25 februari 2026

Gelezen (163)


Zwarte zomer - Tea Tupajic

Tea Tupajic overleefde de gruwel van Srebrenica, waar Serviërs in de jaren negentig de Nederlands soldaten van de VN-vredesmacht belegerden en alle Bosnische jongens en mannen vermoordden. Twintig jaar later sprak ze met meer dan honderd van de Dutchbat-veteranen en verwerkte hun verhalen niet alleen tot een toneelstuk maar ook tot dit boek, dat via doorgaans korte fragmenten uit het leven toen en nu van de Dutchbatters (samengeweven tot zes prototypische personages) de dagelijkse realiteit daar tastbaar maakt. Ze slaagt er in om "de banaliteit van het kwaad" dichtbij te brengen, de terloopsheid van de gruwelijke ontwikkelingen. Het boek confronteert omdat het de laffe houding van het Westen zo zichtbaar maakt in de kleinste details. 


Open ogen - Remco Campert

In de dichtbundel Open ogen uit 2018 kiest Remco Campert voor grote toegankelijkheid van zijn gedichten, met weinig moeilijke woorden, met vaak korte gedichten en met een vlotte leesbaarheid. Dat zorgt ervoor dat de gedichten over het geweld in de wereld (de aanslagen in Brussel, de Syrische burgeroorlog, de haat tegen vluchtelingen,...) des te harder binnenkomen. Ze zijn niet omfloerst, verhullen de gruwel niet (en tonen die ook niet exhibitionistisch en sensatiezoekend) en treffen ze zo raak dat zelfs de slechte verstaander begrijpt wat Campert wil zeggen. Aangrijpend is bijvoorbeeld het gedicht over dat jongentje (van die iconische foto) die dood op het strand ligt, een kleuter verongelukt bij de oversteek over de Middellandse Zee.
Tussen deze ogen openende gedichten onderzoekt Remco Campert ook in meerdere gedichten het wezen van de poëzie zelf, als een dichter die zijn eigen métier in de handen neemt, langs alle kanten bekijkt en zo de essentie ervan tracht terug te vinden.
Deze bundel is een erg mooie verzameling gedichten die ook wie niet thuis is in de poëzie, kan aanspreken. Zeker wanneer de actualiteit (van toen, maar helaas nog steeds actueel) het onderwerp vormt, raakt hij evengoed het hart van de niet-poëzielezer. 


Een visje bij de thee: drieëntwintig verhalen en achtenzestig versjes uit eenentwintig boeken - Annie M.G. Schmidt

Een visje bij de thee is een bundeling van 23 verhalen en 68 gedichten van de gevierde Nederlandse auteur Annie M.G. Schmidt, met wie iedereen van mijn generatie opgroeide, zelfs hier in Vlaanderen. En mensen als ik geven graag het stokje door aan de volgende generatie. Toen mijn kinderen klein waren, las ik voor uit de grote gedichtenbundel van haar, 's avonds voor het slapengaan. Willekeurige bladzijden werden gekozen en ik las voor, af en toe dezelfde gedichten (diegene die het meest succes hadden). Jip en Janneke en Pluk van de Petteflet, ook grote voorleesfavorieten in veel gezinnen, heb ik hen nooit gedeclameerd. Maar ik heb nog steeds dierbare herinneringen, zowel uit mijn eigen kindertijd als uit de hunne, aan die leuke gedichten.
Het was dus nostalgie die me dit boek in Nederland tweedehands liet kopen en nu het boek uit is, kan ik alleen maar eerlijk bekennen dat ik nog steeds enorm genoot van de losse verhaaltjes en de gedichten die in deze bloemlezing zijn samengebracht. Want hoewel ze voor kinderen bedoeld zijn, weten ze ook de volwassenen te bekoren. Er is natuurlijk die mooie speelse taal die Schmidt hanteert, vol grappige rijmen en hier en daar zelf verzonnen woorden. Maar inhoudelijk blijven de verhaaltjes die intussen ruim een halve eeuw oud zijn vaak verrassend fris. Zo vertelt Het fornuis moet weg! over een meisje dat timmervrouw wil worden en een jongentje huisman. Ze bevragen heel wat volwassenen en de één roept dat het niet kan omdat God het niet wil en de ander dat het niet kan omdat het tegen de natuur is, maar door samen met een volwassene logisch na te denken, komen ze tot het besluit dat iedereen best datgene doet wat hij of zij het liefste wil. Annie M.G. Schmidt schotelt die wijsheid niet zomaar voor, nee, ze beschrijft het denkproces van de kinderen en de volwassenen waarmee ze overleggen, en zo wordt het besluit ook voor kinderen goed en helder onderbouwd.
Annie M.G. Schmidt laat in al haar gedichten en haar verhaaltjes een grote liefde voor kinderen zien, waarbij ze soms de heersende normen (over braaf en stout, in die tijd) laat vertegenwoordigen door menselijke en dierlijke personages, maar soms ook gewoon het ondeugende dat in elk kind zit, ruimte geeft.
Soms hebben kinderen en zelfs volwassenen iemand nodig die beide polen in zulke mooie taal een plaats geeft, vroeger, vandaag en in de toekomst. 

In aanwezigheid van Schopenhauer - Michel Houellebecq

Als ik vergeten zou zijn waarom ik niet graag filosofie lees, dan weet ik het dankzij dit boek weer. Filosofie lezen vraagt een intellectuele inspanning die ik op zich wel bereid ben te leveren indien de opbouw zorgvuldig gebeurt zodat ik als lezer kan volgen, maar te vaak dient elk woord uitgebreid gedefinieerd te worden met weer nieuwe te definiëren woorden, zodat de draad algauw bedolven raakt onder een kluwen waar een kat staart noch kop noch eigen jongen in terugvindt.
Dat is helaas ook het geval in dit boek, dat uiteenvalt in twee delen. Er is immers eerst een uitgebreid voorwoord van de vertaler, Martin de Haan, dat ruwweg een derde van het boekje in beslag neemt. Hoewel ik graag de boeken van Michel Houellebecq heb gelezen, kreeg ik door dit voorwoord het gevoel me amper nog iets te herinneren van zijn romans. De vertaler probeert de evolutie in het denken van Houellebecq te schetsen van een fervente aanhanger van Schopenhauer en grote criticus van Wittgenstein tot positivist à la Comte en daarmee nuanceerder van Schopenhauers ideeën. Hij put hiervoor ruimschoots uit teksten van Houellebecq maar die zijn vaak zo ontdaan van de context van het verhaal waarin ze voorkomen (of de essasys) dat ze nauwelijks herinneringen oproepen aan waarover het boek ging waaruit ze komen.
Houellebecqs eigen tekst In aanwezigheid van Schopenhauer is wat dat betreft minder confronterend maar vertoont toch ook het euvel dat in mijn ogen zoveel Franse literatuur kenmerkt: het intellectuele spel (o.a. met de taal en met het denken) primeert te vaak over de inhoud. Dat euvel weet hij nochtans in zijn romans prima te vermijden, maar hier is het bij momenten moeilijk volgen voor lezers die zoals ik niet echt vertrouwd zijn met de werken van de filosofen zelf en enkel een synoptische kennis hebben van hun denkbeelden.
Gelukkig heeft Houellebecq ook in deze tekst nog steeds de volle beschikking over zijn kwaliteiten als schrijver en zijn perfect aanvoelen van wat ik een pre-postapocalyptische tijdsgeest zou durven noemen.  

Geen opmerkingen: