekinstrumenten die er bestaan en een bron van eindeloos geplaag in mijn Twitterconversaties met Vlinderstof: de blokfluit. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat een song vinden waarin op niet-ironische manier dat instrument gebezigd wordt, een onmogelijke opdracht bleek. Het dichtst benaderde ik het nog met de dwarsfluit van Ian Anderson (Jethro Tull) in heel wat van hun songs.
Mijn eerste beluistering van Yeezus van Kanye West was een soort implosie in mijn hoofd. Los van wat voor geschifte, egocentrische figuur Kanye is, ken ik amper een artiest die even ingenieus weet om te gaan met de muziek om hem heen en er zulke sterke songs van maakt. Het is dan ook geen wonder dat veel van zijn songs instant hits werden. Een deel van zijn genie is openstaan voor artiesten uit heel andere genres (zoals Paul McCartney of Bon Iver) en hun muziek in een plaats geven in het typische hiphopuniversum dat hij op zijn platen schept. Ik kende vooraf de geweldige versie van Strange fruit niet die Nina Simone zo krachtig weet te brengen. Uit een documentaire die ik later zag, leerde ik Nina Simone kennen als een militante artieste die haar ongelooflijk talent inzette om een steeds duidelijker politieke boodschap rond gelijkheid voor zwarten in de VS over te brengen (of tegen de Vietnamoorlog). Strange fruit is een song die eerder ook al door Billie Holiday werd gebracht en gaat over het ophangen van zwarten aan de takken van de bomen in het zuiden van de VS, een gebruik dat veel te lang is blijven bestaan onder blanke supremacisten. De sample van deze uiterst potente song in Blood on the leaves combineert die kracht met de productionele vaardigheden van Kanye en zijn eigen sterke zeggingskracht.
De mooiste platenhoes: dat is natuurlijk een heel moeilijke keuze. Platenhoezen kunnen immers op heel verschillende manieren mooi zijn. Ze kunnen visueel je in de wereld van de plaat trekken, ze kunnen refereren naar dingen die je mooi vindt (zoals bestaande kunst of mooie voorwerpen), ze kunnen een heel eigen stijl hebben of ze kunnen zoveel laten zien dat je telkens opnieuw details ontdekt die je eerder ontgingen. Ik heb gekozen voor zo'n hoes uit die laatste categorie, zo één waarop er zoveel gebeurt dat je er niet op uitgekeken raakt. Ik hou ook wel van de kinderlijke, naïeve stijl van de tekening. De band Fuck zelf, een Californische lo-fi band die perfect past bij het Matador label waarop ze ook platen uitbrachten (waaronder Pardon my French waar dit nummer op staat), is vrij obscuur en hoorde ik ooit eens toevallig op Studio Brussel waarna ik hun plaat in een opwelling kocht. In 2018 releasten ze na 14 jaar nog eens een album en een oudere song van hen haalde ooit de populaire sitcom How I met your mother.
Mijn zoon zat ooit één jaar in een voetbalclub. Het was niet de eerste sport die hij probeerde maar het zou wel de laatste ploegsport zijn. Zijn autisme en ADHD maakten het samenspelen met anderen moeilijk en uiteindelijk zou hij jaren later in (en dankzij) de lockdown de sport(en) vinden die hem wél liggen. Toen begon hij te fietsen, op zijn eentje, steeds grotere ritten en intussen heeft hij een racefiets en een mountainbikefiets, deed hij mountainbikewedstrijden mee met een wielerclub, gaat hij ook vaak lopen en wandelen. Maar toen, op 6 december 2014, speelde hij voetbal en omdat hij dat weekend bij mij was, ging ik met hem naar de uitwedstrijd, ergens in het Gentse. Het was een week nadat Luc De Vos overleden was en die voormiddag, ongeveer terwijl de match bezig was, werd hij begraven. Om 13u speelden alle radiozenders gelijktijdig Mia van Gorky, dat 't Vliegerke van Walter De Buck zowat lijkt verdrongen te hebben als officieus Gents volkslied. Dat moment zaten we nog na de wedstrijd in de kantine. U weet hoe dat gaat: de spelertjes krijgen een bonnetje voor een drankje na de match en de ouders drinken dan ook iets, de clubkas van de thuisploeg spijzend. Er moeten zowat 40 à 50 mensen in de kantine geweest zijn en behalve een voetballende zoon had ik met de meesten weinig gemeen. Omdat ik niet zo'n vlotte smalltalker ben, is dat altijd een lastig moment voor me, want met wie moet ik in godsnaam waarover praten als onze werelden zo van elkaar verschillen. Om 13u zette de uitbater van de kantine de radio wat luider en door de boxen weerklonk Mia. Iedereen staakte zijn gesprekken en letterlijk iedereen zong mee met die in Gent zo bekende regels. En gedurende die vijf magische minuten voelde ik me verbonden met alle aanwezigen (en misschien wel met alle Gentenaars) op een manier die ik nooit eerder en nooit erna heb ervaren. Naar het schijnt is You'll never walk alone van Gerry & The Pacemakers, het supporterslied van Liverpool, als dat door al die supporters op Anfield Road gezongen wordt, het ultieme samenzanglied en bezorgt het iedereen die het meemaakt kippenvel. Ik hoop daar ooit eens tussen te staan maar totnogtoe heb ik dat nog niet kunnen ervaren, dus dat ene moment van Luc De Vos is veruit het dichtste daarbij dat ik ooit in de buurt kwam, denk ik.
Zoals ik al eens eerder vertelde, wacht ik om getransplanteerd te worden (hart en nier). Het wachten betekent niet dat ik stil in de zetel zit met mijn gsm in de hand, hopend dat elk moment dat verlossende telefoontje komt dat er een donorhart is, maar wel dat mijn leven al een hele tijd in de wachtmodus staat waarin ik weinig plannen maak, door mijn gezondheidstoestand sowieso weinig kan doen en waarop alles afgestemd is op "na mijn transplantatie, dan...!". Samen met mijn lief maak ik plannen voor dingen die we erna (en ook na de lange revalidatie eerst) gaan doen en intussen probeer ik in kleine dingen geluk te vinden, energie te vinden en vooral te overleven tot het zover is. Bloggen en muziek beluisteren zijn, samen met koken, de fysiek haalbare dingen die momenteel af en toe mij geluk verschaffen (en het samenzijn met mijn lief natuurlijk). Hoewel mijn situatie wel heel erg specifiek is om er een song over te vinde, herken ik wel één en ander in de tekst van Waiting room van Fugazi.
"Everybody's moving, please don't leave me to remain": de mensen rondom mij hebben een leven vol beweging, waarin dingen gebeuren, terwijl mijn dagen en weken op elkaar lijken en ik vaak het besef van de tijd kwijtraak. Toch wil ik graag nadien terug kunnen aansluiten en niet door een te grote achterstand in het leven tegenover anderen, uit de boot vallen.
"I don't sit idly by, I'm planning a big surprise": ik probeer niet bij de pakken te blijven zitten en hoewel ik op korte en middellange termijn weinig plannen kan maken, maak ik die wel, zoals gezegd samen met mijn lief, voor de tijd na de transplantatie en revalidatie. Ik probeer daar realistische voorstellingen bij te hebben want gezondheidsproblemen zullen er (in veel mildere vorm hopelijk) ongetwijfeld wel nog zijn.
"Sitting in the waiting room": dat is exact hoe ik me voel, zittend in een wachtruimte, niet wetend hoe lang het nog duurt eer het mijn beurt is.
Er zijn zo van die nummers op fuiven en feestjes waarop je meteen de dansvloer op moét. En ook al is het voor mij al een hele tijd geleden dat dansen mogelijk en haalbaar is (omwille van mijn gezondheid), sommige songs blijven in mijn hoofd dat effect hebben dat ik er meteen wil op bewegen. Eén van die liedjes is de versie die Jason Nevins maakte van It's like that van Run DMC. Deze versie is zo opzwepend dat ik me nergens nog iets van aantrek en (in mijn hoofd toch) de coolste dansmoves bovenhaal.
Gisteren kwam Max Cavalera al in beeld met Sepultura, dat hij in 1996 verliet, en vandaag is hij alweer present, zij het dan met Soulfly, de band die hij in Arizona oprichtte en waar zijn zoon Zyon ook deel van uitmaakt. In het Portugees bezingt de band in een stijl die uiteraard heel dicht aanleunt bij wat hij met Sepultura maakte, zijn liefde voor de Braziliaanse voetbalcultuur. Wat ik niet wist, is dat Umbabarauma een cover is van een liedje van Jorge Ben. Wat ik gisteren vertelde over Max Cavalera die er met zijn bands in slaagt de hardere gitaren van de metal te combineren met de ritmes die de muziek uit zijn geboorteland rijk is, geldt ook zeker en vast voor dit liedje.
Wat een openbaring was Chaos A.D. van Sepultura toen ik de cassette in 1993 kocht en voor het eerst beluisterde. Het moet de hoes geweest zijn die me zo geïntrigeerd had dat ik tot die aankoop verleid werd (en het feit dat de cassette verrassend goedkoop verkocht werd). Dankzij grunge was ik de richting van hardere gitaren uitgestuurd qua muzikale smaak maar heavy metal was toen niet bepaald het genre dat ik kende en luisterde. Ik had er eerder een eenzijdige kijk op en ik dacht toen nog werkelijk dat alles zo klonk als de "hair metal"-bands die op MTV al eens passeerden. Dat de Braziliaanse band rond de broers Max en Igor Cavalera zo hoorbaar hun culturele erfenis incorporeerden in een genre dat het toch in de eerste plaats leek te moeten hebben van de gitaren waarop geramd wordt, verbaasde me hogelijk. Bij Sepultura worden de ritmes (en die klinken echt wel heel Braziliaans bij tijden) minstens even belangrijk en dat maakt dat ze toch wel opvallen tussen andere metalbands. Het instrumentale nummer Kaiowas dat een soort interludium vormt op het album laat zien hoezeer ze verknocht zijn aan die ritmes en de drummer krijgt hier een steeds prominentere rol toebedeeld. Het mag dan wel behoorlijk atypisch zijn voor een plaat die voor de rest ook behoorlijk agressief klinkt, ik blijf dit een heel bijzonder nummer vinden.
Het origineel van The Carpenters is al een mooi nummer, natuurlijk door de loepzuivere zang van Karen Carpenter, aangevuld met een prachtig en lieflijk arrangement. Niettemin houd ik nog veel meer van de cover die Sonic Youth van de song maakte voor het tribute-album If I were a carpenterin 1994. Zoek dat album overigens maar eens om te beluisteren want er staan ook nog een rits anders mooie covers op, van onder meer American Music Club, Bettie Serveert en Babes In Toyland. Superstar haalde in 2007 de soundtrack van de leuke film Juno. Naar ik las, was Richard Carpenter niet echt weg van deze cover, in tegenstelling tot ik dus. Wat die vooral zo goed maakt, is dat de dreiging in de song zo hoorbaar is, b.v. in de lage pianonoot bij aanvang van het refrein, als het ware een voorbode van het verschrikkelijk lot dat Karen te beurt viel (zoals geweten overleed ze aan de gevolgen van haar anorexia). Ook de distortie van de gitaren, zo kenmerkend voor Sonic Youth, past perfect bij het trieste verhaal dat de song vertelt, over de onbereikbare liefde (voor een ster die je hoort op de radio in dit geval).
Telkens ik het begin hoor van This time around van Green On Red is mijn eerste gedacht: "Ah, The Rolling Stones". Op de opener van het gelijknamige album klinkt Green On Red nog meer Stones dan de Stones zelf. Zanger Chuck Prophet zingt als een jonge Mick Jagger en de band weet de essentie van de rock van de Stones perfect te vatten. Het duurt dan ook altijd even voor mijn frank valt en ik besef dat het dus Green On Red is.
Eigenlijk zijn de absolute koningen van de samenzang uiteraard The Beach Boys, daarvoor hoef je maar te luisteren naar God only knows of Wouldn't it be nice (of bijna eender welk liedje van de band). Toch heb ik gekozen voor een groep die deze eeuw de samenzang een nieuw hoogtepunt bezorgde op hun debuutalbum en de kort erna verschenen EP. Fleet Foxes klinkt zo prachtig dat ik me niet kan voorstellen dat iemand van zender verandert als ze nummers uit die twee platen spelen op de radio. Hun stemmen verleiden de luisteraar en zelfs na intussen meer dan vijftien jaar blijft hun muziek (vooral van die eerste platen dus) me ontroeren en me betoveren.
Met mijn keuze vandaag oogst ik zeker en vast een epische roloog van mijn vriendin, die de studioversie van ongeveer twaalf minuten al niks vindt (en de zanger sowieso een zaag én een onuitstaanbare vent) en die wie deze live-versie van bijna zestien minuten een ware marteling zal vinden. Voor mij was deze live-versie, zoals ze te horen is op In concert, een driedubbele plaat waarmee ik kennis maakte dankzij Studio Brussel en die ik de volgende dag al ging kopen, mijn kennismaking met The end van The Doors. Zanger Jim Morrison laat zich helemaal gaan (net als de band trouwens) en improviseert er op los met grapjes, een gedicht dat uit een anekdotisch verhaal voortvloeit,... De band speelt intussen op de achtergrond wat muzikale thema's uit de song waardoor het een geheel blijft. Dit is misschien wel mijn favoriete live-song van eender wie, net omdat het laat zien hoe je als artiest of band live de mogelijkheden van je songs nog verder kan exploreren.
Hoewel OK computer hier de vaakst beluisterde CD is, heb ik vandaag gekozen voor het afsluitend nummer op The bends van Radiohead. Street spirit (fade out) blijft immers voor altijd verbonden met dierbare herinneringen aan een tijd waarin ik weliswaar serieus op drift geraakt was maar ik toch in een zeer goede vriendin een anker vond, dat mijn persoonlijke stormen (helaas niet altijd zonder zelf averij op te lopen, om in de metafoor te blijven) doorstond. Vaak deed ze dat door mee te deinen op die woelige baren van het zelf niet weten waar ik aan toe was, wat ik wou, hoe ik geluk moest vinden, herkennen en vasthouden. Achteraf gezien heeft ze een pak meer gedaan dan ik toen besefte, toen ik haar aanwezigheid te vaak evident vond. In die tijd ging ik vaak als afsluiter van mijn avond nog eens langs bij die vriendin, die in een studiootje woonde in Gent, samen met haar nog erg klein kindje. Hoe laat het ook was, ik was altijd welkom en ik heb er vaak nog uren zitten babbelen, zitten drinken en zitten grappen maken, zitten luisteren naar muziek samen,... Soms ging ze even naar de nachtwinkel iets halen om te drinken (vaak appeljenever) en dan zette ik intussen The bends op en skipte bijna altijd meteen naar de afsluiter, die ik telkens opnieuw beluisterde. Eén avond, zo weet ik nog goed, was ik met de koptelefoon aan het luisteren terwijl ze naar de nachtwinkel was en zong ik mee met een eigen tekst over mijn eigen leven , die ik improviseerde terwijl ik de melodie meevolgde. Een geweldige zanger ben ik zeker niet en met een koptelefoon meezingen, dat klinkt voor anderen altijd luider (en misschien ook wel valser) dan je zelf denkt. En de hoge noten die Thom Yorke zo mooi uit zijn strottenhoofd perst, die waren en zijn echt wel te hoog gegrepen voor mij. Het moet nogal een bizarre luisterervaring voor haar geweest zijn toen ze, wat ik niet doorhad om ik met mijn ogen toe en afgewend van de deur stond mee te "zingen", terug binnen kwam. Het heeft even geduurd eer ik haar aanwezigheid had opgemerkt (en meteen stopte met zingen). Toch heeft zij het altijd een mooi moment gevonden, misschien wel omdat Street spirit iets in me naar boven bracht van de twijfels die ik achter mijn semi-zelfverzekerd gedrag en mijn drang om altijd grappig te zijn verstopte. Het nummer zelf is een prachtige afsluiter van een sowieso al uitstekende plaat en het is echt "eruit gaan met een knal". Het is geen wonder dat Radiohead zelf ook besefte hoe goed hun afsluiter was en ze het uitbrachten als single. Meestal zijn afsluitende nummers een soort synthese van de plaat (in het beste geval toch, soms is het de laatste vuller om het album vol te krijgen) maar dat lijkt hier niet echt het geval. Ondanks de al geweldige nummers High and dry en Fake plastic trees hebben ze hiermee een nog net iets hoger niveau gehaald.
Vandaag gaan we voor een guilty pleasure. Muzikaal is dit nummer eigenlijk niet zo veel soeps, maar het klinkt tegelijk zo aanstekelijk dat het toch blijft hangen. Bovendien is er de beroemde meme Numa numa guy met de mollige jongeman die voor zijn camcorder wel heel enthousiast meedoet, die ik zo grappig vind dat ik die af en toe eens opzoek op YouTube als ik iets nodig heb om me vrolijk te maken.
Het nummer zelf, van de de boysband O-Zone, is in het Roemeens (hoewel de band zelf Moldavisch is) en daar begrijp ik nu eens echt niets van. Nochtans ligt het Roemeens van de levende talen nog het dichtst bij het Latijn dat ik 6 jaar lang gestudeerd heb in het middelbaar. Op het gehoor alleen echter kan ik er niets van maken. Ik heb wel al gemerkt dat als ik het tegelijk geschreven zie staan en het Roemeens trager en duidelijk gearticuleerd gesproken wordt, ik hier en daar toch iets herken. Gelukkig vind je op internet makkelijk de (in het Engels) vertaalde lyrics, om ten volle te kunnen genieten van de "poëzie" die in zulke popnummers gehanteerd wordt.
Het was eerder toevallig dat ik ooit in de cinema de film All over me zag. De muziek stond me wel aan en de film zelf is zeker en vast ook de moeite waard trouwens: het gaat over vriendschap, zowel echte als voorwaardelijke, over jezelf zijn en jezelf ontdekken en over liefde, hoe die onverwachts en in bijzondere vormen komt (en soms ook in destructieve vormen).
In die film zit een heel mooie, emotionele scène waarin het hoofdpersonage Claude op de kamer van een muzikante die ze net heeft leren kennen, luistert naar Pissing in a river van Patti Smith. De song brengt ontzettend veel teweeg bij haar, alle emoties die ze voortdurend heeft weggestopt lijken naar buiten te stromen. Jarenlang is dit nummer voor mij verbonden gebleven met het toelaten van verdriet en het was zowat de enige song waarop ik kon beginnen huilen. Huilen deed ik vroeger niet (sinds alle gezondheidszorgen is die dijk wel gebroken, kunnen we stellen) maar hiermee lukte het me om het verdriet toe te laten en te durven voelen. Ik heb meerdere avonden en nachten zitten luisteren, telkens opnieuw naar Pissing in a river, mijn tranen de vrije loop latend.
Al bij de start van deze challenge overwoog ik voor deze dag te kiezen voor een liedje van Charles & Les Lulus, de supergroep van Arno, Roland, Piet Jorens (drumde op meerdere platen van dEUS, Zita Swoon, Pieter-Jan De Smet,...) en accordeonist Ad Cominotto. Ik vermeld hen hier toch omdat ze eveneens uw aandacht verdienen en het ene album dat ze maakten nog steeds tot het beste hoort van wat Arno ooit deed. Maar ik herinnerde me plots een andere, intussen weer vergeten band die in 2010 nog op Pukkelpop stond. De New Yorkse band Gogol Bordello speelt rock punk met heel veel invloeden uit Oost-Europa (o.a. Oekraïne) waar de roots van heel wat leden en ex-leden van de band liggen. In 2007 brachten ze hun meest succesvolle album uit, Super taranta!, en daarop staat onderstaande song: