13 februari 2026

Gelezen (162)


Dode kamer - Erik Spinoy

Poëzie, zo zei een leraar Nederlands uit het middelbaar ooit, is de kunst om met zo weinig mogelijk woorden zoveel mogelijk te zeggen. Daar moest ik vaak aan denken bij deze bundel gedichten van Erik Spinoy. Vooral in het eerste en derde deel ervan staan veel gedichten die je volle concentratie vereisen omdat elke zin en bijna letterlijk elk woord meerdere betekenissen tegelijk gebruikt om in het korte bestek van het gedicht toch zoveel mogelijk te delen. In het eerste deel gaat het vooral over het verblijf in een exotisch, niet-gespecifieerd land en in het derde deel schetst Pinoy herinneringen uit zijn kindertijd.
In het tweede deel van de bundel staan dan weer de gedichten die hij maakte bij de kunstwerken (ik vermoed video-installaties) van de Belgische Ann Veronica Janssens. Een tijdlang waren kunstwerken én gedichten samen te zien op een website die nu helaas niet meer bestaat. Doordat je niet meer kan zien waar de gedichten bijhoren en/of een reactie op waren, mis je natuurlijk de helft van het plezier. Ik las wel ergens in een oude recensie van deze bundel (die uitgebracht werd in 2011) dat de gedichten heel beschrijvend zijn, maar toch...
Ik lees niet zo vaak poëzie (al nam ik mij intussen voor dat meer te gaan doen) dus een echt goed gefundeerde en door kennis gespekte mening pretendeer ik niet te hebben, maar het belangrijkste is dat ik alvast van deze verzameling gedichten genoten heb. 


Wat we kunnen weten - Ian McEwan

Ik lees zelden recensies van boeken die ik van plan ben te lezen, dus wellicht was mijn beeld vooraf sowieso onvolledig. Wat we kunnen weten van Ian McEwan werd in de berichtjes (vooral op sociale media) die me toch bereikten, vooreerst neergezet als een roman over de klimaatverandering. In het boek dat zich over iets meer dan 100 jaar afspeelt, kijken we over de schouder van het hoofdpersonage mee naar de gebeurtenissen en rampen die ons sinds pakweg 2025 overkomen ten gevolge van (o.a.) de klimaatverandering (die in de toekomst aangeduid wordt als De Ontwrichting).
Dat aspect blijkt uiteindelijk een niet onbelangrijk maar relatief klein deel te zijn van het verhaal en dit boek gaat in de eerste plaats over menselijke relaties, over schaamte, over wat liefde is,... Het gaat ook over overleven, maar dan niet zozeer in de betekenis van rampen overleven, maar van het dagelijks overleven in de omstandigheden waarin je terechtkomt door al dan niet bewuste keuzes én door toeval. Terloops worden allerlei onderwerpen aangereikt en lezen we er verstandige dingen over (zoals over sociale media, waarvan men zich in deze fictieve toekomst afvraagt hoe we ooit zo stom konden zijn die over te laten aan commerciële bedrijven in plaats van aan overheden die de publieke belangen voorop horen te stellen).
Het boek valt uiteen in twee delen: in het eerste deel volgen we literatuurhistoricus Thomas Metcalfe die in het midden van de tweeëntwintigste eeuw probeert het beroemde maar nooit teruggevonden gedicht (sonnetenkrans eigenlijk) Een lauwerkrans voor Vivien terug te vinden. In deel twee lezen we de tekst die hij uiteindelijk vindt bij die queeste.
Zoals ik onlangs nog tegen iemand zei: Ian McEwan stelt nooit teleur, je weet dat het een goed boek zal zijn. En dat is deze roman dus ook: het is een grootse roman die doet wat grootse literatuur doet. Hij zet je aan het denken over universele waarheden en hun betekenis voor je eigen leven.

Geen opmerkingen: