09 oktober 2020

Faces On TV


Faces On TV, de band rond muzikale duizendpoot Jasper Maekelberg, heeft twee jaar na debuutplaat Night funeral een EP uit, Keep me close, die weliswaar slechts vijf songs telt maar zeker de moeite waard is om ergens een plekje te geven in je platenkast.

Opener Womba is een springerige single, een zomer-bij-het-zwembadversie van Talking Heads met een vleugje Les Rita Mitsouko. Daarna volgt het tegelschuifelende Time after time, een behoorlijk zwoel nummer dat vol verwijzingen zit naar Roxy Music. Het is overigens een referentie die wel bij meer songs om het hoekje komt kijken. Ook What love means (Show me) en Loser zijn popsongs geïnjecteerd met die jazzy mood die Bryan Ferry met zijn band zou perfect wist te vatten. De titelsong is een rustpunt dat tegelijk verleidelijk klinkt, zodat je Jasper met plezier aan de borst zou drukken (als hij tenminste tot je bubbel zou behoren!).

Beluister hieronder de EP die je hier kan kopen via Unday Records:

08 oktober 2020

Momoyo

Na de single Breath, waar ik het hier al over had, is er nu een eerste volledige EP van Momoyo, de band die ontstond uit het vrijwillig stopgezette Uncle Wellington. Die song, nu opener van dit titelloos debuut, gaat zowel over de kracht van ademen maar ook de vernietiging van alles wat te dicht komt en het ademen bemoeilijkt. Die dubbelheid voel je in de zang van Frie Mechele, tegelijk kwetsbaar en krachtig klinkt.  

Met Sweat gaat de band even een andere richting uit waarin vooral het arrangement verbaast en het ritme de song schraagt waardoor die aan kracht wint. Spirituals, mijn persoonlijke favoriet, is een rustig, van zulke schoonheid blakend nummer dat je je activiteiten onderbreekt om het helemaal op je in te laten werken. De tederheid die daarin al te horen was, zet zich verder door in Skin, waarin ook alweer de details die het arrangement subtiel aanbrengt, een hoorbare verrijking brengen. 

Colours klinkt een pak vrolijker, al worden hier geen lockdownfeestjes gehouden noch een festivalsfeer opgeroepen. Zoals wel vaker zit het hem in de kleine toetsen, spaarzaam aangebracht maar wel heel efficiënt in het creëren van de juiste sfeer. Afsluiter Spit laat nog eens hun eigen sound uitdrukkelijk horen en hier is het de bas die onopvallend toch de sterkhouder van de song blijkt.

De Gentse band weet met dit debuut zijn plaats op te eisen door zijn troeven uit te spelen: een intussen meer en meer uitgebeend eigen geluid dat de basis vormt en waarrond slimme arrangementen vol verrassende details elk liedje een nieuwe ontdekking maken.

Beluister hieronder de EP, die je hier kan kopen via de verkoopssite van Starman Records:

07 oktober 2020

Rian Treanor


Ooit vertelde een vriendin me dat haar grootmoeder schamper over popmuziek opmerkte "Het is gewoon allemaal wat geluiden achter elkaar" (waarna die vriendin antwoordde dat dat zo ongeveer de definitie van muziek was). Ik moest hier aan terugdenken toen ik voor het eerst luisterde naar File under UK Metaplasm van Rian Treanor.

Zelden hoorde ik een muzikant zo radicaal kiezen voor een opeenvolging van geluiden, die geen melodisch verband lijken te vormen maar je wel onderdompelen in een strak ritmische wereld van overdondererende klanken, niet weinig basklanken. Opener Hypnic jerks klinkt als een mechanisch herhaald Braziliaans ritme dat onderbroken wordt door iets wat we ons altijd hebben voorgesteld bij "atomen die afgeschoten worden". Bijna vier minuten later heb je nog wel meer geluiden gehoord maar een melodie ontwaren in dit geheel is onmogelijk. Als dan wel voor een melodieuze opbouw gekozen wordt, zoals in Mirror instant, wordt die voortdurend gesaboteerd zoals in Windowlicker van Aphex Twin, maar nog extremer. Er kan zich amper een begin van melodie vormen, gelukkig heeft ons brein de neiging de gaten alsnog op te vullen. 

Wat de man uit de omgeving van Sheffield op de luisteraar loslaat, is een bombardement van zeer abstracte techno soms gedrenkt in drum 'n bass-patronen (Debouncing). De inspiratie voor deze radicale keuzes waarin diepe bassen een prominente plaats innemen, kwam naar verluidt van zijn ervaringen op een festival in Oeganda, waarna hij in Hollywood optrad en daar tot het inzicht kwam dat hij met zijn kennismaking met singeli (een Afrikaans muziekgenre geregeerd door heel snelle ritmes) iets moest doen. Het levert alvast een bijzondere sound op en ook wel songs (al durven we sommige nummers op deze plaat amper zo te noemen, zo veraf staan ze van onze concepten van songs) die verrassen op een zeer aangename manier (Close curve is nog zo één).

Dit album is alvast een buitenbeentje op allerlei manieren en vereist een open muzikale geest en de bereidheid alles op te geven wat je dacht te weten over muziek. In ruil krijg je wel een ervaring waarbij je mond openvalt van verbazing en je benen de controle overnemen.

Beluister hieronder het volledige album dat je hier kan kopen via zijn Bandcamp-pagina:

06 oktober 2020

Gelezen (152)

We moeten het even over Kevin hebben - Lionel Shriver 

Hoewel ik doorgaans tracht het boek te lezen voor ik de film zie, kan dat soms niet. Ook We need to talk about Kevin zag ik al enkele jaren geleden (en heb ik op dvd) en nu pas kwam ik ertoe het boek te lezen. En ik kan u alvast meedelen dat, zoals wel vaker, het boek nog beter is dan de film. Al laat het boek je ook wat in verwarring achter, want wat rechtlijnig leek, blijkt dat toch niet helemaal...
Het verhaal is wellicht vrij bekend: een jongeman vermoordt op zijn middelbare school (in de VS, waar anders?) meerdere medeleerlingen. In dit boek vertelt Lionel Shriver het verhaal vanuit het standpunt van zijn moeder. De wat afstandelijke Eva, trots op haar Armeense roots en haar onderneming (ze maken avontuurlijke reisgidsen voor budgetvriendelijke reizen), is gelukkig met haar werk en haar man, maar toch besluiten zij en haar echtgenoot aan gezinsuitbreiding te doen. De zoon die geboren wordt, Kevin, zal -zo weten we al meteen vanaf het begin van het boek en zo weet ook de moeder wanneer ze haar verhaal vertelt- uitgroeien tot de dader van een "school shooting". Het beeld dat zijn moeder schetst is dat van een kind dat voortdurende kwaad lijkt en kwaadaardig. Zelf ziet ze vooral die kant van hem, terwijl zijn vader net omgekeerd voortdurend het positieve in zijn zoon wil zien en zijn zoon in feite verstikt in "normale" verwachtingen van een soort doorsnee-kind, wat hij duidelijk niet is. Op het einde blijkt de vader daar met zijn leven voor te moeten boeten, evenals het vele jaren later geboren zusje van Kevin. Intussen worden de "incidenten" met de jongen naarmate hij groter wordt steeds ernstiger. En de auteur tracht, bij monde van de moeder, op geen enkele manier de maatschappij verantwoordelijk te stellen.
Het is natuurlijk bijzonder ambitieus van een schrijver om de eeuwenoude "nature versus nurture"-vraag uit de ontwikkelingspsychologie van een antwoord te willen voorzien (worden we gevormd door onze context/opvoeding of zijn we genetisch/biologisch bepaald?). Shriver lijkt een duidelijk standpunt in te nemen maar naarmate het boek vordert, verschuift het langzaam naar een meer ambigu antwoord en blijken beide zijden (nature en nurture) van belang te zijn. Meer zelfs, naarmate het verhaal vollediger wordt, gaan de scherpe randjes er wat vanaf en krijgen we een complexere jongen te zien dan de baarlijke duivel die hij honderden pagina's lang leek te zijn.
Het is die verschuiving die je als lezer verwart, omdat de schrijver je aanvankelijk (en lange tijd) duidelijk één richting meesleepte om je vervolgens te laten zien dat het antwoord heel wat genuanceerder is, net als Kevin en net als de wereld.
Op het einde van het boek staan 11 "leesvragen", het soort vragen dat je leraar ook zou kunnen stellen over het boek dat je in het middelbaar verplicht moest lezen. Je kan dat schamper afdoen als belerend en middelbare-schoolachtig maar in feite zijn deze vragen bedoeld om die verwarring én de nuance verder uit te klaren, te kristalliseren, niet door zelf als bij een vraagstuk of een puzzel het juiste antwoord uiteindelijk te geven maar door je zelf aan de slag te zetten.

Grand Hotel Europa - Ilja Leonard Pfeijffer


Eén van die verbazingwekkende dingen die ik leerde tijdens mijn studie psychologie was dat je soms meer leert van goeie fictie dan van om het even welk handboek of theoretisch werk. Dat gevoel overvalt me ook nu: ik leerde meer over de ziel van Europa, over haar wezen, over de onlosmakelijke band met het verleden en de vrijwel unieke manier waarop wij in Europa met het verleden omgaan. Toegegeven, ik vertrouw nu ook wel sterk op wat Ilja Leonard Pfeijffer schrijft, maar het ligt wel in de lijn van wat ik zelf al zag, hoorde en dacht dus het lijkt mij allemaal niet onwaarschijnlijk en mijn vertrouwen in de auteur berust op rationele argumenten.
Drie grote thema's komen in dit boek naar voren, naar mijn idee (al gaat het uiteraard ook nog over andere zaken die daar doorheen lopen en de drie thema's zijn ook met elkaar verbonden:

1. De relatie tot het verleden:

Pfeijffer schetst hoe belangrijk ons verleden voor ons, Europeanen, en voor onze Europese traditie is. We worden op allerlei, zowel positieve als negatieve, manieren sterk bepaald door ons verleden. Positief door de zorg voor de herinnering eraan, door het levend houden van tradities, door een besef dat we bepaald worden door ons verleden, zowel in het heden als in de toekomst. Negatief door nationalisme en populisme dat steevast teruggrijpt naar een mythisch, geïdealiseerd verleden waarin "alles beter was" en dat heeft geleid tot oorlogen.
Daartegenover plaatst hij de Amerikaanse en Aziatische (en in het verhaal van de piccolo ook Afrikaanse) fixatie op de toekomst waarbij het verleden iets is dat je achter je moet laten. De toekomst ligt voor het grijpen, het verleden is voorbij, is een overwonnen terrein.

2. Feit versus fictie:

Dit is het eerste boek van Pfeijffer dat ik lees, dus ik moet mij hier vooral beroepen op wat hem hierover hoorde vertellen in Zomergasten deze zomer op de VPRO, maar naar het schijnt is dat zowat het belangrijkste en steeds terugkerend thema in zijn werken. Hij is werkelijk door gefascineerd (wat ook bleek in zijn keuzes voor Zomergasten waar dit thema de rode draad vormde).
In Grand Hotel Europa komt het meeste plezier van de hoofdpersonages in het spel waarin ze van feiten fictie maken en van fictie feiten tijdens hun "zoektocht naar de laatste Caravaggio". Het doet er niet toe of het verhaal dat ze (re)construeren waar is of niet, het is de mogelijkheid ervan die zoveel plezier schenkt. En tegelijk is de fictie pas echt leuk als ze zo nauw mogelijk aansluit bij de feiten. De fictie moet "realistisch" zijn wat eigenlijk vooral betekent dat ze of geloofwaardig genoeg is doordat ze aansluit op de feiten en enkel invult waar de feiten onbekend zijn of wanneer ze op een andere wijze voldoende "suspension of disbelief" vertoont.

3. (Massa)toerisme:

Hier toont Pfeijffer zich deels als een gelijkgestemde met Michel Houellebecq, in zijn beschouwing van (massa)toerisme is als een hyperkapitalistisch en (in de woorden van Paul Verhaeghe) ideologisch neoliberaal discours volgend fenomeen. Bovendien wijst hij op de paradox dat toerisme een zoektocht behelst die vernietigt waar ze naar op zoek is, namelijk authenticiteit en uniciteit. Doorheen heel het boek zijn de visies van de verschillende personages omtrent toerisme zeer confronterend voor ons, die in mindere of meerdere mate meedrijven met deze haast onstuitbare golf van toerisme als zelfbevestiging.

Dit boek is vaak bijzonder grappig, erudiet en doorspekt met seksscènes die ook de meer voyeuristische lezer af en toe wat gunnen maar doet vooral nadenken, over de eerder vernoemde thema's maar in wezen of ons leven, over wie we zijn, over wat we willen en over hoe we ons verhouden tot onszelf, anderen en verleden, heden en toekomst.

Het verhaal van de dienstmaagd - Margaret Atwood


Ik moet zeggen: ik ben niet echt ondersteboven van dit boek van Margaret Atwood. Toegegeven, doordat het boek intussen een bekende fictie-reeks geworden is (die ik overigens nog niet zag), waren de verwachtingen gestuurd én vermoedelijk ook opgeblazen. Daarom ben ik blij dat ik de reeks nog niet zag en mijn verwachtingen tenminste nog bepaald werden door een eerder vaag beeld van die serie.
Het verhaal is wellicht bekend: Vanfred is een Dienstmaagd, een vrouw die gerekruteerd is in een dystopische, religieus-extremistische VS om kinderen te baren voor een Bevelvoerder. Vrouwen zijn helemaal onderdrukt en in welke categorie ze ook vallen, hun levens zijn allerminst benijdenswaardig. Langzaam komen we doorheen het boek iets meer te weten over de gebeurtenissen die hiertoe geleid hebben, al concentreert het boek zich vooral op hoe dit alles in het "heden" van het verhaal beleefd wordt door het hoofdpersonage.
In een seculier Europa waarin godsdienstfanatisme vanuit christelijke hoek een eerder marginaal verschijnsel is/lijkt, is het misschien ook gewoon moeilijker om je voor te stellen dat dit werkelijk zou kunnen gebeuren, maar dit boek speelt in een Amerikaanse setting en appelleert wellicht in de eerste plaat Amerikaanse lezers voor wie christelijk fundamentalisme allerminst onvoorstelbaar is.
Waarom viel dit boek me eigenlijk wat tegen? Ik merk dat het niet zo makkelijk is die vraag te beantwoorden. Het is in elk geval zo dat dit boek traag op gang komt en het gevoel in het verhaal gezogen te worden, bleef heel lang uit. Naarmate meer puzzelstukjes op hun plaats vallen, raak je als lezer meer betrokken bij het verhaal, al voelde ik doorheen de zinnen een zekere afstand die moeilijk te overbruggen bleek. Bovendien zorgt het feit dat je al bij al vrij weinig te weten komt over de gebeurtenissen die leidden tot deze maatschappij, ervoor dat het voelt alsof je in de dierentuin naar een exotische diersoort kijkt, eerder dan dat je deel zou gaan uitmaken van die wereld. Samengevat lijkt het dus vooral de afstand die bleef bestaan tussen mij als lezer en het verhaal, inclusief het hoofdpersonage, het grootste struikelblok te zijn waarom ik dit boek weliswaar goed vond, maar er zeker niet sterk van onder de indruk raakte.

Kraftwerk: Publikation. A biography - David Buckley


Omdat het duo dat de kern vormt/vormde van Kraftwerk (Ralf Hütter en Florian Schneider) altijd zelf weinig persoonlijke aandacht zocht en privé-informatie beschermde tegen al te nieuwsgierige fans en journalisten, is dit boek van David Buckley niet het soort biografie waarin je veel te weten komt over hun levens (maar wel een beetje natuurlijk). Wel krijgen we hier een overzicht van de groei van de band en hoe en waarom ze zo invloedrijk werd. En al bevestigt het boek dat na halfweg de jaren tachtig Kraftwerk maar weinig vernieuwends meer bracht, althans niet op inhoudelijk vlak, toch is het leuk om te lezen hoe hun visie op muziek consequent doorgevoerd werd doorheen alles wat ze maakten.

05 oktober 2020

Elvis Perkins


Elvis Perkins, een Amerikaanse multi-instrumentalist, heeft met een Creation myths een plaat uit die Britser klinkt dan de meeste muziek die ons van over het Kanaal komt aanwaaien. Het levert een heel bijzonder folkalbum op dat heel retro klinkt en me heel vaak aan The Kinks doet denken. 

Zelfs de vocalen lijken op die van Ray Davies in songs als See monkey, Promo en See through. Het is die mengeling van pastorale folk en Kinksmelodieën die de grootste aantrekkingskracht vormt van dit album, al toont de New Yorker dat hij nog meer troefkaarten in zijn mouw heeft: I know you know heeft die typische country-twang en afsluiter Anonymous heeft in het tweede deel plots een muzikale verrassing in petto.

De pastorale folk was nadrukkelijker aanwezig op I aubade, zijn vorige plaat (als we de soundtrack voor The blackcoat's daughter niet meetellen), waarop hij trouwens soms ook een beetje klonk als Connan Mockasin. Dat album was minder toegankelijk dan dit en de balans zit hier beter waardoor je terecht kan stellen dat Perkins in de vijf jaren tussen beide platen toch wel een mooie progressie maakte.

Beluister hieronder het album dat je hier kan kopen via zijn Bandcamp-pagina:

04 oktober 2020

Joachim Cooder


In de voetsporen treden van een illustere vader die (bij leven al) gevierd wordt, het moet voor een zoon niet makkelijk zijn. Je moet eigenlijk je vader overtreffen om van het aura van "zoon van" af te raken. Ook in de muziek zijn er artiesten die deze zware last op de schouders kregen nog voor ze één noot speelden. Hank Williams Jr had tijd nodig om zijn eigen stem te vinden en niet een imitator van zijn vader (waar iedereen toen op hoopte) te worden en Jakob Dylan van The Wallflowers, het liefdeskind van Bobs bekende stukgelopen relatie met Sara, kent het probleem ook. Miley Cyrus overvleugelt intussen met gemak ook buiten de VS haar vader Billy Ray en Enrique Iglesias kent amper minder succes dan zijn vader Julio. Charlotte Gainsbourg en Jeff Buckley droegen de erfenis met verve, Adam Cohen en Jordan Zevon hebben nog wat werk voor de boeg.

Joachim Cooder, zoon van Ry, mag je ook gerust aan dat lijstje toevoegen. Hij werkte totnogtoe doorgaans als percussionist aan de zijde van zijn vader en bracht nu toch net zijn solodebuut uit. Over that road I'm bound is muzikaal alvast een plaat die naast vele van zijn vader mag staan. Deze verzameling covers van Uncle Dave Macon toont daarmee overigens ook de zoon als een hoeder van de mooie Amerikaanse bluestradities van het zuiden. 

Even uitweiden over wie Uncle Dave Macon was, is hier wellicht nodig. Deze man uit Tennessee die leefde van 1870 tot 1952 was banjospeler, zanger, songwriter en comedian en zou in de jaren 20 de eerste ster van de Grand Ole Opry worden. Hij wordt beschouwd als de man die de brug bouwde tussen de 19-eeuwse folk- en vaudevillemuziek en de meer radio- en platengerichte muziek die zou opkomen inde 20e eeuw. Daarmee is hij zeker en vast een pionier van het intussen heel brede genre van de country.

Joachim, opgegroeid in een thuis waar oude muziekstijlen naar waarde worden geschat en gekoesterd, maakte dus een goede keuze voor zijn debuut en vertaalt deze songs bovendien tot moderne klinkende folk-, country- en americananummers. Het is heerlijk luisteren naar het kabbelende Come along buddy, het galopperende Over that round I'm bound to go en het op een heerlijke fiddle drijvende Rabbit in the pea patch. Alle songs op deze plaat klinken uitnodigend en geruststellend, als de soundtrack voor een zondags bezoek aan de grootouders. 

Beluister hieronder het volledige album:

03 oktober 2020

Oklou


Het was dankzij mijn vroegere collega-reviewer bij Indiestyle (en een tijdlang zelfs eindredacteur) Thomas dat ik geattendeerd ben op de Franse zangeres Oklou. Op haar identiteitskaart staat dan wel Marylou Mayniel, sinds haar EP The rite of May uit 2018 siert ze allerlei podia en is ze terug te vinden in Spotify-lijstjes van "the young and hip" onder die kortere naam.

Met Galore heeft ze een eerste album (al noemt ze het zelf liever een mixtape) uit waarop ze haar minimalistische pop brengt die dicht aanleunt bij de met electronica doorspekte pop van FKA Twigs of Mura Masa (met wie ze al eerder samenwerkte). Het is een etherische gedaante van het populaire genre die vervluchtigt in onkundige handen maar met de juiste noten, productie en zang weet te raken. Je zou dit een beetje een indieversie van Katy Perry en Dua Lipa kunnen noemen. 

Het is een genre waarin ik, moet ik toegeven, niet echt thuis ben maar soms zet een tip me toch op weg om een prachtige plaat te ontdekken en daar deze Galore zeker bij. Bij momenten (zoals in Unearth me) doet ze mee een beetje denken aan Solange. De titelsong is een mengeling van een lichtvoetig, bijna kinderlijk popdeuntje met hoge noten en verleidelijke electronica. Het dansbare maar erg korte Asturias dat ze samen met Zero Castigo maakte, is een wonderlijk kleinood. 

Op deze plaat die vol staat met korte songs die (soms zelfs ver) onder de vier minuten blijven is de uitsmijter, I didn't give up on you, een buitenbeentje. Het is een bijna folky, zachte fluistersong die er een eindje achteraan nog een hidden track verbergt. Door de spaarzame instrumentatie en de met zachtheid gearticuleerde tekst is dit niet alleen mijn favoriete song, maar ook een mooie afsluiter, echt zo'n song waarmee je de luisteraar de nacht (of zijn bed) kan in sturen.

Beluister hieronder het volledige album:

02 oktober 2020

Sophia


Sinds Robin Proper-Sheppard (ex-The God Machine) in 1995 begon met Sophia heeft hij al een behoorlijk aantal mooie platen uitgebracht. Vijf studio-albums, een liveplaat opgenomen op De Nachten en enkele compilaties gingen Holding on / Letting go vooraf. 

Op deze nieuwste plaat haalt hij een topniveau waarmee je in het wielrennen de Ronde van Frankrijk zou kunnen winnen. Er klinken echo's door van vorige platen in de nummers, je herkent de sound maar ik denk niet dat hij ooit (zelfs niet op mijn totnogtoe favoriete album, debuut Fixed water) al deze kwaliteit haalde. Vanaf openingsnummer Strange attractor klinken de songs af, krachtig en een tikkeltje melancholiek, matuur en gewoonweg prachtig. Luister maar eens hoe Undone. Again. op een voortstuwende ritmesectie een wonderlijke melodie en bijhorende zang spreidt. Het rustige Wait had niet misstaan op het eerder genoemde debuut maar waar die plaat vooral erg sober klonk, zijn hier meer arrangementen én angelieke achtergrondzang toegevoegd. Nog zo'n traag nummer waar je gerust voor mag gaan zitten, is Gathering the pieces. Melancholie mag dan een veel vertolkt gevoel zijn zowel in zijn eigen back catalogue als in het hele beschikbare arsenaal aan songs waaruit een programma als Duyster graag put, maar af en toe voegt iemand toch een aparte twist toe en dat is precies wat hier gebeurt.

Nu dat hierboven vermelde radioprogramma weer online is, zullen hopelijk nieuwe luisteraars de weg vinden naar deze groep rond Proper-Sheppard. Dit album kan van hen echte fans maken.

Je kan dit album hier kopen via zijn Bandcamp-pagina en hieronder alvast beluisteren:

01 oktober 2020

Thurston Moore


Een review schrijven over een nieuwe plaat van Thurston Moore zonder de naam van zijn vroegere band Sonic Youth te laten vallen, dat is een onmogelijke opgave. Als frontman was hij zo bepalend voor de sound van die groep dat je het nog steeds hoort in al zijn werk, zij het samenwerking met andere artiesten (zoals Don Fleming van onder meer Dinosaur Jr., Yoko Ono, zijn vroegere SY-compagnons en zelfs John Zorn) of solo. Je hoort het zeker in de langere songs op deze plaat, By the fire.

Ik heb een vreemde relatie met Sonic Youth: ik vind hen absoluut een steengoede, invloedrijke, muzikaal zeer interessante band maar hun albums vragen zoveel van de luisteraar dat het moeilijk is om een heel album in één keer te beluisteren. De distortion op de gitaren, de soms wel erg lange experimentele bruggen of de langgerekte apotheoses waarin de gitaren als vulkanen dreigen uit te barsten, het zijn allemaal aspecten waarvoor je tijdens beluisteringen niet vermoeid mag zijn, je er de aandacht moet bijhouden, die als je probeert het op de achtergrond te beluisteren dat al snel resulteert in "opdringerig lawaai". Het vraagt immers wat om in die schijnbare chaos structuur terug te vinden. Toch schreven ze essentiële songs die tot mijn eigen persoonlijke canon behoren: 100%, Youth against fascism, Sugar Kane (alledrie uit het album Dirty), Bull in the heather, de Carpenters-cover Superstar en The diamond sea. Ik zag ze (het moet in 2000 of zo geweest zijn) eens live in de AB en dat concert was goed maar vermoeiend, om dezelfde redenen die ik hierboven reeds aanhaalde. En ook solo voegde Thurston nog een song toe aan mijn canon: Ono soul.

Gelukkig is deze nieuwe plaat alweer een heel goeie die weliswaar bij momenten ook veeleisend is voor de luisteraar maar die ook bewijst dat hij het songschrijven nog steeds heel goed beheerst. Zo ben ik heel erg weg van They believe in love (when they look at you). Gedreven door een voortdenderend ritme zingt Moore hier een liefdessong die zich uitstrekt over bijna acht minuten maar niet verveelt en ook niet het uiterste vergt van de toehoorde. Hashish klinkt als een typische Sonic Youth-song waarop je de zang ook gerust zou kunnen overlaten aan Kim Gordon voor een nog mooier contrast tussen verschroeiende gitaren en hoge vocalen. Calligraphy is een lange tijd instrumentale song die je in spanning houdt tot de Amerikaan alsnog de microfoon ter hand neemt.

Indrukwekkend zijn zeker de lange songs waarin hij naar goede gewoonte de gitaar alle vrijheid gunt. Siren krijgt meer dan twaalf minuten de tijd en benut die zeer zinvol en verbazingwekkend rustig. Het meesterstuk is Locomotives, het kwartier ruim overschrijdend, waarin Thurston Moore zijn gitaar alle hoeken van de kamer laat zien maar dat zorgvuldig is opgebouwd en genoeg afwisseling bevat om de tijd sneller voorbij te laten gaan. 

Van alle soloplaten die ik van deze man al beluisterde, is deze samen met Psychich hearts met verve mijn favoriet. Hij laat zich hier bijstaan door schoon volk: Sonic Youth-drummer Steve Shelley, maar ook onder meer voormalig My Bloody Valentine-bassiste Deb Cooge en electronica-wizzard Jon Leidecker (Negativland). Het resultaat is een plaat die in herinnering brengt waarom Sonic Youth, hoe "moeilijk" hun muziek bijwijlen ook is, absoluut aan de borst gedrukt dient te worden en waarom Thurston Moore mag blijven gelden als een gitaargenie die mooie melodieën weet te verzoenen met extreem en experimenteel gitaarwerk.

Beluister hieronder het volledige album: