12 februari 2020

Gelezen (138)

Het lichaam: een reisgids - Bill Bryson


Ik kan je wel vertellen dat ik bijzonder blij was toen ik van mijn lief dit boek cadeau kreeg met nieuwjaar. Net als in zijn vorige boeken (althans, diegene die ik al las) slaagt Bill Bryson erin een moeilijk, wetenschappelijk en ruim onderwerp als het menselijk lichaam op een heldere, leerrijke en ook vaak grappige wijze begrijpelijk te maken. Systematisch verkent hij per domein van het lichaam de beschikbare kennis en vertelt daarbij ook over de geschiedenis van het tot stand komen van die kennis. Daarmee is het niet alleen vanuit biologisch standpunt maar ook vanuit historisch oogpunt vaak heel interessant.

De kolonel krijgt nooit post - Gabriel García Marquez


Hoewel een korte roman (minder dan 100 bladzijden) beschouwde de Colombiaanse Nobelprijswinnaar dit toch als zijn beste werk. In dit verhaal over een kolonel die al een eeuwigheid wacht op een beloofde vergoeding door de overheid voor het vervullen van zijn plicht, weet Gabriel García Marquez de armoede, de wanhoop en het geloof in een illusie zo treffend te beschrijven dat je hoopt op een goede afloop. Ik kan goed begrijpen waarom de auteur zelf zo tevreden was over dit boek: bondiger en afgemetener kan je een verhaal niet vertellen en toch de essentie ervan vatten.

Mythos. De Griekse mythen herverteld - Stephen Fry


Als die excentrieke oom die gestudeerd heeft en aan wie je letterlijk alles mag vragen, zo hervertelt Stephen Fry de Griekse mythen in dit boek. Daarbij legt hij verbanden uit, maakt zij-uitstapjes naar o.a. Shakespeare en Lord Byron, duidt de etymologische verbanden tussen de personages en de dingen die in het Grieks naar hen vernoemd zijn en tovert daarmee zo'n wereld te voorschijn van cultuur, helder gemaakt voor iedereen, dat je bewonderend dit boek uitleest.

10 februari 2020

Clock Opera


Hun debuut Ways to forget in 2012 was zo veelbelovend dat ik de naam Clock Opera al opschreef bij mijn lijstje altijd in het oog te houden bands. Vijf jaar later pas kwam er een vervolg en gelukkig hebben we dit keer niet zo lang moeten wachten, want kijk, daar is Carousel. Dit derde album lost gelukkig de verwachtingen in met die bijzondere muziek die ook al hun debuut kenmerkte.
De grootstedelijke sound blijft aanwezig: een frenetieke mix van electronica en gitaren, gejaagd klinkend als het nooit aflatend verkeer en nooit helemaal tot rust komend. Maar sinds 2012 zijn vele steden veranderd: de auto kreeg een minder prominente plaats en de levenskwaliteit van de bewoners kreeg meer prioriteit, inclusief de broodnodige rust af en toe. Het lijkt wel alsof de Londense band mee geëvolueerd is. Waar ze ons niet echt rust gunden op dat debuut, mogen we nu achteroverleunen in onze trendy cocktailzeteltjes in de loft bij Imaginary nation en dompelen ze I surrender weliswaar in een bad electronische geluiden tot het er druipend weer uit komt, maar toch voel je bij beluistering de rust en berusting die ook al in de titel zit.
Maar geef mij toch maar het welhaast hyperkinetische, duidelijk 21e-eeuwse geluid van Howling at the moon of Snake oil, waarin de band zich op zijn best laat zien.

Beluister hieronder het volledige album:

09 februari 2020

John Moreland


Alleen al A thought is a passing train is de aanschaf van LP5 van John Moreland waard, want songs als deze komen je niet elke dag aandwarrelen. Het is niet alleen een lekker relaxt nummer maar naarmate het vordert, komen de funky toetsen meer op de voorgrond te staan.
Het is iets wat me nog meer opvalt aan dit album: hoewel de liedjes duidelijk een plaats hebben in de wondere wereld der singer-songwriters, krijgen ze veel diepte mee door funky bassen en een soulvolle productie. De artiest uit Tulsa (Oklahoma) heeft zijn muziek duidelijk verankerd in een bedje van roots maar durft buiten de lijntjes te kleuren en daar hou ik wel van.
In songs als I always let you burn me to the ground voegt hij aan het klassieke palet immers weidsheid toe, de mondharmonica klinkt zalig in Let me be understood en East october ontpopt zich tot een verrassende oorworm. 
Deze plaat heeft me benieuwd gemaakt naar zijn vorige vier platen...

Je kan dit album hier kopen via zijn Bandcamppagina en alvast hieronder beluisteren:

08 februari 2020

Rumours


Er gaat een kracht uit van de EP How many roses van Rumours die je verrast. Op het label van Fenne Kuppens en Kobe Lijnen (allebei lid van Whispering Sons) debuteert die Gentse viertal met vijf songs die de mystiek van The Knife in ere houden met toegankelijke dreampop. Seven imiteert helikoptergeluiden vooraleer uit te barsten in een gothic dancenummer en het titelnummer dwaalt door een nachtelijk bos in een wapperend slaapkleed. Alle songs wekken onze fantasie en de stem van de (beide?) zangeressen neemt je bij de hand op ontdekkingstocht door een donkere maar fascinerende wereld.

Je kan de EP hier kopen via de Bandcamppagina van Sentimental en hem hieronder alvast beluisteren:

07 februari 2020

Matt Watts


Laten we hier maar meteen duidelijk over zijn: Queens is, hoe goed ik Wayward wind ook vind, de beste plaat die Matt Watts al maakte. De folk die zo overheerste op de vorige platen van de in ons land wonende Amerikaan is verruild voor een rijker geluid en de singer-songwriter klinkt, ondersteund door zijn groep met o.a. (ex-)leden van Zita Swoon, Die Anarchistische Abendunterhaltung, Dez Mona en Guido Belcanto, vooral volwassener. 
Dat hoor je onder meer in een song als Smoke all around my brain, een muzikaal gelaagd nummer dat zich naadloos invoegt in decennia rock- en popgeschiedenis alsof het er altijd al geweest is, of het heerlijk uitwaaierende Penniless carpenters dat zijn country-toetsen spaarzaam genoeg uitspeelt om het beste van twee werelden te verzoenen. Gastvocalen worden ingezet waar ze het lied naar een hoger niveau tillen: With every healing mile begint al als een verhaal over een man die zijn eigen liefde vreest en niet in het gezicht durft te kijken en dan verlenen de vrouwenstemmen op de achtergrond extra dramatiek. Op There I have come for you, een heerlijke country-meestamper (maar dan van het soort dat niet de clichés omhelst maar de essentie van het genre), horen we Jim White meezingen als was hij de "wing-man" op de weg van het leven. Sandy Dillon levert dan weer haar bijdrage aan Song for James, dat de vergankelijkheid van roem omarmt en door Dillon's bijna smachtend zingen nog triester en fatalistischer klinkt. 
Maar er is meer: de cover van Billie Jean (van Michael Jackson) zegt vaarwel tegen de dansbare productie van Quincy Jones en knuffelt de kwetsuren die het drama de hoofdrolspelers heeft laten oplopen. Niet langer worden we weggeleid van het verhaal door dansmoves en blitse pop maar worden we gedwongen écht te luisteren naar de tekst. En ook de twee bonustracks zijn zeer de moeite waard. I don't know where my baby is is een vertaalde versie van Ik weet niet waar mijn meisje is van Guido Belcanto, die hier in duet gaat met Matt Watts. Hier wordt het bewijs geleverd dat Belcanto door het beperkte bereik van zijn taal (en taalgebied) belemmerd wordt om erkend te worden als de grote songwriter die hij toch is. En Eriksson Delcroix wiegen lekker mee op het lome Rachel, een song die je meeneemt naar Amerikaanse weidsheid vanuit je schommelstoel.
Matt Watts bewijst op deze plaat dat hij nog steeds een fantastische verhalenverteller is en doet dat met een muzikaal palet dat door de jaren heen gevarieerder, rijper en minder aan één genre gebonden is. Zijn debuut destijds met The Calicos (die tegenwoordig hun eigen weg gaan) kreeg jammer genoeg niet de aandacht die het verdiende dus ik smeek u: maak niet dezelfde fout en laat de eer en lof die Matt Watts met deze plaat toekomen, eindelijk zo groot zijn als hij verdient.

Je kan deze plaat hier kopen via Starman Records en alvast hieronder beluisteren:

06 februari 2020

Blue Yser


Blue Yser, het muzikaal alter ego van Mathias Bourgonjon, is een fijne Brusselse singer-songwriter die net zijn eerste EP uit heeft: At times, present. Daarop vind je vijf mooie, kleine popsongs die vooral drijven op de zoete stem van de Brusselaar. Zo weet Land of time een snaar te raken door een combinatie van goeie poprockmelodie en een licht nostalgische zang. De songs klinken overigens stuk voor stuk tijdloos, niet onderhevig aan de mode van het moment maar hadden eender wanneer in de voorbije twintig jaar uitgebracht kunnen zijn. Goed debuteren is half gewonnen, zullen we maar zeggen.

Beluister hieronder de volledige EP:

Retro review: Gavin Friday And The Man Seezer


We duiken terug in de tijd naar begin jaren negentig, toen ik nog studeerde en in mijn vriendenkring een jongeman zat die nog meer van muziek afwist dan ik. Op een dag, wellicht in de late uren in een café in het Gentse Patershol, raadde hij me een plaat aan. Het is te zeggen: hij noemde ze nog niet maar zei dat hij me een album zou uitlenen waarvoor ik zijn instructies voor het beluisteren strikt moest opvolgen. En die luidden als volgt: je doet het licht uit 's avonds, als het buiten donker is, zodat er enkel wat licht van buiten je kamer binnenvalt. Je legt je op bed klaar om te luisteren en zorgt dat niemand je komt storen. In die volledige visuele en auditieve stilte druk je op de play-knop en je beluistert de plaat in één enkele keer, daarbij je best doend om elk woord te verstaan en in je op te nemen.
Ik volgde de instructies en het effect was dat ik meer dan gewoonlijk de plaat in me binnen liet stromen, met volle aandacht. Ik luisterde naar mijn andere platen immers meestal terwijl ik bezig was en dus minder aandachtig, maar de instructies dwongen mij enkel Gavin Friday's plaat Each man kills the thing he loves toe te laten. En mijn god, wat was dit een prachtplaat!
Ik kende vooraf de Ier niet en had weliswaar al Apologia (dat op deze plaat staat) gehoord in een uitvoering op de eerste 2 meter sessies-compilatie (mooi maar die plaat staat dan ook vol parels). Ik wist niks van zijn verleden bij The Virgin Prunes (een groep waarvan ik later platen zou kopen en uitlenen uit de bib en die me verraste, deels omdat er toch nog een brede kloof gaapt tussen wat zij uitbrachten en het solo-werk van Friday). 
Each man kills the thing he loves is het solodebuut van Gavin Friday en de titel komt uit een gedicht van Oscar Wilde (The ballad of Reading gaol). Behalve The Man Seezer (waarover straks meer) spelen ook Bill Frisell en Marc Ribot mee op deze plaat. Het album kan je horen als een verhaal waarin verschillende stadia van rouw om wat was (een verloren liefde, verloren illusies, een schrikbarende blik op de eigen sterfelijkheid en kwetsbaarheid,...) elkaar afwisselen maar het is toch vooral een verzameling songs waarin Gavin Friday zijn liefde voor Oscar Wilde, Brecht en Weill, cabaret en theatraliteit en drama tentoonspreidt, in songs die gedoseerd de rauwheid van emoties (niet in het minst woede) exploreren. Daarbij doet geen enkele song onder voor de andere en er zitten echt wel parels tussen: behalve het al genoemde Apologia (dat intussen mijn favoriet geworden is) bijvoorbeeld ook covers van Brel (Next!, bij Brel Au suivant! getiteld) en Dylan (Death is not the end). 
Van Gavin Friday ben ik platen blijven kopen en beluisteren en de Ierse zanger hoort tot mijn favoriete artiesten, onder meer door zijn compromisloze houding als het aankomt op het aanklagen van mistoestanden (niet zelden binnen de Kerk, in Ierland nog altijd zeer invloedrijk). Maar één vraag heb ik nooit verder uitgezocht, tot nu:

Wie is The Man Seezer?

In feite heet hij Maurice Roycroft en was hij pianist en cellist toen Gavin Friday hem ontmoette en na het ontbinden van The Virgin Prunes met hem songs begon te schrijven. Later zou hij zich Maurice Seezer laten noemen. Naast de drie albums met Gavin Friday (dit en verder nog Adam 'n Eve en Shag tobacco) is hij vooral bekend om zijn filmmuziek, onder meer voor films van Baz Luhrmann. Ook voor theater schreef hij muziek en hij herwerkte Peter en de wolf van Sergei Prokofiev voor een benefiet-cd voor een goed doel in Dublin. Verder werkte hij ook nog samen met o.a. Maria McKee, Sinéad O'Connor, Bono (voor de soundtrack van In the name of the father) en Black (die je kan kennen van die ene hit, Wonderful life).

Each man kills the thing he loves is een plaat die je ook zonder de instructies die mij toen gegeven werden, op te volgen. Aandachtig luisteren helpt wel om de volle diepte en rijkdom ervan te waarderen. En wees hier alvast zeker van: nooit zakt deze plaat in en elke song is een bijkomende schakering in een verhaal dat je deels zelf kan vormgeven rond de nummers. En de kans is groot dat ook voor jou dit gaat behoren tot de gekoesterde platen in je platenkast...

Beluister hieronder het volledige album:

05 februari 2020

Interview Uncle Wellington


Enkele weken geleden kon je hier lezen hoe Uncle Wellington nog één keer knalde eer ze een punt zetten achter hun carrière. Voor veel van hun fans zal dit wellicht als een verrassing gekomen zijn. Ik trok erop uit en sprak erover met Jonas Bruyneel (JB), maar ook over heel wat meer:

Met twee singles kondigden jullie ook het einde aan van Uncle Wellington, na vijf jaar. Vanwaar deze beslissing?

JB: Eigenlijk zijn we vroeger begonnen metUncle Wellington, aanvankelijk nog als Uncle Wellington's Wives. Vijf jaar daarvan waren in de huidige bezetting. Deze zomer wouden we beginnen aan de opnames van een nieuwe plaat. We merkten dat de nummers een andere richting uitgingen. Aanvankelijk waren we immers gestart als een folkband, daarna werd het meer folkelektronica en deze songs zouden echt voornamelijk elektronica worden. Ook tijdens onze optreden merkten we dat. Toch voelden we dat zowel bij publiek als concertorganisatoren en platenmaatschappij verwachtingen leefden die niet meer overeenkwamen met wie we geworden waren. Bovendien bleek dat we in België nog maar weinig optraden, dat het vooral in Engeland was en alle bandleden hadden ook andere projecten lopen hier. Daarom besloten we samen om Uncle Wellington af te sluiten. Die beslissing viel op tour en we kozen ervoor om nog twee singles op te nemen, samen met verscheidene muzikanten met wie we samenwerkten op tour, in studio's in de plaatsen waar we kwamen. Zo namen we onder meer op in Bath en in Keighley nabij Manchester. Zo'n tien artiesten spelen op beide singles opgeteld mee met de band. We werkten voor het eerst samen met producer Klaas Tomme, maar voor het mixen kozen we voor Filip Tanghe, met wie we al vijf jaar lang samenwerken. Toon Delanote heeft vanaf het begin alle artwork verzorgd, al sinds de Wives, en hem wilden er ook dit keer bij. Op die manier wilden we Uncle Wellington zoals het was en met het beeld dat het publiek van de band heeft, afronden tot een geheel: dít was Uncle Wellington. Als iemand muziek van Uncle Wellington zoekt in de toekomst, komen ze niet uit bij een band die in feite anders is en andere muziek brengt, maar zo blijft dit één geheel dat als dusdanig herinnerd kan worden, zowel door ons als door ons publiek. Dat leek ons eerlijker dan vervellen, waar we ook niet de mogelijkheden toe hadden omdat je dan de promo nodig hebt die die koerswijziging laat verteren. Dat is eigenlijk enkel weggelegd voor groepen waar zowel publiek als platenmaatschappijen voldoende vertrouwen in hebben zodat ze bereid zijn je in die vervelling te volgen.

Je sprak al over het artwork van Toon Delanote. Hij heeft inderdaad het grafisch aspect van de groep sterk bepaald. Wat maakt zijn stijl zo passend voor Uncle Wellington?

JB: Het begon allemaal toen we als Uncle Wellington's Wives gevraagd werden om te spelen op een vernissage van werk van Toon. Toen we dat zagen, waren we zo sterk onder de indruk dat we voor onze eerste plaat hem vroegen voor het artwork. Ik had toen een lang gesprek met hem waarin ik hem onder meer over het verhaal achter de plaat vertelde, over de dood van mijn zus nu twintig jaar geleden, over de mensen in onze omgeving die we op korte tijd verloren
waren, zonder hem de lyrics te laten lezen van de plaat. Toen hij een voorstel maakte voor het artwork, bleek hij geweldig goed te kunnen luisteren en vatte dit echt die plaat. We hielden ook enorm van zijn stijl, met kleuren over elkaar heen. Bij de tweede plaat gingen we op dezelfde manier te werk. Ik had toen vooral geschreven tegen de achtergrond van de ziekte van mijn vader. Opnieuw wist hij dit heel goed te vatten in beeld. Zo ben ik met hem blijven samenwerken, ook binnen mijn opdracht als stadsdichter (Letterzetter) van Kortrijk. Hij kan immers heel goed luisteren en de gevoelsmatige essentie vatten en weergeven in een beeld. Ook bij deze singles, waarvan de beide hoezen samen één tekening vormen, had ik een gesprek met hem. Er zat dit keer voor mij niet echt een verhaal achter de songs, maar ik vertelde wel hoe we tot de beslissing gekomen waren om te stoppen en hoe de singles tot stand waren gekomen. De emotie daarvan heeft hij dan vertaald in dit artwork, dat ook niet eenduidig te begrijpen valt. We hoorden al van mensen die het nogal een luguber beeld vormen, van een mens die daar ligt. Voor mij persoonlijk is het net een beeld dat veel warmte uitstraalt, alsof iemand op een warm tapijt ligt, erg troostrijk. Het toont ook de zachtheid van handen en drukt troost bij het afscheid uit voor mij. Dat het geen één-op-één betekenis heeft, is net wat ons in zijn werk ook zo aanspreekt.

Als je terugblikt, welk gevoel overheerst dan?

JB: Het is zeker één van de leukste dingen die ik al ooit gedaan heb. We hebben keihard gewerkt en, zoals dat nu eenmaal gaat, hebben we ook veel teleurstellingen opgelopen, maar het gevoel is toch vooral positief.
Er is minder uitgekomen dan we verwacht hadden en we hebben minder mensen bereikt dan we gehoopt hadden. Je kan wel zeggen dat je het niet doet voor het succes, maar je wil toch genoeg mensen aanspreken met je muziek en door genoeg mensen gehoord worden. Dat had beter gekund.

Wat zijn de fijnste of markantste herinneringen?

JB: Vooral aan de tournees hebben we fijne herinneringen, aan hoe we met de mobilhome rondtrokken. Driemaal hebben we op die manier getourd. Het fijne is ook dat we met deze groep altijd op één lijn gezeten hebben, niet alleen wat betreft het muzikale maar ook qua gevoel. Ook toen we besloten te stoppen, had iedereen zowat hetzelfde gevoel op hetzelfde ogenblik. Er is niemand die niet dat gevoel deelde dat in deze vorm we uitverteld zijn. Wel willen (en zullen) we nog samenwerken, wellicht ook met ons vijven, maar het zal niet in deze vorm en onder deze naam zijn.

Hoe zie je dat dan precies?

JB: Ik denk dat het zo een beetje kan zoals bij Mauro Pawlowski. Die doet heel uiteenlopende dingen en soms met dezelfde mensen, maar elke nieuwe verschijningsvorm waarin hij muziek maakt, elke nieuwe gedaante en elke echt nieuwe muzikale weg die hij inslaat, krijgt een andere naam zodat mensen weten wat ze wel en niet mogen verwachten. Wij zien onszelf al langer als een soort gemeenschap van muzikanten die ook heel wat andere dingen, in verschillende combinaties, samen maken. En deze vorm, die we kunnen samenvatten als “Uncle Wellington”, die is uitverteld.

Kan je voor jezelf een absoluut hoogtepunt noemen van die jaren samen?

JB: De tweede show die we speelden in The Exchange in Keighley, nabij Manchester, is voor mij toch wel het beste moment. We hadden daar al eens eerder gespeeld, maar toen waren we daar totaal onbekend en niemand, ook van de zaal, wist wat te verwachten. Het optreden was heel goed en iedereen was daarna zeer blij en vol lof. Toen we er een tweede keer optraden, wisten ze natuurlijk wel al wat ze zouden krijgen. We werden heel enthousiast ontvangen, het was bovendien de verjaardag van Frie en onze mobilhome stond gewoon voor de deur geparkeerd. De afterparty met de eigenaar van de club duurde tot in de vroege uurtjes, we werden samen zo dronken. De man was zelfs zo dronken dat hij het nummer van zijn eigen alarm van de club vergeten was en dat ging daar 's morgens heel vroeg af voor de hele buurt. Ook de shows met Vive La Fête in Nederland en natuurlijk de opening van de tentoonstelling bij de presentatie van onze plaat horen tot de beste herinneringen.

Jullie waren ook altijd artistiek met andere dingen bezig. Dat bepaalde in grote mate mee hoe jullie klonken en hoe jullie zich presenteerden. Waren jullie zich daar zelf sterk van bewust?

JB: Jazeker en het was tegelijk onze sterkte maar ook onze zwakte. De sterkte ervan lag in het feit dat je een bepaald soort publiek aanspreekt, niet enkel op basis van de muziek, maar ook met de video's en het artwork en de tentoonstelling en de teksten. Tegelijk beperkte het ons ook in hoe groot dat publiek zou worden dat we konden aanspreken want voor veel mensen was Uncle Wellington te complex, moeilijk te vatten. Velen willen gewoon een band zien die muziek maakt, horen wat die doen en zien wie het zijn. Het voelde soms alsof we te elitair waren en te weinig nog gewoon een “band” waren. Zo kwamen we zelf weinig in beeld: je ziet ons niet in de clips, onze albumvoorstelling was een tentoonstelling van grafisch werk van iemand anders,...


Wie waren jullie belangrijkste invloeden?

JB: Voor mij als songwriter waren de grote voorbeelden toch vooral Tom Waits, Lou Reed, Nick Cave en niet in het minst Scott Walker, die veel rare maar bijzonder interessante muziek schreef. Daarnaast hadden we een soul- en jazz-zangeres die naar zulke artiesten in het geheel nooit luisterde en een hiphopdrummer. Sven luistert vooral naar echte, pure goed geschreven popmuziek en Esther houdt dan weer vooral van meer experimentele muziek. Eigenlijk zijn er in Uncle Wellington geen twee muzikanten die naar dezelfde
muziek luisteren. Dat maakt dat er nooit “één” invloed was voor de band, maar iedereen hanteert de stijl die past bij de muziek waar hij of zij zelf graag naar luistert. En op een of andere manier paste dat allemaal bij elkaar.

Heeft dat samenbrengen van die verschillende stijlen invloed gehad op de evolutie die Uncle Wellington doormaakte?

JB: Vooral vanuit onze live-optredens groeide toch dat we evolueerden van een band die samenzang tot haar sterkte wou maken naar een groep met de stem van Frie duidelijk op de voorgrond. Wanneer je iemand hebt die zo goed en warm kan zingen, mag je dat niet afzwakken door de zang van anderen errondheen en moet je dat zeker in de refreinen naar voren trekken, niet dan wegstoppen in de harmonie van ons alle vijf samen. Frie kon voordien nooit echt uithalen en tonen wat ze in haar mars had en daar zijn we toch enorm in gegroeid. Zo vreemd was dat overigens niet als je bedenkt dat de eerste EP eigenlijk gewoon gemaakt is in de huiskamer met eigen opname-apparatuur en vanuit ideeën die we hadden, waaronder dat samenzang altijd mooi is. Er was tussen wat we toen deden en wat we live brachten, op dat moment geen verbinding. Naarmate we langer bestonden, werden we ons echter meer bewust van onze sterktes, waaronder dus die fantastische stem van Frie die je niet moet kooien, en dat is wat je vooral qua evolutie hoort.

Hoe gaat het nu verder, voor jou, voor de andere bandleden?

JB: Iedereen is druk bezig met vanalles. Frie en Renaud spelen samen in de hiphopband Shore Shot en brengen in mei een plaat uit. Esther toert momenteel met Jan Verstraeten en met Noémie Wolfs. Zelf maak ik samen met Frie deel uit van de live-band van Vincent Coomans en hij brengt nog dit voorjaar een EP uit, waarvan ik de productie doe en die hier opgenomen is bij mij. Samen met Esther speel ik ook in WolfeWolfe, nederlandstalige triphop met een klarinet en met poëzie van mezelf. Esther speelt dan weer samen met Sven in Galine. Bovendien doet iedereen ook nog een hoop tijdelijke dingen. 

En misschien doen jullie dus ooit nog eens iets samen met jullie vijven?

JB: Dat is zeker mogelijk in de toekomst, al zal het verschillen van wat we met Uncle Wellington hebben gedaan. Dat werd bepaald door de geschiedenis daarvan, door de toevalligheden die ontstaan in het samenwerken met die gezamenlijke geschiedenis en ieders eigen geschiedenis. Zo vertrokken we bij Uncle Wellington altijd vanuit wat ik schreef en op die basis bracht iedereen zijn eigen ding in. In een toekomstig project zullen we een andere geschiedenis hebben, zullen we wellicht van een ander vertrekpunt starten en dat zal de toevalligheden die die band maken, beïnvloeden. Want het kan nooit twee keer helemaal hetzelfde zijn.

Bedankt voor dit gesprek

03 februari 2020

Squarepusher


In een ver verleden, zo herinner ik me nog vaag, ging ik naar een evenement in de Gentse Vooruit waar allerlei experimentele nieuwe elektronische muziek geprogrammeerd stond naast één of twee headliners (waarvan ik echter de naam allang vergeten ben). Verspreid over de verschillende ruimtes kon je luisteren naar artiesten en DJ's die de mogelijkheden van elektronica demonstreerden en vierden dat je met soms vrij elementaire middelen ook al muziek kan maken. Als ik me niet vergis, speelde ook Legowelt er (een naam die ik nog wel eens hier en daar lees) maar het meeste indruk maakte toch een soort installatie waarop je je eigen, meegebrachte Gameboy kon op aansluiten en de al die geluiden van de spelers, aangesloten op de installatie, werden live door de DJ gemixt tot een geheel van opwindende experimentele songs.
Daaraan moest ik meteen denken toen ik Be up a hello hoorde, het nieuwste album van Squarepusher, waarop de meeste nummers klinken alsof ze met het geluidenarsenaal van die Gameboys en andere consoles zijn gemaakt. Maar deze plaat verdient meer dan de reputatie van gimmick. Gemaakt op oudere hardware (waaronder zelfs een Commodore-computer uit de jaren tachtig) werden alle tracks opgenomen als een vloeiende stroom en dat geeft deze plaat een flow die je soms mist bij IDM-artiesten. Terwijl zijn generatiegenoten Aphex Twin en Autechre stilaan (relatieve) faam genieten bij een groter publiek, is Tom Jenkinson (de echte naam van de man achter het project) vooral altijd ergens aanwezig geweest: hij komt nu niet door de voordeur binnen, simpelweg omdat hij al jaren stilletjes in je huisje woont. 
Putten doet Squarepusher uit diverse subgenres waaronder een aanzienlijke hap drum 'n bass. In Vortrack groeit hij zelfs naar een hoogtepunt zoals ik dat vroeger vooral bij Ed Rush en Optical hoorde, of Bad Company (niet de rockgroep!). Het zal vast een schok zijn voor wie de naam op het spoor kwam via de meditatieve muziek voor kinderen die hij maakte voor CBeebies (een BBC-kinderprogramma) maar wie goed luistert, ontdekt ook dat aspect van zijn muzikaal kunnen. Want hoe hard de beats ook soms uit de bol gaan, vaak worden ze gecombineerd met iets meer zweverige tonen. Zo begint Terminal slam best wel rustig voor dit soort muziek om langzaam uit te groeien tot springerige drum 'n bass.
We zitten op dat moment in de plaat al een eind van het vrolijke, Japans-aandoende popdancegeluid van Hitsonu of Oberlove, maar vergis je niet: ook daar is voor de goede luisteraar al een wegwijzer te horen richting wat later op de plaat volgt.
Daarmee is Be up a hello één van de meest interessante platen uit zijn recente oeuvre en grijpt hij in zekere zin terug naar de opwinding die hij in 1996 en 1997 veroorzaakte met Hard normal daddy en Big loada. Niet voor niets was hij toen één van de wonderboys van het Warp-label en misschien hebben vele van zijn toenmalige fans gaandeweg wat afgehaakt maar met deze plaat bewijst hij alvast nog steeds uw oor meer dan waard te zijn.

Beluister hieronder het volledige album:

02 februari 2020

Sam Lee


Zelfs de stem van Sam Lee klinkt alsof we een reis in de tijd gemaakt hebben en terugkeerden naar de jaren zeventig, temidden het Britse folkmilieu. Nochtans is deze Londenaar pas in 1980 geboren en brengt hij muziek uit sinds 2012. Zijn vierde release, Old wow, is echter zo'n plaat die met beide voeten stevig geplant staat in een Engelse traditie die bij ons nooit echt een grote fanschare heeft weten te bereiken.
Dat alles ten spijt durf ik hier beweren dat je in de je platenkast toch minstens één dergelijke plaat nodig hebt (hou ze ergens klaar voor een folknoodgeval) en mocht je keuze op dit album vallen, is daar niets mis mee. Sam Lee weet immers een constant niveau aan te houden waardoor deze tien songs klinken als een mooi geheel en erg stemmig de sfeer erin houden. En als je vraagt om hoogtepunten: Jasper sea wordt gedragen door de mooie stem van Sam Lee en een piano, Lay this body down dat heel mooi opgebouwd is en albumopener The garden of England (Seeds of love), waarin de gitaar een repetitief element consequent inzet als geraamte voor de song.

Beluister hieronder het volledige album:

01 februari 2020

Les Amazones d'Afrique


Het door Peter Gabriel opgerichte Real World-label, broeiplaats en perfecte ontdekkingsplek voor eigenzinnige en eigentijdse wereldmuziek, mocht vorig jaar zijn dertigste verjaardag vieren. Hoe kan je zoiets beter vieren dan te blijven prachtige platen uitbrengen en dat is precies wat het label ook in 2020 doet. Jongste release is Amazones power van Les Amazones d'Afrique, een collectief sterke vrouwelijke performers uit Mali, Benin, Guinée, Algerije,...Hun samenwerking leidde al in 2017 tot een eerste plaat (Republique Amazone) en deze opvolger laat het beste horen van Afrika.
Hoogtepunten zijn het bezwerende en tegelijk erg westers klinkende Smile dat op een hiphopplaat ook niet zou misstaan, het door de Algerijnse Nacera Ouali Mesbah gedragen Rebels en slotsong Power, dat me terugslingert naar de tijd eind jaren tachtig, begin jaren negentig, dat ik Afrikaanse muziek leerde kennen.

Beluister hieronder het volledige album:

31 januari 2020

Elefant


Het Gentse viertal Elefant is niet makkelijk voor één gat te vangen. Dat verwondert niet als je ziet waar de leden voorheen speelden (je kan dat hier nog eens lezen toen Lord sleep van het vorige album Konark und bonark lied van de week was). Met al die invloeden begrijp je beter waarom de muziek snuffelend als een hond alle hoekjes van de kamer verkent. 
Het kan vreemd gaan voor een band die op zoek gaat naar vervreemding in dissonante en chaotische geluiden en op het eind een plaat aflevert die net over samenkomen gaat en volmondig JA tegen het leven zegt. Die ja mag dan soms vreemd klinken (in Ultra plus ultra of Rechtschreibe bijvoorbeeld) maar de levensvreugde en -drift zijn hoorbaar aanwezig. Eazy is een kruising van een eighties David Bowie met Vive La Fête. Welcome to life Sonny is synthpop met vleugjes new wave en The dooor speelt leentjebuur bij Gavin Friday in een heel experimentele bui.
Deze plaat is één van de meest wonderlijke die je dit jaar al kon horen en roept meteen de vraag op hoe dit live gaat klinken. Een gewoon optreden lijkt het me alvast niet te zullen worden. Je kan het alvast zelf uitvissen op 14 februari in de Gentse Charlatan.


Je kan dit album hier kopen op hun Bandcamppagina of hier via Consouling en alvast hieronder beluisteren.

30 januari 2020

Terry Allen And The Panhandle Mystery Band


Natuurlijk bestaan er groeiplaten, die je meermaals moet beluisteren en die je beetje bij beetje besluipen, ergens een gaatje zoeken om jouw muzikaal geheugen binnen te dringen, je vullen tot je ze eindelijk begrijpt. Maar evenzeer zijn er platen waarvan je bij de eerste beluistering, bij de eerste minuut van het eerste nummer al, hoort dat dit zowat het beste wordt wat je vermoedelijk dat jaar zal horen. De muziek grijpt je meteen vast als een pitbull, de teksten gaan ergens over, dat voel je nog voor je goed geluisterd hebt naar de woorden en er is iets in de manier waarop de zanger zijn stem gebruikt dat je nooit meer zal loslaten.
Dàt is precies wat ik wist toen ik Just like Moby Dick oplegde, de nieuwe plaat die de Texaanse muzikant en kunstenaar Terry Allen met zijn band net uit heeft. En werkelijk alles zit goed aan die plaat:  er is het mooie artwork (niet enkel de hoes, maar ook de zorg waarmee de fysieke exemplaren zijn gemaakt) en er is het verhaal achter de plaat. Want deze plaat heeft een link met het meesterwerk der literatuur dat Herman Melville schreef over een witte walvis en met Berthold Brecht en Kurt Weill (wiens Pirate Jenny hier met een gelijknamige song een pseudo-prequel krijgt). Bovendien kiest Terry Allen voor gastvocalen die de songs nog meer diepte geven.
Zo mag Shannon McNally mee de existentiële crisis van ontsnappingskunstenaar Houdini bezingen in Houdini didn't like the spiritualists. Het verhaal over de hoop, tegen beter weten en zijn eigen geloof in, op een boodschap van zijn overleden moeder klinkt hier zo intriest dat je zelf ook hoopt dat hij de bedriegers en charlatans eindelijk eens niet zal kunnen ontmaskeren zodat hij écht kan geloven dat de doden van gene zijde toch iets kunnen doorgeven aan de levenden. Even existentieel is de vaststelling dat iedereen Abandonitis heeft, dat je zou kunnen vertalen als "verlatingsangst" al dekt dat niet helemaal de bezongen lading. 
Terry Allen toont zich een ware verteller in de traditie van de folk wanneer hij op Death of the last stripper vertelt over het nergens terug te vinden zoontje van de laatste stripper uit het dorp. Alle pogingen ten spijt lukt het de verteller niet om het jongentje op het spoor te komen en hij blijkt daarmee even vluchtig en ongrijpbaar "just like Moby Dick". Het is een thema dat in meerdere gedaanten terug zal keren op deze plaat. 
Een andere grote gastmuzikant die op mag komen draven is Charlie Sexton. Niet alleen had die zelf in 1985 een grote hit met Beat's so lonely, in deze eeuw speelde hij meerdere periodes mee in de band die Bob Dylan begeleidt. Zijn gitaar is hier prominent aanwezig op All that's left is fare-thee-well, een song waar de melancholie vanaf druipt als sap van een rijpe watermeloen op het moment dat je erin bijt. Daarna volgt alweer een zo mooi verteld verhaal (Pirate Jenny) dat je op het puntje van je stoel luistert. 
We zijn aangekomen bij de driedelige American childhood trilogy, waarin drie verhaaltjes vertellen hoe mensen hun kinderlijke onschuld verliezen en die nooit meer terugvinden, zoals je het dorp waar je vroeger woonde, ook nooit meer terug kan vinden, of het nu zoals een polderdorp in Terug naar Oosterdonk ondergespoten is of alsnog bestaat maar door de tijd onherroepelijk veranderd is. Civil defence staat stil bij de herinnering aan een kindertijd die omringd wordt door een wereld die je pas later zal leren begrijpen en waarvan de context voetafdrukken nalaat die je pas als volwassene begrijpt. Muzikaal klinkt het hier opgewekt als een kind dat nog tijd heeft om te spelen en zijn fantasie nog de vrije loop kan laten. Bad kiss zet vraagtekens bij wat de Amerikanen in godsnaam gingen doen in Afghanistan (en Irak), maakt de vergelijking met Vietnam en vraagt zich af wat mensen drijft om ver van hun eigen huis en eigen geluk de grond te gaan begieten met bloed van onbekenden. Dat we als individu niet ontkomen aan hogere machten, even onzichtbaar en ongrijpbaar (alweer) als Moby Dick, wordt pas helemaal duidelijk in Little puppet thing
De melancholie die doorklinkt in All these blues go walkin' by snijdt door merg en been, verscheurt je ziel. Gelukkig volgt nog een "vertelselke", ditmaal over het circus van de vampieren (City of the vampires). De toon van deze song doet me denken aan burleske avonden en de fantastische tv-reeks Carnivale. Clowns blijken ook hier weer (zoals intussen al algemeen geweten hoort te zijn) wezens uit griezelverhalen: "Vain painted clowns are performing / Baby vampire eyes shine at the show / No one thinks it's alarming / Until they grab the clowns and bite holes in their necks / And the clowns aren't so funny anymore / So you better go exercise the elephants while you can". Harmony two komt dan als een geruststellend rustpunt.
Het boek Moby Dick heb ik (nog) niet gelezen dus ik kan er naast zitten maar naar ik begrepen heb, laat de walvis zich pas éénmaal, op het einde, zien aan kapitein Ahab. Ook op dit album komt hij pas in de laatste song boven water. Sailin' on through is de perfecte afsluiter van deze plaat, een ode aan het leven door een man die niet blind wil zijn voor lelijkheid, miserie en achterbaksheid. Hij wijst je de weg naar geluk door de jungle van ongeluk, rampspoed en ellende. Dat doet hij ook hier weer met een stem die me heel sterk aan Sam Baker doet denken.
Voorspellingen zijn lastig en laat je beter over aan waarzeggers op circussen en handlangers van de Voorzienigheid, maar af en toe waag ik me ook aan één: deze plaat gaat héél héél hoog eindigen in mijn eindejaarslijst, ik durf zelfs bijna de toppositie te voorspellen.
Je kan het album hier kopen op zijn Bandcamppagina en alvast hieronder beluisteren. Doe jezelf een cadeau en koop een fysiek exemplaar zodat je de lyrics meekrijgt, ze zijn de moeite meer dan waard.

29 januari 2020

Of Montreal


Toen ik in 2007 de Amerikaanse band of Montreal leerde kennen, was Hissing fauna, are you the destroyer? al hun achtste album. Intussen staat sinds de release vorige vrijdag van Ur fun, de teller op zestien. Behalve door een spuuglelijke eightieshoes wordt deze plaat gelukkig ook gekenmerkt door vrolijke liedjes. 
Het springerige Polyaneurism doet denken aan het refrein van Break the rules van Charli XCX.De eighties zijn helemaal terug in het kitscherige You've had me everywhere en de vrolijke mix van pop en rock in Don't let me die in America is aanstekelijk.
Ur fun is niet meteen voer voor eindejaarslijstjes maar het is onschuldig en vrolijk luistervertier en soms wil een mens na een lange dag werken niet echt meer dan dat.


Beluister hieronder het volledige album:

28 januari 2020

Eminem


Hi! My name is: wat een openbaring was dat toch in 1999. In een aflopende eeuw stond een blanke hiphopartiest op die het viriele van de West Coast combineerde met flow en rhymes waar velen versteld van stonden en een attitude die geen heilig huisje overeind liet staan. Eminem zou in de jaren erna hits blijven scoren, met hulp ook van de peetvader van Los Angeles County (en meer bepaald Compton), Dr. Dre.
Hoewel hij de voorbije jaren nog wel platen uitbracht, bleken de media hun belangstelling, die ooit gigantisch was geweest in de hoop de keet die hij wist te schoppen niet te missen, verloren te hebben. Misschien komt daar met Music to be murdered by verandering in. Een blik op de tracklist verraadt alvast dat intussen bijna vijftigjarige rapper koos voor samenwerkingen met wel heel diverse artiesten, van Ed Sheeran over Skylar Grey tot Anderson .Paak
En hoe zit het nu met de songs, hoor ik u al vragen.Wel, al zijn die niet allemaal van even hoog niveau, we kunnen zeker niet klagen. Laat u meevoeren de wel zeer vloeiende flows en rhymes samen met de vorig jaar overleden Juice WRLD op Godzilla, luister naar eens te meer ontluisterend persoonlijke ontboezemingen in Stepdad en Marsh maar de beste song is toch wanneer hij samen met Royce Da 5'9", Black Thought (van The Roots), Q-Tip (A Tribe Called Quest) en Denaun het vat opentrekt genaamd Yah yah. Het begint al met een "interpolatie" van de "yah yah yah" uit Busta Rhymes' Woo hah!! Got You All In Check (op diens The coming). Verder zit dit nummer vol energie en de rhymes tuimelen net als de gasten over elkaar waardoor dit erg vol en opwindend klinkt.
Bij de minpunten reken ik zeker ook Those kinda nights waarop Ed Sheeran zichzelf mag zijn en bewijst dat in wat voor song hij ook zingt, hij altijd op dezelfde manier voor het voetlicht treedt, en Little engine dat toch net iets te weinig om het lijf heeft.


Beluister hieronder het volledige album:

Ansatz Der Maschine


Ansatz Der Maschine, de band rond Kortrijkzaan Mathijs Bertel, heeft zich al meermaals een plaats veroverd op deze blog met albums die ragfijne schoonheid combineerden met de sfeer van andere werelden. Het ingetogen Burial songs is wat dat betreft zeker geen uitzondering.
Hoewel de titel een emotioneel zeer zware plaat laat vermoeden, klinken songs als Untold (waarop Will Samson ook te horen is) en Deerhunter verrassend lichtvoetig. Vooral de oosterse elementen in de muziek verlichten die songs waardoor ze meteen ook erg troostrijk worden. 
Het meest indrukwekkende lied op deze plaat is Invisible, de samenwerking met Colin H. Van Eeckhout (Amenra). Die debiteert zijn tekst over muzikale toetsen die soms niet meer zijn dan dat: hier en daar wordt een noot aangeslagen, zo lijkt het wel, de stiltes zitten mooi ingebouwd in het nummer. De stem van Colin dwingt je te luisteren met een intensiteit die soms pijn doet, soms berusting schenkt en een essentie van troost zoals die in de andere songs, alle inspanningen ten spijt, niet even krachtig te vinden is. En dat zegt niets over de kwaliteit van die andere songs, geloof me.

Luister hieronder naar het volledige album:

27 januari 2020

Recovery Girl


Recovery Girl is een project van de uit Ohio afkomstige Galen Tipton en de muziek die ze maakt is op zijn minst gezegd nogal speciaal. Maar als je bereid bent je te laten verrassen, valt er heus wel te genieten van de gelijknamige EP die ze begin dit jaar uitbracht.
De titelsong is mijn favoriet, met een stevige portie drum 'n bass. Die loopt nog even verder in het daaropvolgende, korte Lets go bitch. De overstuurde stem geeft de nummers een Japanse, vreemde toets die net één van de bijzonderheden uitmaken van deze artieste. Al klinkt ze op het einde van Dont be my light behoorlijk angstaanjagend. 
Iets langer dan een kwartier waan je je even in een discotheek op een andere planeet of minstens een ander werelddeel.

Je kan de EP hier kopen op haar Bandcamppagina en hieronder alvast beluisteren:

26 januari 2020

Aankondiging: 10 jaar Zebras Are Timeless


Op 13 maart spelen Zebras Are Timeless in de Gentse Charlatan om te vieren dat ze al tien jaar bestaan. Vorig jaar nog brachten de Deinzenaren een EP uit (99%). Daarop brengen ze hun mix van ska, reggae, latin en funk. Een optreden van de vijfkoppige band staat dus garant voor een stevige dosis energie en zonnige vibes. 
Het voorprogramma wordt gespeeld door Mise En Scene, negen man die het podium alleen al door hun getalsterkte volledig zullen vullen. 

Beluister hieronder alvast de EP om in de sfeer te komen. Alle info over het optreden vind je hier.

25 januari 2020

Goed gedaan, Vlaamse regering! (Of toch niet?)


Zoals hier te lezen viel op vrt.nws, heeft Wouter Beke, onze nieuwe minister van welzijn, door verschuiving van middelen extra geld kunnen vrijmaken om mensen met een beperking die wachten op zorg, te helpen. Mooi, en goed gedaan, Wouter! Iedereen blij...
Of toch niet? Want laten we dit allemaal eens wat kritischer bekijken. Nog los van het feit dat het daar op het kabinet van Beke een rommeltje moet zijn waarbij hij om de haverklap nieuwe middelen vindt zonder dat er extra geld is (blijkens zijn communicatie van de laatste weken), is de maatstaf waaraan we deze aankondiging misschien best afwegen de plannen, doelstellingen en ambities van de opeenvolgende regeringen (waar zijn partij CD&V altijd deel van uitmaakte) inzake het helpen van mensen met een beperking.
Tien jaar geleden formuleerde Jo Vandeurzen, toenmalig minister en partijgenoot van Beke, immers zijn conceptnota "Perpectief 2020: nieuw ondersteuningsbeleid voor personen met een handicap" (het hele document vind je als je doorklikt). Het werd de basis van alle hervormingen het afgelopen decennium in de sector en ik kan u, in de praktijk werkende, zeggen dat die ingrijpend waren. Alles wat u tegenwoordig hoort over zorgregie, de wachtlijst (één centrale i.p.v. per instelling), persoonsvolgende financiering vermaatschappelijking van de zorg,... is toen allemaal geconcipieerd. 
Kort gezegd komt het erop neer dat Perspectief 2020 (zoals het algauw ging heten) twee doelstellingen nastreefde, tegen 2020, om zo onder meer tegemoet te komen aan het VN-verdrag over de rechten van personen met een handicap. Die twee doelstellingen waren:



Aandachtige lezers merken meteen dat de Vlaamse regering er zich voor hoedde tot zeer concrete verbintenissen over te gaan, je zou deze doelstellingen eerder streefdoelen kunnen noemen dan "targets" (managertaal werd ook in de sociale sector plots hip want we moesten allemaal sociaal ondernemerschap omarmen) waarop je de directie (de regering) achteraf kan afrekenen.
Het idee achter die doelstellingen, uitgaande van vaststellingen in een veranderende maatschappij en internationale tendenzen, is zeker mooi. Personen met een handicap die het meest zorg nodig hebben, moeten (eerst) geholpen worden en die hulp moet vertrekken vanuit wat ze nodig hebben, niet vanuit het aanbod dat al bestond. M.a.w. gedaan met steeds maar weer dezelfde mensen met een complexe zorgvraag die nergens geholpen geraken omdat er voorrang verleend wordt aan "haalbaarder" problematieken en en gedaan met dat mensen met een handicap een pakketje hulp krijgen ongeacht of ze alles daaruit nodig hebben of niet. Voorwaar mooie doelstellingen zijn dat en er was, naast zoals overal enige weerstand tegen verandering (vooral omdat die nogal plots en onvoorbereid kwam), ook in de sector wel enthousiasme voor de ideeën. En de minister meende eindelijk het recept gevonden te hebben om van die verdomde lange wachtlijsten waar elke minister voor hem over struikelde, af te geraken. 
Hoe zag de praktijk er uit de voorbije jaren? Nou, het zou me veel te ver voeren om elk aspect daarvan te belichten en elk nieuw probleem dat opdook (van het verdwijnen van balans in het opnamebeleid van voorzieningen, want ze mochten niet meer zelf kiezen wie ze opnamen, tot haperende doch verplichte netwerktoepassingen die de overheid oplegde), maar sommige, in het kader van die doelstellingen belangrijke, wil ik wel voor de aandacht brengen.
De overheid streeft er dus (en Beke nu evenzeer) om de mensen met de hoogste noden alvast de garantie te bieden op zorg (en die moet dan ook nog op maat zijn). Maar hoe definieer je "de hoogste nood"? Je kan daar ronkende zinnen voor gebruiken zoals Vandeurzen deed in zijn nota of je kan kijken naar de praktijk. Die hoogste noden krijgen allemaal prioriteit 1. Mooi, duidelijk te onderscheiden van mensen met minder hoge prioriteiten. Nu ja, die andere prioriteiten zijn 2 (iedereen die niet 1 is maar toch NU geholpen wil worden) en 3 (toekomstige zorgvragen). Veel differentatie laat dat nu ook weer niet toe. 
Wanneer krijg je de hoogste prioriteit? Wel, er zijn 3 redenen:
- je krijg al zorg maar door verhuis van je familie, partner,... of wat voor reden ook zou je diezelfde zorg ELDERS willen krijgen
- je krijgt zorg maar om één of andere reden heb je nu niet zoveel zorg meer nodig dus je wil een lagere zorgcategorie maar wel liefst aansluitend natuurlijk
- je dient een dossier in om uit te leggen waarom je echt wel niet langer kan wachten op zorg
Die eerste twee redenen geven niet zo veel problemen in de praktijk, althans, niet meer dan vroeger. De derde reden is ietwat tricky. Ten eerste is er nogal wat administratie en papierwerk dat moet ingevuld worden om te bewijzen dat je dus écht niet meer kan wachten en dat je dus écht nog steeds die handicap hebt waarvoor het VAPH (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap) je al erkent. Dat dossier wordt beoordeeld en de overheid doet dat zeer streng en strikt. Mensen waarvan iedereen met gezond verstand en met kennis van zaken van de dagelijkse realiteit beseft dat ze nu toch echt wel zeer dringen hulp en ondersteuning nodig hebben, blijken geen "voldoende dringende" reden te hebben, bijvoorbeeld omdat hun ouders nog leven (en die kunnen toch voor hen zorgen?). Het is zelfs zo absurd dat zelfs een slechte, ongelooflijk destructieve relatie tussen ouder en kind, die het kind dus eerder kapotmaakt dan helpt, voor het VAPH een reden is om jou niet de hoogste prioriteit toe te kennen.
Stel dat je toch het geluk hebt dat je die hoogste prioriteit toegekend krijgt, is de lijdensweg nog niet voorbij, want je bent niet de enige. Daar zijn immers momenteel zo'n 6.000 van die wachten op een budget voor zorg. In totaal staan trouwens zo'n kleine 16.000 mensen op de wachtlijst om een budget of een budgetverhoging (wegens gegroeide zorgbehoefte) te krijgen, blijkens de cijfers uit het nieuwsartikel.
Probleem is ook dat de overheid ervan uitgaat dat alles wat je krijgt, beter is dan niets (en meteen ook reden om je prioriteit daarna te verlagen van 1 naar 2, want je krijg al "hulp", zelfs al is die niet toereikend). Maar de praktijk toont duidelijk dat vroeg én voldoende ingrijpen juist factoren zijn die een betere prognose geven én die voorkomen dat je later méér hulp nodig hebt dan je oorspronkelijk nodig zou gehad hebben. Net zoals degenen die langst wachten al iets geven ten koste van mensen met nieuwe zorgvragen, eerlijk LIJKT maar het geweldige nadeel heeft dat mensen pas hulp krijgen als de problemen al dermate geëscaleerd zijn dat ze méér en intensievere hulp nodig hebben dan oorspronkelijk nodig zou geweest zijn (en dus ook duurdere hulp!).
En wat met de doelstelling van vraaggestuurde zorg i.p.v. aanbodgestuurde zorg? Wel, dat is in de praktijk een pak moeilijker dan op papier. Want organisaties (instellingen, diensten,...) moeten met hun personeel binnen een kader van arbeidswetgeving wel die hulp georganiseerd krijgen en er waren ook al veel mensen die al hulp kregen die je hen ook niet zomaar kan afnemen om op een bepaald moment van nul te herbeginnen. Dus, net als in andere sectoren overigens, is de praktijk een verschuiving naar méér vraaggestuurd maar ook nog steeds sterk aanbogestuurd, want je kan maar krijgen wat voorhanden is. Dat is voor ons trouwens ook zo in de supermarkt: ik kan wel een kerststol WILLEN in jullie en de supermarkt zou me misschien graag helpen om mijn vraag te beantwoorden (uiteindelijk is verkopen wat ik wil hun businessmodel) maar als er geen zijn, zijn er geen, hoe hard ik dat ook wil...
En zijn de wachtlijsten nu verminderd? Dat was achterliggend misschien nog wel de grootste motivatie om al die veranderingen door te voeren. Wel, volgens het nieuwsartikel stijgt het aantal wachtenden nog steeds (van 15.583 nu tot vermoedelijk 24.900 in 2024, over VIER jaar dus al) en zelfs de groep met de meest dringende noden zou stijgen van 1.500 nu tot 4.000 dan.
Het is goed dat de regering tien jaar geleden doelstellingen en een plan had (zelfs al waren beide verre van perfect), maar mogen we dan nu alstublieft verwachten dat de minister i.p.v. wat maatregelen in de marge eens echte beleidsmaatregelen zou nemen vertrekkende vanuit een visie die realistisch de gigantische problemen van de sector aanpakt?
Want we hebben het hier nog niet gehad over personeelsomkadering (gemiddeld zo'n 80 % van de voorziene personeelsomkadering in de jaren zeventig toen de mix van problemen tenminste nog enige balans had doordat voorzieningen zelf een evenwichtig opnamebeleid konden voeren), het gigantische wantrouwen tegenover de hulpverlening (hulpverleningsinstanties die een persoon al zijn hele leven helpen en dus samen met zijn familie beter dan wie ook weten, vanuit profiessionele deskundigheid, wat iemand nodig heeft in de toekomst, mogen officeel geen "betrokkenen" zijn bij het indienen van het dossier met vraagverheldering en budgetaanvraag), de vermaatschappelijking van de zorg binnen een inclusieve maatschappij (ik weet niet of u het al opviel, maar deze overheid is helemaal niet zo inclusief als ze van ons verwachten: vreemdelingen, Walen, werklozen, langdurig zieken, linksen, culturo's,... zijn niet welkom want profiteurs dus het laat zich raden wat ze sommige politici écht vinden van mensen met een handicap die weinig "bijdragen aan de maatschappij"),...

G. Love and Special Sauce


Het was 1994 en nadat grunge de deuren open gebeukt had van de hitparade en de mainstream radiostations, kregen heel wat meer muziekgenres de gelegenheid in prime time airplay te krijgen. En zo konden we ook kennismaken met moderne blues zoals G. Love And Special Sauce die brachten. Singles Cold beverage en Baby's got sauce charmeerden me bijzonder en ik kocht de plaat, die me meteen ook een kennismaking opleverde met het Okeh-label.
Acht albums en drie soloplaten later zijn ze daar weer met The juice. Benieuwd luisterde ik ernaar en een zucht van opluchting mocht geslaakt worden: Garrett Dutton kan het nog steeds. Dat hij daarbij niet enkel hiphop en blues vermengt, maar ook invloeden uit diverse andere muziekgenres incorporeert in zijn songs, hoor je onder meer in SoulBQue. Daar swingt het trio uit Pennsylvania en dat terwijl ze ook relaxed klinken. Fix your face is dan weer loepzuivere bluesrock en dan hebben we het nog niet eens gehad over de samenwerkingen met Keb' Mo'. Shine on moon combineert glansrijk bluesy gitaarspel met een hiphopparlando van G. Love. Go crazy drijft op een ritme dat we al van zijn vroegste platen kennen en Birmingham, het meest uptempo nummer van de drie, is een oorwurm voor wie het hitparadewerk schuwt.

Beluister hieronder het volledige album:

24 januari 2020

Torgeir Waldemar


Je hoort tegenwoordig vanalles: de jaren dertig zijn terug, de nineties zijn weer hip,... Wil iemand meteen ook even checken of de jaren zeventig ook terug voor de deur staan? Daar lijkt het immers op met de release van Love, de opvolger van No offending borders van de Torgeir Waldemar. De Noor scoorde met die tweede plaat onder meer een mooie tweede plek in mijn eindejaarslijstje van 2017.
Het is weer lekker wegwaaien op uitgestrekte vlakten of langs kaarsrechte wegen dwars door eindeloze bossen, zo te horen. De Noor zingt daarbij alsof zijn stem meegedragen wordt op de wind. Geen enkel zwak moment valt te bespeuren. Het meest hou ik nog van Heart and gold en de bijna een kwartier durende afsluiter Black ocean.

Je kan dit album hier kopen op zijn Bandcamppagina en alvast hieronder beluisteren:

23 januari 2020

Gelezen (137)

Verzamelde verhalen - Richard Minne


Deze verhalenbundel van Richard Minne verwart enigszins. Naast enkele goede novellen bevat het er ook enkele (zeer korte) die richting missen (Mr H.S. en Mr C.H.) of zoals Madèle of de lustige weduw een basis lijken te vormen voor een verhaal dat langer had moeten worden. Wel genoten van heb ik van De neef uit Kongo, waarin verwachtingen en realiteit niet altijd lijken te matchen.

Het feest der onbeduidendheid - Milan Kundera


De Tsjech Milan Kundera woont al heel lang in Frankrijk en dat merk je aan zijn literatuur. Hij schrijft zich in in een Franse traditie van een intellectueel-literaire elite die graag uitpakt met filosofie en één van de redenen waarom ik vaak niet hou van Franse literatuur is net dat auteurs de neiging hebben om het verhaal te pas en te onpas te verlaten voor ellenlange filosofische uitweidingen die echter meer weghebben van toogfilosofie met een glas armagnac in de hand dan van pogingen om filosofische ideeën en begrippen te vertalen naar concrete situaties die je gebruikt in het verhaal. Gelukkig schurkt Kundera daar enkel maar wat tegen aan. Hij verliest het verhaal nooit uit het oog en al zijn de bespiegelingen vaak mooi, grappig en associatief, ze komen zelden in de weg te staan van de rode draad. Ook hier levert dat toch nog een vlot leesbaar en geestig boek op, dat -zoals wel vaker bij Kundera- de onbeduidendheid van ons leven viert en de relativiteit van alles vereert.

Anti-Flag


De punkband Anti-Flag uit Pittsburgh bracht net zijn twaalfde studio-album uit in 24 jaar tijd. Met een gemiddelde van een plaat om de 2 jaar kan je hen een behoorlijk hardwerkende band noemen. Bovendien bestonden ze toen al 8 jaar, al kenden ze een kleine onderbreking en brachten ze enkel een demo-album uit. 
20/20 vision start met een sample van de Amerikaanse president Donald Trump als inleiding voor Hate conquers all. Meteen wordt duidelijk dat de band zich schaart bij de grote groep tegenstanders van de huidige bewoner van het Witte Huis. En dat er aan gindse zijde van de Atlantische Oceaan minstens evenveel reden tot verontwaardiging is, laten ze helder horen in songs als Christian nationalist (over white supremacists die hun gelijk uit hun radicaal geloof halen), A nation sleeps (over onverschilligheid) en Un-American (over het misbruik van de term van term "on-Amerikaans"). Met bandleden die zich Justin Sane, Chris Head, Chris No. 2 en Pat Thetic noemen, mag je gelukkig ook wat humor en zelfrelativering verwachten, hetgeen we ook krijgen in The disease. Hun rol zien ze als de kanarie in de mijn, "we are the fire in the attic / we are the disease / misery loves our company".

Beluister hieronder het volledige album:

22 januari 2020

Pinegrove


In 2016 was er al Cardinal dat de top 10 van mijn eindejaarslijstje haalde en nu brengt Pinegrove een vierde studioplaat uit. Marigold heeft net als het eerder genoemde album een vrij eenvoudige en abstracte hoes. Laat je daar ook ditmaal door niet verschalken en rij Sinterklaasgewijs hun huisje toch niet zomaar voorbij...
Dezelfde charme die Cardinal bevat, is immers ook overduidelijk aanwezig op dit album. Dezelfde referenties als toen (Daniel Johnston, Sebadoh, Guided By Voices en The Folk Implosion) komen nog steeds spontaan in me op. Toch is Marigold niet gewoon een doorslagje. Het bevat immers gewoon elf fijne songs die stuk voor stuk hun bestaansreden opeisen. Tot de hoogtepunten horen het heel Amerikaanse klinkende Phase (je waant je meteen op college), de contemplatieve single The alarmist en de verrassend lange, totaal instrumentale titelsong. Die is meteen ook de afsluiter van een plaat die uiteraard niet meer dat gevoel van ontdekking dat ik had in 2016 had, kan teweegbrengen maar een vrijwel even hoge kwaliteit uitademt.

Je kan dit album hier kopen op hun Bandcamppagina en het hieronder alvast beluisteren:

Klik op oranje tekst om de links te volgen en blauwe links voor de mp3's.