13 maart 2020
Talib Kweli and Lupe Fiasco
Talib Kweli heb ik leren kennen via zijn samenwerking met Mos Def (op Black Star, een album dat u, als u het nog niet kent, onmiddellijk moet beluisteren om het nadien te koesteren ; het was ook de naam waarop ze hun samenwerking vorm gaven) en later met Hi Tek (als Reflection Eternal op Train of thought). Alweer een samenwerking, dit keer met Lupe Fiasco, mag ons verblijden. Blackstar telt iets minder dan een uur goeie hiphop, verspreid over vijftien nummers.
Net als eerder genoemde platen hoor je hier geen stoere, agressieve rappers maar bijwijlen een soort parlando dat zich toch wel onderscheidt van raps door anderen. Een mooi voorbeeld hiervan is What it is. Het engagement hoor je in Lupe back al in de sample uit het nieuws, het geluid van deze song is een mengeling van Dizzee Rascal en -zowaar- Goose of Shameboy. En je kan niet anders dan bewondering hebben voor de flow en de rhymes op songs als Friend op people of So hood. Muzikaal hoor je duidelijk de stempel van Lupe Fiasco, waardoor nogal wat songs een hoge hitgevoeligheid hebben. De sample in Teef'them komt me heel bekend voor maar ik slaag er maar niet in hem thuis te brengen. En Light work is intussen al zo vaak op de radio te horen geweest dat het als een vertrouwde vriend klinkt. So good klinkt dan weer eerder old skool en ligt in het verlengde van eerder werk van Talib.
Beluister hieronder het volledige album:
12 maart 2020
African Head Charge
Tot de (helaas) erg grote groep bands waar ik me ooit eens meer wou in verdiepen maar "het kwam er nog niet van", behoort ook African Head Charge. Dit collectief werd mede opgericht door Adrian Sherwood (de man achter het legendarische On-U Sound label) en telde onder meer Jah Wobble onder zijn (wisselende) leden. De psychedelische dub die ze maken, teert uitdrukkelijk op Afrikaanse, eerder dan Jamaicaanse ritmes.
Die hypnotiserende, bezwerende, repetitieve sound is ook het opvallendste kenmerk van hun nieuw album, Churchical chant of the Iyabinghi. Iyabinghi is, niet toevallig, de naam van de percussionist en mede-oprichter Bonjo Iyabinghi Noah. De plaat is dan ook eerder te beluisteren als één lange trip dan als een verzameling songs. Wie bereid is zich drie kwartier lang te laten onderdompelen in de ritmes, bereikt een bewustzijnsniveau dat je uiteraard ook met wiet kan bereiken, maar dit is een pak gezonder.
Beluister hieronder het volledige album, dat je hier kan kopen op hun Bandcamp-pagina:
Labels:
2020,
embedded player,
mening,
muziek,
nieuwe release
11 maart 2020
Retro review: Foo Fighters
De echt grote en succesvolle groepen zijn het duidelijkste voorbeeld van de stelling dat het geheel meer is dan de som van de afzonderlijke delen. Maar wat als die groep ermee ophoudt, om wat voor reden ook? Hoe ga je dan als muzikant verder, in de wetenschap dat wat je ook uitbrengt, het afgemeten zal worden aan het succes en de kwaliteit van de groep waar je deel van uitmaakte? Sommigen slagen erin om toch een even goed repertorium uit te bouwen met een nieuwe groep of solo (zoals Paul McCartney na The Beatles maar op kleinere schaal ook Arno na TC Matic, Mark Lanegan na Screaming Trees of Chuck Prophet na Green On Red), de meesten komen nooit echt meer in de buurt (Robbie Robertson van The Band, Dave Stewart van Eurythmics, Joe Strummer na The Clash,...). Doe je dat door een geheel nieuwe weg in te slaan en de herinnering aan waar je deel van uitmaakte, zo ver mogelijk weg te houden? Of moet je net je verleden omarmen en de kwaliteiten die je in de groep stak, tenvolle naar voren schuiven, waardoor je nog steeds herkenbaar klinkt maar de vergelijking onontkoombaar wordt?
Na de zelfmoord van Kurt Cobain, het einde van Nirvana, besloot één van de andere leden (Dave Grohl) dat hij verder muziek wou maken en hij richtte Foo Fighters op. Aanvankelijk was het een éénmansproject, maar hij wou geen muziek onder eigen naam uitbrengen om er niet van beschuldigd te kunnen worden te surfen op de aandacht voor die zelfmoord. Het titelloze debuutalbum werd uitgebracht in 1995, een jaar na die zelfmoord, en zou het eerste blijken van een intussen indrukwekkende lijst hitalbums, die Foo Fighters tot één der grootste bands van het moment zouden maken met fans die zich amper bewust zijn van de link met Nirvana.
Om mijn beginvraag te beantwoorden, is dit debuutalbum natuurlijk het beste beginpunt dat ik me kan wensen. Ik maakte heel bewust de korte carrière van Nirvana mee en kocht dit album (op vinyl) in 1995, gelokt door de eerste single(s). En wat valt te horen op dit album? Dave Grohl laveert tussen een nieuw geluid dat op volgende albums verder zou uitgepuurd worden en dat nu onmiddellijk herkenbaar is als Foo Fighters, én hij grijpt soms terug naar melodieën en de sound die bij Nirvana hoorden (zoals op I'll stick around). Waar Big me een voorbeeld is van het eerste, is Wattershed een overtuigend exemplaar van een Nirvana-achtige song. Vooral in de rustiger nummers slaagt Grohl erin om het verleden te laten vergeten: For all the cows is een verfrissend ander geluid waarop Foo Fighters een eigen stempel zet.
Kunnen wij, stervelingen zonder muzikaal talent en gespeend van roem, iets leren van dit alles? Zegt dit iets over hoe je als individu na een succesvolle professionele samenwerking met anderen, waarbij je naambekendheid en je reputatie het geheel (het bedrijf(je), het team,...) toebehoren, verder moet zonder hen? Dat is een vraag waar ik niet echt het antwoord op weet. Ik werk dan ook in een sector waarin innovaties vrij onopgemerkt voorbijgaan en waar roem en naambekendheid sowieso al even toepasselijke termen zijn als "ontroerend" voor een rugbywedstrijd. Maar ik ben wel benieuwd naar wat mensen die zoiets meemaakten, gedaan hebben. Zouden de medewerkers van Netlog naderhand dezelfde weg uitgegaan zijn of net een ommekeer gemaakt hebben in hun carrière, hetzij een totale ommekeer door buiten de sector te gaan werken, hetzij door binnen IT zich toe te leggen op een heel ander soort toepassing? Wie het antwoord weet, mag het zeker en vast in de commentaren achterlaten, hier op de blog of op de Facebookpagina.
Beluister hieronder het volledige album:
10 maart 2020
Machine Girl
Tijdens de hoogdagen van de drum 'n bass, waar ik erg van genoot, dook plots een Berlijnse band op die het genre in zijn extremiteit doorvoerde en zo haast onbeluisterbare en verrassend genoeg toch intrigerende en opwindende muziek maakte. Atari Teenage Riot, dat draaide rond één van de meest bizarre muzikanten (Alec Empire), was uitgesproken, zowel muzikaal als in ideeën: punk to the bone, anarchistisch, anti-fascistisch, extreem-links. Misschien heb je wel ooit hun Deutschland has gotta die! gehoord...
Even dacht ik dat ze terug waren (al lees ik bij het opzoekingswerk voor dit stuk dat ze sinds 2009 terug samen zijn en nog in 2014 een album uitbrachten), bij het horen van U-void synthesizers van Machine Girl. Daarop klinken ze even compromisloos en je moet als luisteraar moeite doen om in de op het eerste gehoor herrie de songs te herkennen. Het is moeite die loont. Want dit duo uit Pittsburgh gooit alle genres letterlijk op één hoop om zo de gewelddadige kracht van het moderne leven in de moderne wereld, waarin mensen vermaald worden zoals die muziekgenres in hun songs.
De band haalde inspiratie voor de naam bij een Japanse "action shock/gore film" van Noboru Igichu, over een schoolmeisje wiens broer vermoord wordt door een ninja-yakuza clan en die haar afgehakte hand vervangt door een machinegeweer om zo wraak te nemen. Centraal in de symbolen die hun platen en andere merchandise sieren, staan dreigende afbeeldingen van honden. Uit alles spreekt een hang naar shockeren, wakker schudden, een gewelddadig antwoord op een wereld die al even gewelddadig ervaren wordt.
Dat amalgaam aan stijlen en genres maakt het de luisteraar zoals gezegd niet makkelijk maar een monumentale song als opener The fortress (The blood inside) laat zulk een veelzijdigheid horen dat je niet anders dan bewonderend kan toekijken en luisteren. Splatter! is opgefokter dan Begby in Trainspotting wanneer hij ontdekt dat het geld gestolen is en Suck shit is punk op electronica (en op een extra rantsoen steroïden). Rustpunten zijn relatief, zoals Devil speak, en betekenen eigenlijk enkel dat je een tikje minder je best moet doen om de melodie vast te houden.
Na een lange werkdag zou ik niemand deze plaat aanraden maar ze vormt wel een bijzonder passende soundtrack bij je woede-uitbarstingen.
Je kan dit album hier kopen via hun Bandcamp-pagina en alvast hieronder beluisteren:
Labels:
2020,
embedded player,
mening,
muziek,
nieuwe release
08 maart 2020
Stephen J. Malkmus
Sommige artiesten hebben zo'n geniale muziek gemaakt in een al dan niet ver verleden dat je als muziekfan bereid bent hen veel, bijna alles te vergeven en dat je elke plaat van hen met verwachting tegemoet ziet. Nee, zo goed als toen wordt het nooit meer, maar minder dan goed ook zelden (al word ik daarin soms toch eens teleurgesteld door een artiest die de weg echt wel kwijt is).
Pavement heet het voordeel-van-de-twijfel dat Stephen J. Malkmus van mij krijgt nog voor ik een noot gehoord heb van een nieuwe plaat en dat was ook dit keer, met Traditional techniques, niet anders. Maar wat ik niet meteen verwacht had, was dat hij me zou gaan verrassen. En dat is precies wat hij doet op dit derde solo-album (zonder The Jicks of Pavement), met opener ACC Kirtan of het lo-fi bluesnummer Xian man. Laatsgenoemde song is één van de beste niet-Pavementsongs die ik al hoorde van Malkmus en ik ben nochtans een allesbehalve ontevreden fan. Verleidelijk als het liedje klinkt, weet het me meteen voor zich te winnen en naarmate het zich ontwikkelt, sluit ik het nog meer in mijn hart.
Daarna valt de verrassing wat weg en klinkt het allemaal vertrouwder, al zijn er nog het donkere en erg Brits klinkende Shadowbanned, het door kleine disrupties gekenmerkte Signal western en een alweer aan The Kinks herinnerend Juliefuckingette.
Het totaalresultaat is een plaat die het kunnen van Malkmus illustreert, soms verrast, soms geruststellend vertrouwd klinkt en nooit verveelt. En daarmee blijft hij aan de goeie kant van de scheidslijn tussen bevestigende en gevallen helden.
Beluister hieronder het volledige album:
07 maart 2020
Gelezen (140): dystopie
1984 - George Orwell
Brave new world - Aldous Huxley
Vorig jaar leerde mijn dochter in de lessen Nederlands over de utopische en de dystopische roman. We hadden een gesprek na het eten daarover. Voorbeelden van utopische romans vinden, bleek niet zo eenvoudig (Walden van Thoreau is er één), dystopische romans en bij uitbreiding dystopische verhalen bleken heel wat populairder en frequenter. Van bovenstaande twee boeken tot The hunger games, de Divergent-reeks tot The handmaid's tale: verhalen van maatschappijen die zo ingericht worden dat ze een status quo (veelal van macht) opleveren en die schrikbarende gevolgen hebben, zijn immens populair en spreken ons duidelijk aan.
Ik herlas nog eens de klassiekers onder de dystopische romans die in mijn middelbareschooltijd op zowat elke leeslijst Engels stonden. 1984 van George Orwell wordt in deze tijden van massa-surveillance en metadata om de haverklap vernoemd, Brave new world van Aldous Huxley leefde in mijn herinnering als het complementaire boek over een maatschappij die gestuurd wordt. En er zijn wel degelijk grote verschillen tussen beide boeken, waardoor de toekomstbeelden die erin geschetst worden (al zijn we natuurlijk al ver voorbij 1984 maar toen ging het over de toekomst) heel anders zijn maar in zekere zin ook wel complementair.
Maar laten we eerst even deze romans op zich bekijken. 1984 wordt gekenmerkt door een verhaal dat gesitueerd wordt in een dictatoriale wereld, waarin terreur geïnstitutionaliseerd , zowel op grote (steeds oorlog) als kleine (de constante dreiging van de Denkpolitie) schaal. Het is een in hoge mate geïndustrialiseerde wereld die doet denken aan Modern times van Charlie Chaplin of Metropolis van Fritz Lang. Bovendien is een strakke hiërarchisering doorgevoerd die onveranderlijk is (of moet zijn). De massa (de "proles") doet er amper toe en daarom houden de machthebbers zich amper bezig met hen, ontdaan als ze zijn van alle middelen die hen tot opstand zouden kunnen brengen. Het zijn de hogere klassen (Kernpartij en Randpartij) die het voorwerp zijn van een verregaande surveillance (met teleschermen die iedereen constant bespioneren) en wiens gedachten men wil controleren. Het hoofdpersonage is net die uitzonderlijke (maar hij niet enige) mens die als een Socrates de vragen stelt die de mogelijkheid van een andere wereld scheppen. Niet verrassend is het verlangen naar verandering het verlangen naar een terugkeer naar vroegere tijden, ondanks alle "ongemakken" die daarbij hoorden.
Ook in Brave new world vormen een strikt klassensysteem en een nog verder doorgevoerde industrialisatie en machinisatie van zowat alle processen de basis voor een stabiliteit en status quo die onveranderlijk gemaakt wordt. In tegenstelling echter met George Orwell kiest Huxley ervoor om een wereld te tonen waarin mensen nét gelukkig gehouden worden, waarin negatieve gevoelens uitgeband worden en waarin de stabiliteit verkregen wordt doordat niemand reden tot klagen heeft. Nu ja, niemand: het hoofdpersonage is net als in 1984 één van de eenlingen die kritisch is ten aanzien van deze status quo en die verlangt naar verandering. Ingrepen in de voortplanting en verregaande conditionering kunnen niet verhinderen dat er mensen opstaan (zoals Bernard Max in dit boek) die verlangen naar een verleden dat nét niet nostalgisch zoeter gemaakt wordt dan het was, maar het is net een verlangen naar bijhorend lijden vanuit de overtuiging dat lijden iets oplevert dat de "ideale" wereld niet kan opleveren. Omdat Huxley via "world controller" Mustapha Mond een antwoord formuleert op dat verlangen, beargumenteert waarom het geschapen ideaal de beste keuze is (ondanks de inherente gebreken), is het ook minder duidelijk of de auteur zelf nu een utopie dan wel dystopie beschrijft. De wereld is dystopisch vanuit het perspectief van Bernard Max en "de wilde", John, maar utopisch vanuit het perspectief van Mustapha Mond en wellicht ook dat van de meeste mensen die erin leven. Het verschil met 1984 is dat, hoewel de meerderheid ook daar enthousiast meedoet en "kiest" voor de status quo, bij Huxley die meerderheid dat op een bewuster niveau lijkt te doen (al is er bij beide natuurlijk sprake van gedachten en gevoelens die niet op een vrije manier verworven zijn). Kort gezegd, in Brave new world lijkt iedereen tenminste écht gelukkig en staat de echtheid ter discussie. In 1984 is het leven in feite voor niemand (tenzij misschien de leden van de Kernpartij) een pretje.
Eén van de redenen waarom de laatste tijd 1984 zo vaak aangehaald (hoewel vaak verkeerdelijk, zoals ik bij herlezing besefte) wordt, is dat Orwell methoden beschrijft waarmee de status quo gehandhaafd wordt die heel herkenbaar zijn. Naast uiteraard de massa-surveillance is er bijvoorbeeld ook het (voortdurend) herschrijven van de geschiedenis met als gevolg dat niemand nog enig historisch besef lijkt over te houden. Hoe herkenbaar is dit voor wie kritisch kijkt naar wat machthebbers over de tijd (soms over slechts maanden of zelfs weken) aan tegenstrijdige meningen en standpunten uitkramen zonder dat daar nog een kritische houding tegenover aangenomen wordt die verleden (vorige uitspraak) en heden (huidige uitspraak) met elkaar vergelijkt. Winston Smith is de uitzondering wanneer hij de herinnering vasthoudt dat zijn land Oceanië, nu in oorlog met Eurazië en bondgenoot van Oostazië, voordien net met die beide landen in de omgekeerde relatie verkeerde. Het is zoals bij ons een meerderheid lijkt te vergeten dat de N-VA rond verkiezingstijd overal een veto tegen de PS uitbazuinde en tegenwoordig nét de PS verwijt dat zij, ondanks de eigen goede wil om samen te regeren, mordicus tegen een coalitie met de N-VA te zijn. Het verleden wordt in beide gevallen als een onveranderlijk gegeven voorgesteld om de tegenstrijdigheden te verdoezelen die de machinaties van de machthebbers zouden blootleggen. Voor mij is nét deze voortdurende geschiedvervalsing het meest essentiële en tevens meest herkenbare element in het boek.
Ook de Nieuwspraak, die woorden ontdoet van (ongewenste) betekenissen, is herkenbaar, niet in het minst in het gebruik van afkortingen als Engsoc die evenveel betekenen als de afkortingen die bijvoorbeeld in mijn eigen professionele sector gebruikt worden: ADHD, ASS, OCD,... worden inhoudloze containerbegrippen zoals in de managementterminologie ook ASAP, SMART,... algauw ontdaan geraakt zijn van werkelijke betekenisoverdracht.
Beide boeken houden ons ook vandaag nog een spiegel voor: zijn we bereid voor het gewin van stabiliteit de controle over onze maatschappij uit handen te geven? In 1984 gebeurt dat aan een naamloze machthebber (Grote Broer bestaat natuurlijk niet fysiek) die met terreur, het voortdurend gevoel dat je kàn gezien en gehoord worden, en bij voorkeur zelfs controle over de gedachten iedereen in het geraal houdt. In Brave new world lijken de methodes alvast heel wat humaner: door ingrijpen in genetica en ontwikkeling wordt een maatschappij gemààkt die door haar ingenieuze samenstelling de balans inhoudt die de stabiliteit moet verzekeren. Ja, hier is iedereen tevreden (desnoods met behulp van wat "soma") en daardoor is het verlangen naar verandering gedoofd, bij Orwell is het net angst die mensen ervan weerhoudt naar verandering te hunkeren.
03 maart 2020
Soccer Mommy
Soccer Mommy is de 22-jarige Sophia Allison, geboren in Nashville, al hoor je van de de enorme muzikale geschiedenis van de stad niet zo veel terug in haar muziek. Eerder dan country kiest ze voor het soort zoete alternatieve pop dat vrouwelijke performers als Tanya Donelly (met Belly) en Kim Deal (met The Breeders) halfweg de jaren negentig populair maakten. Dat ietwat zweverig sfeertje, die hoge stemmen op een bed van drums en gitaren: we vinden het allemaal terug op Color theory, het vierde album al van de Amerikaanse. Het is onmiskenbaar aanwezig vanaf opener Bloodstream en ze schudt het nooit van zich af.
Ook een dromerige song als Night swimming brengt ons zonder hapering terug naar de nineties. Dat geldt evenzeer voor persoonlijke favoriet Yellow is the color of her eyes, een song die net dat tikje opwinderder en opgewekter klinkt dan andere nummers op het album.
Beluister hieronder het volledige album, dat je hier kan kopen via haar Bandcamp-pagina:
Labels:
2020,
embedded player,
mening,
muziek,
nieuwe release
24 februari 2020
Catalina Vicens
Wie mij enkel als volwassene kent, kan het zich wellicht moeilijk voorstellen maar ooit was ik zeer actief in de parochie waar ik woonde. Al als kind was ik misdienaar (tot na de middelbare school zelfs), ik werd lector, catechist en zat zelfs een tijdje in de parochieploeg, het dagelijks bestuur zeg maar van de parochie. Veel meer wil ik daar hier niet over kwijt, tenzij dat ik van de onderpastoor vernam hoe goed en mooi het kerkorgel (van Ledeberg) wel niet was en ook dat onze koster-organist bekend stond als heel goed en een graag geziene en veelgevraagde muzikant was die andere "bekende" (dat klonk toen in mijn oren als een grap: bekende kerkorgels) orgels mocht bespelen.
Waarin ik wel hoorde hoe goed hij was, waren de stukken die hij speelde en improviseerde tijdens de communie. Dat is een vrij lange tijd die hij moest vullen met muziek en hij varieerde dan vaak op liederen die eerder in de dienst gezongen en gespeeld waren. Je hoorde dat hij een goed luisteraar was, een goede improvisator en een zeer bekwaam organist.
Die herinneringen dreven meteen weer boven bij het beluisteren van de 40 songs tellende, meer dan twee uur durende plaat Organic creatures van Catalina Vicens. De Chileens-Zwitserse bracht net bij het Gentse label Consouling dit album uit en dat gebeurt niet toevallig in dit Van Eyck-jaar want één van de orgels waarop ze haar composities, een mengeling van klassieke en nieuwe werken, mocht spelen, is het Van Eyck-orgel, een reconstructie op basis van het Lam Gods (daarop zie je op een zijpaneel een engel het orgel bespelen).
Dat de plaat zo lang duurt, geeft je als luisteraar, zeker als dit niet het soort muziek is dat je regelmatig beluistert, de tijd om in die wereld onder te duiken, in de klanken, in het instrument en zijn register. En dan hoor je hoe goed de combinatie werkt van oudere muziek (die bijwijlen aan die uren in de kerk doen denken) en nieuwe composities die de toets van hedendaagsheid met verve dragen.
Je kan deze plaat hier kopen via Consouling en hieronder alvast beluisteren:
22 februari 2020
Greg Dulli
Tijdens de hoogdagen van Afghan Whigs had Greg Dulli iets onweerstaanbaars dat zijn goede looks oversteeg. Het zat hem ook in die stem die hoger klom dan je zou verwachten en die een jongensachtige onschuld uitstraalde die in scherp contrast stond met de pijnlijke teksten. Wie luisterde naar wàt hij zong, hoorde een getormenteerde jongeman die van het leven al enkele klappen had gekregen, wie luisterde naar hoè hij zong, kreeg de indruk de populaire jongen van de klas te horen, die fluitend door het leven zeilt en wie het geluk in de schoot valt.
Op het verkeerdelijk als eerste solo-album bestemde Random desire zijn we dertig jaar later en dat hoor je. Eerst even een terzijde: in 2005 maakte hij al Amber headlights dat hij uitbracht onder eigen naam, al waren deze songs bedoeld voor een tribute project voor zijn overleden vriend Ted Demme. Drie jaar na de plaat van dat project, Blackberry Belle van The Twilight Singers, bracht hij de originele versies uit op zijn eigen label Infernal Recordings. Maar terug naar Random desire: soms hoor je echo's van de jeugdige Dulli, van Afghan Whigs ten tijde van Gentlemen. The tide, Pantomima en Sempre klinken daardoor zeer vertrouwd. Maar gelukkig zoekt hij het vaker ook in andere registers: ballads gedragen door een pianoriedel (Slow pan), een heel ander vocaal register (Lockless) of toch nog alternatieve rock maar dan met veel meer rust dan voorheen (It falls apart). Daardoor klinkt Random desire vooral als de volwassen plaat van een jeugdheld die eindelijk zichzelf puur en verlost van de toegevingen aan mede-bandleden durft tonen.
Beluister hieronder het volledige album:
21 februari 2020
Gelezen (139)
Over geweld - Hannah Arendt
De filosofe Hannah Arendt schreef deze tekst niet zo lang na de studentenrevolutie van 1968 en hoewel dat sommige voorbeelden misschien wat gedateerd maakt, blijven de inzichten in dit boek over geweld (en de verhouding tot macht, voornamelijk) ook vandaag interessant. Alleen: zo'n filosofisch boek lezen is altijd ook wat worstelen met de veelheid aan concepten en ideeën, die tijd nodig hebben om ze te laten bezinken.
Ik vroeg me ook af hoe ze naar sommige ontwikkelingen van de laatste decennia zou kijken vanuit die bril van macht en geweld...
Niets in zicht - Jens Rehn
Jens Rehn heeft een mooi (anti-)oorlogsboek geschreven en vermeldt daarin amper oorlogsgevechten. Toch beklijft het verhaal van twee drenkelingen in een rubberboot op de Atlantische Oceaan, één Amerikaan en één Duitser, net door de afstandelijkheid waarmee de personages benaderd worden en de vaagheid van de context. Daardoor komt de focus te liggen op de universele strijd om te (over)leven en op de gedachten van de hoofdpersonages. Gekweld door dorst (naast andere ontberingen) en voor één van hen zelfs een schotwond waardoor hij een arm kwijt is, drijven de twee op het water zonder veel hoop op redding, want hoe vaak en hoe intens ze ook turen, steeds is het "niets in zicht". De auteur slaagt erin om in dit prachtig boek zeer scherp existentiële thema's aan te raken zonder gruwel expliciet te maken, maar tussen alle regels door lees je hoe het bestaan zelf zich van zijn hardste kant laat zien.
Naziliteratuur in de Amerika's - Roberto Bolaño
Roberto Bolaño beoefent hier een wel heel bijzondere vorm van romanschrijfkunst, door zijn boek op te vatten als een verzameling biografieën van Amerikaanse rechtse auteurs (dichters, romanschrijvers,...) die allemaal gemeen hebben dat ze nooit echt bestaan hebben en ontsproten zijn aan zijn fantasie. De personages staan soms in onderling verband, soms niet, ontmoeten soms reële historische figuren en situeren zich zowel in Zuid-Amerika, Midden-Amerika en de Caraïben en zelfs de VS. De schrijver weet hun levensverhalen op een vlotte, aangenaam leesbare manier te brengen en je vergeet haast dat deze mensen nooit echt bestaan hebben en hun werken evenzeer verzonnen zijn.
Over normaliteit en andere afwijkingen - Paul Verhaeghe
Wie bekend is met het werk van Paul Verhaeghe (of zelfs, zoals ik, ooit les van hem kreeg) zal in dit beknopte boek wellicht weinig nieuws vinden. Toch is het een interessante en vlotte (en niet al te uitgebreide) inleiding tot het denken van de maatschappijkritische psychoanalyticus.
Het opzet van het boek is overigens wel zeer interessant. De uitgevers van deze reeks (Nieuw licht) vragen een auteur om een belangrijk werk uit b.v. de filosofie te herlezen en te becommentariëren vanuit de huidige tijd. Zo trekt Verhaeghe hier aan de slag met de "Geschiedenis van de waanzin" van Michel Foucault en toetst hoe relevant dat boek nog is voor deze tijden en welke ideeën van toen te herkennen zijn in wat zich tegenwoordig rondom ons afspeelt.
Oostwaarts. Reizen door de Balkan, het Midden-Oosten en de Kaukasus - Robert D. Kaplan
Net als Balkan ghosts, waar dit boek in zekere zin een vervolg op is, combineert Robert D. Kaplan reisverhaal en politieke analyse in een boeiend relaas waarin zijn journalistieke contacten hem helpen vanuit de geschiedenis van de bezochte landen hun huidige status en mogelijke toekomst te begrijpen. Al is de analyse intussen ook alweer zo'n twintig jaar oud, ze blijft verhelderend, want Kaplan bezoekt niet alleen enkele Balkanlanden opnieuw maar reist verder naar het Midden-Oosten (Turkije, Syrië, Libanon, Jordanië en Israël) en de Centraal-Aziatische landen van de Kaukasus (Georgië, Armenië, Azerbeidjan en Turkmenistan). Zijn voorspellingen zijn zeker interessant maar doordat die landen zo weinig in onze berichtgeving voorkomen, zou het wat opzoekwerk vergen om te checken wat er intussen (al) van uitgekomen is...
Labels:
actua,
boeken,
filosofie,
geschiedenis,
gezondheid,
literatuur,
mening,
reis,
samenleving
15 februari 2020
Jozef Van Wissem
Nog nooit heb ik op een fuif iemand horen uitroepen "ah, eindelijk: de luit!" en nog nooit heeft een mainstreamartiest gedacht dat hij of zij nog enkele duizenden exemplaren van zijn topalbum meer zou kunnen verkopen als hij er maar ergens het geluid van dit wonderlijke instrument prominent een plaats op gaf. En, eerlijk gezegd, dat is een beetje jammer want muziek zou niet enkel mogen draaien om floorfillers en gouden platen. En af en toe, zo een paar keer per jaar, zou je als muziekliefhebber verrast moeten kunnen worden door prachtige composities die de luit de plaats geven die het instrument verdient.
Gelukkig ken ik iemand die al heel lang zijn liefde voor luit luid rondbazuint middels platen die, sinds ik hem ontdekte, telkens weer weten te bekoren. De in Brooklyn wonende Nederlander Jozef van Wissem heb ik op deze blog al meermaals aangeprezen en dat zal ik ook bij de release van zijn nieuwste plaat, Ex mortis, niet nalaten. Al word ik beschouwd als een roepende in de woestijn, roepen zal ik!
Absoluut hoogtepunt op deze plaat is het duet met Jarboe, bekend van Swans. Vox populi vox dei combineert de lieflijkheid van de muziek van Jozef van Wissem met het afwisselend lugubere en bovenaardse van de zang van Jarboe. De tegenstelling uit de titel wordt opgeroepen door lage stemmen en een soort hogere stem uit de hemel, maar dan wel één die niet engelachtig klinkt. Hoe vaak je deze song ook beluistert, intrigerend en fascinerend blijft hij.
Dat geldt zeker ook voor nummers als Gnosis (dat zowaar modern klinkt door de evocatie van een beat eronder) en Consume the sacrifice waarin percussie de ruimte voor de luit afbakent. Zoals wel vaker weet Jozef van Wissem een orgelpunt te plaatsen met het zware, droefgeestige You are in me and I am in you eternally.
Beluister hieronder het volledige album, dat je hier kan kopen bij Consouling:
12 februari 2020
Gelezen (138)
Het lichaam: een reisgids - Bill Bryson
Ik kan je wel vertellen dat ik bijzonder blij was toen ik van mijn lief dit boek cadeau kreeg met nieuwjaar. Net als in zijn vorige boeken (althans, diegene die ik al las) slaagt Bill Bryson erin een moeilijk, wetenschappelijk en ruim onderwerp als het menselijk lichaam op een heldere, leerrijke en ook vaak grappige wijze begrijpelijk te maken. Systematisch verkent hij per domein van het lichaam de beschikbare kennis en vertelt daarbij ook over de geschiedenis van het tot stand komen van die kennis. Daarmee is het niet alleen vanuit biologisch standpunt maar ook vanuit historisch oogpunt vaak heel interessant.
De kolonel krijgt nooit post - Gabriel García Marquez
Hoewel een korte roman (minder dan 100 bladzijden) beschouwde de Colombiaanse Nobelprijswinnaar dit toch als zijn beste werk. In dit verhaal over een kolonel die al een eeuwigheid wacht op een beloofde vergoeding door de overheid voor het vervullen van zijn plicht, weet Gabriel García Marquez de armoede, de wanhoop en het geloof in een illusie zo treffend te beschrijven dat je hoopt op een goede afloop. Ik kan goed begrijpen waarom de auteur zelf zo tevreden was over dit boek: bondiger en afgemetener kan je een verhaal niet vertellen en toch de essentie ervan vatten.
Mythos. De Griekse mythen herverteld - Stephen Fry
Als die excentrieke oom die gestudeerd heeft en aan wie je letterlijk alles mag vragen, zo hervertelt Stephen Fry de Griekse mythen in dit boek. Daarbij legt hij verbanden uit, maakt zij-uitstapjes naar o.a. Shakespeare en Lord Byron, duidt de etymologische verbanden tussen de personages en de dingen die in het Grieks naar hen vernoemd zijn en tovert daarmee zo'n wereld te voorschijn van cultuur, helder gemaakt voor iedereen, dat je bewonderend dit boek uitleest.
Labels:
boeken,
cultuur,
geschiedenis,
gezondheid,
leven,
literatuur,
mening,
wetenschap
10 februari 2020
Clock Opera
Hun debuut Ways to forget in 2012 was zo veelbelovend dat ik de naam Clock Opera al opschreef bij mijn lijstje altijd in het oog te houden bands. Vijf jaar later pas kwam er een vervolg en gelukkig hebben we dit keer niet zo lang moeten wachten, want kijk, daar is Carousel. Dit derde album lost gelukkig de verwachtingen in met die bijzondere muziek die ook al hun debuut kenmerkte.
De grootstedelijke sound blijft aanwezig: een frenetieke mix van electronica en gitaren, gejaagd klinkend als het nooit aflatend verkeer en nooit helemaal tot rust komend. Maar sinds 2012 zijn vele steden veranderd: de auto kreeg een minder prominente plaats en de levenskwaliteit van de bewoners kreeg meer prioriteit, inclusief de broodnodige rust af en toe. Het lijkt wel alsof de Londense band mee geëvolueerd is. Waar ze ons niet echt rust gunden op dat debuut, mogen we nu achteroverleunen in onze trendy cocktailzeteltjes in de loft bij Imaginary nation en dompelen ze I surrender weliswaar in een bad electronische geluiden tot het er druipend weer uit komt, maar toch voel je bij beluistering de rust en berusting die ook al in de titel zit.
Maar geef mij toch maar het welhaast hyperkinetische, duidelijk 21e-eeuwse geluid van Howling at the moon of Snake oil, waarin de band zich op zijn best laat zien.
Beluister hieronder het volledige album:
09 februari 2020
John Moreland
Alleen al A thought is just a passing train is de aanschaf van LP5 van John Moreland waard, want songs als deze komen je niet elke dag aandwarrelen. Het is niet alleen een lekker relaxt nummer maar naarmate het vordert, komen de funky toetsen meer op de voorgrond te staan.
Het is iets wat me nog meer opvalt aan dit album: hoewel de liedjes duidelijk een plaats hebben in de wondere wereld der singer-songwriters, krijgen ze veel diepte mee door funky bassen en een soulvolle productie. De artiest uit Tulsa (Oklahoma) heeft zijn muziek duidelijk verankerd in een bedje van roots maar durft buiten de lijntjes te kleuren en daar hou ik wel van.
In songs als I always let you burn me to the ground voegt hij aan het klassieke palet immers weidsheid toe, de mondharmonica klinkt zalig in Let me be understood en East october ontpopt zich tot een verrassende oorworm.
Deze plaat heeft me benieuwd gemaakt naar zijn vorige vier platen...
Je kan dit album hier kopen via zijn Bandcamppagina en alvast hieronder beluisteren:
08 februari 2020
Rumours
Er gaat een kracht uit van de EP How many roses van Rumours die je verrast. Op het label van Fenne Kuppens en Kobe Lijnen (allebei lid van Whispering Sons) debuteert die Gentse viertal met vijf songs die de mystiek van The Knife in ere houden met toegankelijke dreampop. Seven imiteert helikoptergeluiden vooraleer uit te barsten in een gothic dancenummer en het titelnummer dwaalt door een nachtelijk bos in een wapperend slaapkleed. Alle songs wekken onze fantasie en de stem van de (beide?) zangeressen neemt je bij de hand op ontdekkingstocht door een donkere maar fascinerende wereld.
Je kan de EP hier kopen via de Bandcamppagina van Sentimental en hem hieronder alvast beluisteren:
Labels:
2020,
embedded player,
ep,
mening,
muziek,
nieuwe release
07 februari 2020
Matt Watts
Laten we hier maar meteen duidelijk over zijn: Queens is, hoe goed ik Wayward wind ook vind, de beste plaat die Matt Watts al maakte. De folk die zo overheerste op de vorige platen van de in ons land wonende Amerikaan is verruild voor een rijker geluid en de singer-songwriter klinkt, ondersteund door zijn groep met o.a. (ex-)leden van Zita Swoon, Die Anarchistische Abendunterhaltung, Dez Mona en Guido Belcanto, vooral volwassener.
Dat hoor je onder meer in een song als Smoke all around my brain, een muzikaal gelaagd nummer dat zich naadloos invoegt in decennia rock- en popgeschiedenis alsof het er altijd al geweest is, of het heerlijk uitwaaierende Penniless carpenters dat zijn country-toetsen spaarzaam genoeg uitspeelt om het beste van twee werelden te verzoenen. Gastvocalen worden ingezet waar ze het lied naar een hoger niveau tillen: With every healing mile begint al als een verhaal over een man die zijn eigen liefde vreest en niet in het gezicht durft te kijken en dan verlenen de vrouwenstemmen op de achtergrond extra dramatiek. Op There I have come for you, een heerlijke country-meestamper (maar dan van het soort dat niet de clichés omhelst maar de essentie van het genre), horen we Jim White meezingen als was hij de "wing-man" op de weg van het leven. Sandy Dillon levert dan weer haar bijdrage aan Song for James, dat de vergankelijkheid van roem omarmt en door Dillon's bijna smachtend zingen nog triester en fatalistischer klinkt.
Maar er is meer: de cover van Billie Jean (van Michael Jackson) zegt vaarwel tegen de dansbare productie van Quincy Jones en knuffelt de kwetsuren die het drama de hoofdrolspelers heeft laten oplopen. Niet langer worden we weggeleid van het verhaal door dansmoves en blitse pop maar worden we gedwongen écht te luisteren naar de tekst. En ook de twee bonustracks zijn zeer de moeite waard. I don't know where my baby is is een vertaalde versie van Ik weet niet waar mijn meisje is van Guido Belcanto, die hier in duet gaat met Matt Watts. Hier wordt het bewijs geleverd dat Belcanto door het beperkte bereik van zijn taal (en taalgebied) belemmerd wordt om erkend te worden als de grote songwriter die hij toch is. En Eriksson Delcroix wiegen lekker mee op het lome Rachel, een song die je meeneemt naar Amerikaanse weidsheid vanuit je schommelstoel.
Matt Watts bewijst op deze plaat dat hij nog steeds een fantastische verhalenverteller is en doet dat met een muzikaal palet dat door de jaren heen gevarieerder, rijper en minder aan één genre gebonden is. Zijn debuut destijds met The Calicos (die tegenwoordig hun eigen weg gaan) kreeg jammer genoeg niet de aandacht die het verdiende dus ik smeek u: maak niet dezelfde fout en laat de eer en lof die Matt Watts met deze plaat toekomen, eindelijk zo groot zijn als hij verdient.
Je kan deze plaat hier kopen via Starman Records en alvast hieronder beluisteren:
06 februari 2020
Blue Yser
Blue Yser, het muzikaal alter ego van Mathias Bourgonjon, is een fijne Brusselse singer-songwriter die net zijn eerste EP uit heeft: At times, present. Daarop vind je vijf mooie, kleine popsongs die vooral drijven op de zoete stem van de Brusselaar. Zo weet Land of time een snaar te raken door een combinatie van goeie poprockmelodie en een licht nostalgische zang. De songs klinken overigens stuk voor stuk tijdloos, niet onderhevig aan de mode van het moment maar hadden eender wanneer in de voorbije twintig jaar uitgebracht kunnen zijn. Goed debuteren is half gewonnen, zullen we maar zeggen.
Beluister hieronder de volledige EP:
Retro review: Gavin Friday And The Man Seezer
We duiken terug in de tijd naar begin jaren negentig, toen ik nog studeerde en in mijn vriendenkring een jongeman zat die nog meer van muziek afwist dan ik. Op een dag, wellicht in de late uren in een café in het Gentse Patershol, raadde hij me een plaat aan. Het is te zeggen: hij noemde ze nog niet maar zei dat hij me een album zou uitlenen waarvoor ik zijn instructies voor het beluisteren strikt moest opvolgen. En die luidden als volgt: je doet het licht uit 's avonds, als het buiten donker is, zodat er enkel wat licht van buiten je kamer binnenvalt. Je legt je op bed klaar om te luisteren en zorgt dat niemand je komt storen. In die volledige visuele en auditieve stilte druk je op de play-knop en je beluistert de plaat in één enkele keer, daarbij je best doend om elk woord te verstaan en in je op te nemen.
Ik volgde de instructies en het effect was dat ik meer dan gewoonlijk de plaat in me binnen liet stromen, met volle aandacht. Ik luisterde naar mijn andere platen immers meestal terwijl ik bezig was en dus minder aandachtig, maar de instructies dwongen mij enkel Gavin Friday's plaat Each man kills the thing he loves toe te laten. En mijn god, wat was dit een prachtplaat!
Ik kende vooraf de Ier niet en had weliswaar al Apologia (dat op deze plaat staat) gehoord in een uitvoering op de eerste 2 meter sessies-compilatie (mooi maar die plaat staat dan ook vol parels). Ik wist niks van zijn verleden bij The Virgin Prunes (een groep waarvan ik later platen zou kopen en uitlenen uit de bib en die me verraste, deels omdat er toch nog een brede kloof gaapt tussen wat zij uitbrachten en het solo-werk van Friday).
Each man kills the thing he loves is het solodebuut van Gavin Friday en de titel komt uit een gedicht van Oscar Wilde (The ballad of Reading gaol). Behalve The Man Seezer (waarover straks meer) spelen ook Bill Frisell en Marc Ribot mee op deze plaat. Het album kan je horen als een verhaal waarin verschillende stadia van rouw om wat was (een verloren liefde, verloren illusies, een schrikbarende blik op de eigen sterfelijkheid en kwetsbaarheid,...) elkaar afwisselen maar het is toch vooral een verzameling songs waarin Gavin Friday zijn liefde voor Oscar Wilde, Brecht en Weill, cabaret en theatraliteit en drama tentoonspreidt, in songs die gedoseerd de rauwheid van emoties (niet in het minst woede) exploreren. Daarbij doet geen enkele song onder voor de andere en er zitten echt wel parels tussen: behalve het al genoemde Apologia (dat intussen mijn favoriet geworden is) bijvoorbeeld ook covers van Brel (Next!, bij Brel Au suivant! getiteld) en Dylan (Death is not the end).
Van Gavin Friday ben ik platen blijven kopen en beluisteren en de Ierse zanger hoort tot mijn favoriete artiesten, onder meer door zijn compromisloze houding als het aankomt op het aanklagen van mistoestanden (niet zelden binnen de Kerk, in Ierland nog altijd zeer invloedrijk). Maar één vraag heb ik nooit verder uitgezocht, tot nu:
Wie is The Man Seezer?
In feite heet hij Maurice Roycroft en was hij pianist en cellist toen Gavin Friday hem ontmoette en na het ontbinden van The Virgin Prunes met hem songs begon te schrijven. Later zou hij zich Maurice Seezer laten noemen. Naast de drie albums met Gavin Friday (dit en verder nog Adam 'n Eve en Shag tobacco) is hij vooral bekend om zijn filmmuziek, onder meer voor films van Baz Luhrmann. Ook voor theater schreef hij muziek en hij herwerkte Peter en de wolf van Sergei Prokofiev voor een benefiet-cd voor een goed doel in Dublin. Verder werkte hij ook nog samen met o.a. Maria McKee, Sinéad O'Connor, Bono (voor de soundtrack van In the name of the father) en Black (die je kan kennen van die ene hit, Wonderful life).
Each man kills the thing he loves is een plaat die je ook zonder de instructies die mij toen gegeven werden, op te volgen. Aandachtig luisteren helpt wel om de volle diepte en rijkdom ervan te waarderen. En wees hier alvast zeker van: nooit zakt deze plaat in en elke song is een bijkomende schakering in een verhaal dat je deels zelf kan vormgeven rond de nummers. En de kans is groot dat ook voor jou dit gaat behoren tot de gekoesterde platen in je platenkast...
Beluister hieronder het volledige album:
Labels:
mening,
muziek,
nostalgie,
persoonlijk,
retro review,
spotify
05 februari 2020
Interview Uncle Wellington
Enkele weken geleden kon je hier lezen hoe Uncle Wellington nog één keer knalde eer ze een punt zetten achter hun carrière. Voor veel van hun fans zal dit wellicht als een verrassing gekomen zijn. Ik trok erop uit en sprak erover met Jonas Bruyneel (JB), maar ook over heel wat meer:
Met twee singles kondigden jullie ook het einde aan van Uncle Wellington, na vijf jaar. Vanwaar deze beslissing?
JB: Eigenlijk zijn we vroeger begonnen metUncle Wellington, aanvankelijk nog als Uncle Wellington's Wives. Vijf jaar daarvan waren in de huidige bezetting. Deze zomer wouden we beginnen aan de opnames van een nieuwe plaat. We merkten dat de nummers een andere richting uitgingen. Aanvankelijk waren we immers gestart als een folkband, daarna werd het meer folkelektronica en deze songs zouden echt voornamelijk elektronica worden. Ook tijdens onze optreden merkten we dat. Toch voelden we dat zowel bij publiek als concertorganisatoren en platenmaatschappij verwachtingen leefden die niet meer overeenkwamen met wie we geworden waren. Bovendien bleek dat we in België nog maar weinig optraden, dat het vooral in Engeland was en alle bandleden hadden ook andere projecten lopen hier. Daarom besloten we samen om Uncle Wellington af te sluiten. Die beslissing viel op tour en we kozen ervoor om nog twee singles op te nemen, samen met verscheidene muzikanten met wie we samenwerkten op tour, in studio's in de plaatsen waar we kwamen. Zo namen we onder meer op in Bath en in Keighley nabij Manchester. Zo'n tien artiesten spelen op beide singles opgeteld mee met de band. We werkten voor het eerst samen met producer Klaas Tomme, maar voor het mixen kozen we voor Filip Tanghe, met wie we al vijf jaar lang samenwerken. Toon Delanote heeft vanaf het begin alle artwork verzorgd, al sinds de Wives, en hem wilden er ook dit keer bij. Op die manier wilden we Uncle Wellington zoals het was en met het beeld dat het publiek van de band heeft, afronden tot een geheel: dít was Uncle Wellington. Als iemand muziek van Uncle Wellington zoekt in de toekomst, komen ze niet uit bij een band die in feite anders is en andere muziek brengt, maar zo blijft dit één geheel dat als dusdanig herinnerd kan worden, zowel door ons als door ons publiek. Dat leek ons eerlijker dan vervellen, waar we ook niet de mogelijkheden toe hadden omdat je dan de promo nodig hebt die die koerswijziging laat verteren. Dat is eigenlijk enkel weggelegd voor groepen waar zowel publiek als platenmaatschappijen voldoende vertrouwen in hebben zodat ze bereid zijn je in die vervelling te volgen.
Je sprak al over het artwork van Toon Delanote. Hij heeft inderdaad het grafisch aspect van de groep sterk bepaald. Wat maakt zijn stijl zo passend voor Uncle Wellington?
JB: Het begon allemaal toen we als Uncle Wellington's Wives gevraagd werden om te spelen op een vernissage van werk van Toon. Toen we dat zagen, waren we zo sterk onder de indruk dat we voor onze eerste plaat hem vroegen voor het artwork. Ik had toen een lang gesprek met hem waarin ik hem onder meer over het verhaal achter de plaat vertelde, over de dood van mijn zus nu twintig jaar geleden, over de mensen in onze omgeving die we op korte tijd verloren
waren, zonder hem de lyrics te laten lezen van de plaat. Toen hij een voorstel maakte voor het artwork, bleek hij geweldig goed te kunnen luisteren en vatte dit echt die plaat. We hielden ook enorm van zijn stijl, met kleuren over elkaar heen. Bij de tweede plaat gingen we op dezelfde manier te werk. Ik had toen vooral geschreven tegen de achtergrond van de ziekte van mijn vader. Opnieuw wist hij dit heel goed te vatten in beeld. Zo ben ik met hem blijven samenwerken, ook binnen mijn opdracht als stadsdichter (Letterzetter) van Kortrijk. Hij kan immers heel goed luisteren en de gevoelsmatige essentie vatten en weergeven in een beeld. Ook bij deze singles, waarvan de beide hoezen samen één tekening vormen, had ik een gesprek met hem. Er zat dit keer voor mij niet echt een verhaal achter de songs, maar ik vertelde wel hoe we tot de beslissing gekomen waren om te stoppen en hoe de singles tot stand waren gekomen. De emotie daarvan heeft hij dan vertaald in dit artwork, dat ook niet eenduidig te begrijpen valt. We hoorden al van mensen die het nogal een luguber beeld vormen, van een mens die daar ligt. Voor mij persoonlijk is het net een beeld dat veel warmte uitstraalt, alsof iemand op een warm tapijt ligt, erg troostrijk. Het toont ook de zachtheid van handen en drukt troost bij het afscheid uit voor mij. Dat het geen één-op-één betekenis heeft, is net wat ons in zijn werk ook zo aanspreekt.
Als je terugblikt, welk gevoel overheerst dan?
JB: Het is zeker één van de leukste dingen die ik al ooit gedaan heb. We hebben keihard gewerkt en, zoals dat nu eenmaal gaat, hebben we ook veel teleurstellingen opgelopen, maar het gevoel is toch vooral positief.
Er is minder uitgekomen dan we verwacht hadden en we hebben minder mensen bereikt dan we gehoopt hadden. Je kan wel zeggen dat je het niet doet voor het succes, maar je wil toch genoeg mensen aanspreken met je muziek en door genoeg mensen gehoord worden. Dat had beter gekund.
Wat zijn de fijnste of markantste herinneringen?
JB: Vooral aan de tournees hebben we fijne herinneringen, aan hoe we met de mobilhome rondtrokken. Driemaal hebben we op die manier getourd. Het fijne is ook dat we met deze groep altijd op één lijn gezeten hebben, niet alleen wat betreft het muzikale maar ook qua gevoel. Ook toen we besloten te stoppen, had iedereen zowat hetzelfde gevoel op hetzelfde ogenblik. Er is niemand die niet dat gevoel deelde dat in deze vorm we uitverteld zijn. Wel willen (en zullen) we nog samenwerken, wellicht ook met ons vijven, maar het zal niet in deze vorm en onder deze naam zijn.
Hoe zie je dat dan precies?
JB: Ik denk dat het zo een beetje kan zoals bij Mauro Pawlowski. Die doet heel uiteenlopende dingen en soms met dezelfde mensen, maar elke nieuwe verschijningsvorm waarin hij muziek maakt, elke nieuwe gedaante en elke echt nieuwe muzikale weg die hij inslaat, krijgt een andere naam zodat mensen weten wat ze wel en niet mogen verwachten. Wij zien onszelf al langer als een soort gemeenschap van muzikanten die ook heel wat andere dingen, in verschillende combinaties, samen maken. En deze vorm, die we kunnen samenvatten als “Uncle Wellington”, die is uitverteld.
Kan je voor jezelf een absoluut hoogtepunt noemen van die jaren samen?
JB: De tweede show die we speelden in The Exchange in Keighley, nabij Manchester, is voor mij toch wel het beste moment. We hadden daar al eens eerder gespeeld, maar toen waren we daar totaal onbekend en niemand, ook van de zaal, wist wat te verwachten. Het optreden was heel goed en iedereen was daarna zeer blij en vol lof. Toen we er een tweede keer optraden, wisten ze natuurlijk wel al wat ze zouden krijgen. We werden heel enthousiast ontvangen, het was bovendien de verjaardag van Frie en onze mobilhome stond gewoon voor de deur geparkeerd. De afterparty met de eigenaar van de club duurde tot in de vroege uurtjes, we werden samen zo dronken. De man was zelfs zo dronken dat hij het nummer van zijn eigen alarm van de club vergeten was en dat ging daar 's morgens heel vroeg af voor de hele buurt. Ook de shows met Vive La Fête in Nederland en natuurlijk de opening van de tentoonstelling bij de presentatie van onze plaat horen tot de beste herinneringen.
Jullie waren ook altijd artistiek met andere dingen bezig. Dat bepaalde in grote mate mee hoe jullie klonken en hoe jullie zich presenteerden. Waren jullie zich daar zelf sterk van bewust?
JB: Jazeker en het was tegelijk onze sterkte maar ook onze zwakte. De sterkte ervan lag in het feit dat je een bepaald soort publiek aanspreekt, niet enkel op basis van de muziek, maar ook met de video's en het artwork en de tentoonstelling en de teksten. Tegelijk beperkte het ons ook in hoe groot dat publiek zou worden dat we konden aanspreken want voor veel mensen was Uncle Wellington te complex, moeilijk te vatten. Velen willen gewoon een band zien die muziek maakt, horen wat die doen en zien wie het zijn. Het voelde soms alsof we te elitair waren en te weinig nog gewoon een “band” waren. Zo kwamen we zelf weinig in beeld: je ziet ons niet in de clips, onze albumvoorstelling was een tentoonstelling van grafisch werk van iemand anders,...
Wie waren jullie belangrijkste invloeden?
JB: Voor mij als songwriter waren de grote voorbeelden toch vooral Tom Waits, Lou Reed, Nick Cave en niet in het minst Scott Walker, die veel rare maar bijzonder interessante muziek schreef. Daarnaast hadden we een soul- en jazz-zangeres die naar zulke artiesten in het geheel nooit luisterde en een hiphopdrummer. Sven luistert vooral naar echte, pure goed geschreven popmuziek en Esther houdt dan weer vooral van meer experimentele muziek. Eigenlijk zijn er in Uncle Wellington geen twee muzikanten die naar dezelfde
muziek luisteren. Dat maakt dat er nooit “één” invloed was voor de band, maar iedereen hanteert de stijl die past bij de muziek waar hij of zij zelf graag naar luistert. En op een of andere manier paste dat allemaal bij elkaar.
Heeft dat samenbrengen van die verschillende stijlen invloed gehad op de evolutie die Uncle Wellington doormaakte?
JB: Vooral vanuit onze live-optredens groeide toch dat we evolueerden van een band die samenzang tot haar sterkte wou maken naar een groep met de stem van Frie duidelijk op de voorgrond. Wanneer je iemand hebt die zo goed en warm kan zingen, mag je dat niet afzwakken door de zang van anderen errondheen en moet je dat zeker in de refreinen naar voren trekken, niet dan wegstoppen in de harmonie van ons alle vijf samen. Frie kon voordien nooit echt uithalen en tonen wat ze in haar mars had en daar zijn we toch enorm in gegroeid. Zo vreemd was dat overigens niet als je bedenkt dat de eerste EP eigenlijk gewoon gemaakt is in de huiskamer met eigen opname-apparatuur en vanuit ideeën die we hadden, waaronder dat samenzang altijd mooi is. Er was tussen wat we toen deden en wat we live brachten, op dat moment geen verbinding. Naarmate we langer bestonden, werden we ons echter meer bewust van onze sterktes, waaronder dus die fantastische stem van Frie die je niet moet kooien, en dat is wat je vooral qua evolutie hoort.
Hoe gaat het nu verder, voor jou, voor de andere bandleden?
JB: Iedereen is druk bezig met vanalles. Frie en Renaud spelen samen in de hiphopband Shore Shot en brengen in mei een plaat uit. Esther toert momenteel met Jan Verstraeten en met Noémie Wolfs. Zelf maak ik samen met Frie deel uit van de live-band van Vincent Coomans en hij brengt nog dit voorjaar een EP uit, waarvan ik de productie doe en die hier opgenomen is bij mij. Samen met Esther speel ik ook in WolfeWolfe, nederlandstalige triphop met een klarinet en met poëzie van mezelf. Esther speelt dan weer samen met Sven in Galine. Bovendien doet iedereen ook nog een hoop tijdelijke dingen.
En misschien doen jullie dus ooit nog eens iets samen met jullie vijven?
JB: Dat is zeker mogelijk in de toekomst, al zal het verschillen van wat we met Uncle Wellington hebben gedaan. Dat werd bepaald door de geschiedenis daarvan, door de toevalligheden die ontstaan in het samenwerken met die gezamenlijke geschiedenis en ieders eigen geschiedenis. Zo vertrokken we bij Uncle Wellington altijd vanuit wat ik schreef en op die basis bracht iedereen zijn eigen ding in. In een toekomstig project zullen we een andere geschiedenis hebben, zullen we wellicht van een ander vertrekpunt starten en dat zal de toevalligheden die die band maken, beïnvloeden. Want het kan nooit twee keer helemaal hetzelfde zijn.
Bedankt voor dit gesprek
03 februari 2020
Squarepusher
In een ver verleden, zo herinner ik me nog vaag, ging ik naar een evenement in de Gentse Vooruit waar allerlei experimentele nieuwe elektronische muziek geprogrammeerd stond naast één of twee headliners (waarvan ik echter de naam allang vergeten ben). Verspreid over de verschillende ruimtes kon je luisteren naar artiesten en DJ's die de mogelijkheden van elektronica demonstreerden en vierden dat je met soms vrij elementaire middelen ook al muziek kan maken. Als ik me niet vergis, speelde ook Legowelt er (een naam die ik nog wel eens hier en daar lees) maar het meeste indruk maakte toch een soort installatie waarop je je eigen, meegebrachte Gameboy kon op aansluiten en de al die geluiden van de spelers, aangesloten op de installatie, werden live door de DJ gemixt tot een geheel van opwindende experimentele songs.
Daaraan moest ik meteen denken toen ik Be up a hello hoorde, het nieuwste album van Squarepusher, waarop de meeste nummers klinken alsof ze met het geluidenarsenaal van die Gameboys en andere consoles zijn gemaakt. Maar deze plaat verdient meer dan de reputatie van gimmick. Gemaakt op oudere hardware (waaronder zelfs een Commodore-computer uit de jaren tachtig) werden alle tracks opgenomen als een vloeiende stroom en dat geeft deze plaat een flow die je soms mist bij IDM-artiesten. Terwijl zijn generatiegenoten Aphex Twin en Autechre stilaan (relatieve) faam genieten bij een groter publiek, is Tom Jenkinson (de echte naam van de man achter het project) vooral altijd ergens aanwezig geweest: hij komt nu niet door de voordeur binnen, simpelweg omdat hij al jaren stilletjes in je huisje woont.
Putten doet Squarepusher uit diverse subgenres waaronder een aanzienlijke hap drum 'n bass. In Vortrack groeit hij zelfs naar een hoogtepunt zoals ik dat vroeger vooral bij Ed Rush en Optical hoorde, of Bad Company (niet de rockgroep!). Het zal vast een schok zijn voor wie de naam op het spoor kwam via de meditatieve muziek voor kinderen die hij maakte voor CBeebies (een BBC-kinderprogramma) maar wie goed luistert, ontdekt ook dat aspect van zijn muzikaal kunnen. Want hoe hard de beats ook soms uit de bol gaan, vaak worden ze gecombineerd met iets meer zweverige tonen. Zo begint Terminal slam best wel rustig voor dit soort muziek om langzaam uit te groeien tot springerige drum 'n bass.
We zitten op dat moment in de plaat al een eind van het vrolijke, Japans-aandoende popdancegeluid van Hitsonu of Oberlove, maar vergis je niet: ook daar is voor de goede luisteraar al een wegwijzer te horen richting wat later op de plaat volgt.
Daarmee is Be up a hello één van de meest interessante platen uit zijn recente oeuvre en grijpt hij in zekere zin terug naar de opwinding die hij in 1996 en 1997 veroorzaakte met Hard normal daddy en Big loada. Niet voor niets was hij toen één van de wonderboys van het Warp-label en misschien hebben vele van zijn toenmalige fans gaandeweg wat afgehaakt maar met deze plaat bewijst hij alvast nog steeds uw oor meer dan waard te zijn.
Beluister hieronder het volledige album:
Abonneren op:
Posts (Atom)



























